Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9125

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
200.173.665/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.173.665/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/385263/ FL RK 15-140)

beschikking van de familiekamer van 26 november 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Stoel, kantoorhoudend te Dronten,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden Nederland,

gevestigd te Lelystad,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Almere,

hierna te noemen: de voogdes,

2. [de pleegouders],

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 28 april 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 juli 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende:

I. te bepalen dat de raad niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2015, en tot benoeming van Samen Veilig Flevoland tot voogdes over [de minderjarige] dan wel dat verzoek af te wijzen;

II. de raad te veroordelen in de kosten van dit geding dan wel de kosten van dit geding tussen partijen te compenseren;

III. de te geven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, indien en voor zover wettelijk toegestaan.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 september 2015, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof is binnengekomen een journaalbericht met bijlagen van 20 oktober 2015 van mr. Stoel.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 30 oktober 2015 plaatsgevonden. Verschenen zijn mr. Stoel, mevrouw [B] namens de raad en mevrouw [C] en mevrouw [D] namens de voogdes. Het hof heeft de voogdes ter zitting in de gelegenheid gesteld het verslag van het gesprek tussen de moeder, [G] en de jeugdhulpverlener van 4 november 2015 in het geding te brengen.

2.5

Bij brief van 10 november 2015 heeft de voogdes het hof bericht dat het gesprek gepland op 4 november 2015 geen doorgang heeft kunnen vinden en dat dit is verplaatst naar 18 november 2015. Bij journaalbericht van 17 november 2015 heeft mr. Stoel te kennen gegeven dat het gesprek van 4 november 2015 is uitgesteld tot een voor hem onbekende datum, zodat het hof nog geen verslag van het gesprek kan worden toegezonden. Het hof ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van het gespreksverslag. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de moeder is [de minderjarige] geboren. De moeder oefent het gezag over [de minderjarige] alleen uit. [de minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

3.2

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 26 januari 2015, heeft de raad verzocht het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen en Samen Veilig Midden Nederland tot voogdes over [de minderjarige] te benoemen.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en Samen Veilig Midden-Nederland tot voogdes over [de minderjarige] benoemd.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt.

4.2

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken. De moeder heeft een zeer belaste voorgeschiedenis. Bij de moeder is al jarenlang - in ieder geval vanaf 2010 - sprake van een (chronische) psychiatrische problematiek. Zij is gediagnosticeerd met schizofrenie en heeft zich jarenlang zorg mijdend opgesteld ten aanzien van hulpverlening. Vanwege haar psychiatrische problematiek zijn de twee andere kinderen van de moeder, te weten [E] (hierna: [E] ) en [F] (hierna: [F] ), uit huis geplaatst. Op 23 oktober 2014 is de moeder ontheven van het gezag over [F] en op 22 december 2014 van het gezag over [E] . De moeder heeft nimmer de verantwoordelijkheid genomen voor [E] en [F] . Zij kon c.q. wilde niet voor hen zorgdragen en hield zich niet aan de afspraken rondom de omgang met hen. Tijdens de zwangerschap van [de minderjarige] heeft de moeder meer keren aangegeven dat de zwangerschap ongewenst was en dat zij deze wilde beëindigen, alhoewel dit gezien de zwangerschapsduur niet meer mogelijk was. De moeder heeft tijdens de zwangerschap - mogelijk als gevolg van haar psychiatrisch ziektebeeld - voortdurend te kennen gegeven dat zij na de geboorte niets met [de minderjarige] te maken wenste te hebben.

4.3

De moeder is op 17 november 2014 opgenomen op de crisisafdeling. Op 18 december 2014 is zij – middels een inbewaringstelling die per 12 december 2014 is afgeven – opgenomen op de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ). Met ingang van 9 januari 2015 is ten aanzien van de moeder een rechterlijke machtiging afgegeven voor de duur van zes maanden. Bij beschikking van 1 juli 2015 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortgezet verblijf van de moeder in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 1 januari 2016. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stoornis van de geestvermogens van de moeder, te weten schizofrenie, ervoor zorgt dat zij maatschappelijk te gronde gaat en dat dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. De rechtbank heeft niet de overtuiging gekregen dat bij de moeder sprake is van de nodige bestendige bereidheid zich te doen opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder a, Wet BOPZ, vanwege de omstandigheid dat de moeder voorwaarden stelt aan de hulpverlening.

4.4

Weliswaar lijkt de moeder nu op de goede weg te zijn, mede gelet op de omstandigheid dat zij per 20 oktober 2015 met behoud van de rechterlijke machtiging onder een aantal voorwaarden met ontslag is gegaan uit de kliniek [G] , maar het hof is met de raad van oordeel dat de moeder niet in staat is haar leven zonder (intensieve) hulpverlening zelfstandig vorm te geven, laat staan dat zij in staat is de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een voor hem aanvaardbare termijn te dragen. De moeder heeft haar handen vol aan zichzelf, het werken aan haar (psychiatrische) problematiek en het zich zo goed mogelijk staande houden in de maatschappij. De moeder heeft eveneens financiële problemen en beschikt niet over een netwerk waarop zij kan terugvallen. De moeder heeft in het verleden geen, althans zeer gering, ziektebesef gehad en structureel geweigerd medicatie te gebruiken voor haar problematiek. Dat de moeder thans hulp en begeleiding heeft, zich aan de afspraken met haar behandelaren houdt en de voorgeschreven medicatie volgens voorschrift inneemt, acht het hof een positieve ontwikkeling, maar nog te pril en onvoldoende bestendig. Gelet op de ernst van de problematiek bij de moeder valt niet te verwachten dat zij binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn - die gelet op zijn leeftijd kort is - weer dusdanig stabiel functioneert, dat zij in staat is voor [de minderjarige] te zorgen.

4.5

Het hof betrekt tevens bij zijn oordeel dat de problematiek van de moeder zijn weerslag heeft op haar opvoedershandelen. Zij stelt haar eigen behoeften voorop in plaats van die van de kinderen. Ter zitting is naar voren gekomen dat de moeder enkel omgang met haar kinderen - waaronder [de minderjarige] - wil onder de voorwaarde dat zij onderling geen contact met elkaar hebben. De reden daarvan is dat de moeder er grote moeite mee heeft dat [F] contact met haar vader heeft. Ook heeft zij aangegeven dat zij slechts omgang met haar kinderen wil onder de voorwaarde dat het perspectief van de kinderen bij haar komt te liggen. Bovendien is gebleken dat de moeder een lange periode heeft uitgedragen dat zij geen contact met [F] wilde. Omdat de moeder een relatie wenste met de vader van [E] en zij de vader van [F] buiten beeld wilde houden, heeft de moeder zich tegen [F] gekeerd. Het hof acht deze handelswijze zorgelijk en volstrekt niet in het belang van de kinderen, waaronder [de minderjarige] .

4.6

Dat het hof de moeder niet in staat acht de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen een voor hem aanvaardbare termijn, geldt te meer nu de opvoeding van [de minderjarige] bovengemiddelde opvoedingscapaciteiten van de moeder vergt. [de minderjarige] verblijft vanaf zijn geboorte in een perspectiefbiedend pleeggezin, alwaar hem een stabiele opvoedingssituatie wordt geboden en hij zich positief ontwikkelt. [de minderjarige] is geworteld in het pleeggezin en is aan de pleegouders gehecht. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [de minderjarige] zal verbreking van de ontstane gehechtheidsrelaties een trauma bij [de minderjarige] veroorzaken en kan dit zijn ontwikkeling ernstig schaden. Gezien haar ernstige en chronische problematiek acht het hof de moeder niet in staat [de minderjarige] - binnen een voor hem aanvaardbare termijn - te begeleiden bij de verwerking van het verstoorde hechtingsproces.

4.7

Nu thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, acht het hof het in het belang van [de minderjarige] dat door middel van beëindiging van het gezag van de moeder duidelijk wordt dat hij tot zijn volwassenheid zal opgroeien in het pleeggezin. Die duidelijkheid is te meer van belang nu de moeder de hoop heeft dat [de minderjarige] op langere termijn bij haar kan komen wonen, hetgeen in de toekomst veel onrust en onzekerheid met zich kan brengen. Naar het oordeel van het hof dient aan de belangen van [de minderjarige] bij continuering van de huidige opvoedingssituatie, duidelijkheid over zijn toekomstperspectief en voortzetting van een ongestoord hechtingsproces een zwaarder wegende betekenis te worden toegekend dan aan het recht van de moeder om met het gezag te blijven belast. Het hof acht andere maatregelen onvoldoende om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] als bedoeld in 1:266 lid 1 onder a BW af te wenden.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat de wettelijke gronden voor de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] aanwezig zijn.

4.9

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding de zaak voor zes maanden aan te houden om te bezien op welke wijze de moeder zich de komende tijd ontwikkelt, zoals de moeder ter zitting heeft verzocht.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.2

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als door de moeder verzocht en zal de proceskosten tussen partijen, als gebruikelijk in zaken als de onderhavige, aldus compenseren dat ieder de eigen kosten van het geding draagt.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 28 april 2015;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. A.W. Jongbloed en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 november 2015 in bijzijn van de griffier.