Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9122

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
200.171.609/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Beroep op aanvaardbaarheidstoets verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.171.609/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/107412/FA RK 14-2769)

beschikking van de familiekamer van 19 november 2015

inzake

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.B.F. Soppe, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[de vrouw] ,

verder te noemen: de vrouw,

[de jongmeerderjarige],

verder te noemen: [de jongmeerderjarige] ;

beiden wonende op een geheim adres,

geïntimeerden,

advocaat in eerste aanleg: mr. J.P. Schrale-Oranje, kantoorhoudend te Roden,

thans niet in rechte verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 maart 2015 en 20 mei 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift van 17 juni 2015 is de man in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 18 maart 2015, het hof begrijpt voor zover het de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdragen voor de periode van 1 september 2014 tot 1 januari 2015 betreft, en van de beschikking van de rechtbank van 20 mei 2015. De man heeft het hof verzocht die beschikkingen te vernietigen, het hof begrijpt voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw beschikkende te bepalen dat zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige [de minderjarige] en zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] met ingang van 1 september 2014 op nihil worden gesteld, althans op een bedrag dat het hof in goede justitie vermeent te behoren.

2.2

Van de zijde van de vrouw en van de zijde van [de jongmeerderjarige] is geen verweerschrift ontvangen.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het journaalbericht met bijlagen van 20 augustus 2015 van mr. Soppe.

2.4

Bij brieven van 9 september 2015 heeft het hof partijen bericht dat deze zaak zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan, op basis van de stukken in het dossier, tenzij het hof alsnog aanleiding zal zien om een mondelinge behandeling te bepalen. Het hof heeft ieder der partijen in de gelegenheid gesteld om, wanneer een hunner reden heeft om toch een mondelinge behandeling te wensen, dit binnen twee weken na 9 september 2015 schriftelijk en gemotiveerd aan het hof te berichten.

2.5

Bij journaalbericht van 11 september 2015 heeft mr. Soppe namens de man bericht dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan. Van de geïntimeerden heeft het hof geen bericht ontvangen. Het hof heeft daarom de mondelinge achterwege gelaten en zal de zaak afdoen op basis van de stukken in het dossier.

2.6

De na te noemen minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 24 oktober 2015 zijn mening ten aanzien van de bijdrage van de man in de kosten van zijn verzorging en opvoeding aan het hof kenbaar gemaakt.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw hebben tot het jaar 2000 een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie [in] 1996 te [B] de jongmeerderjarige [de jongmeerderjarige] is geboren en [in] 1998 de minderjarige [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). De man heeft de kinderen erkend.

3.2

Bij inleidend verzoekschrift van 16 oktober 2014, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 20 oktober 2014, heeft de vrouw de rechtbank verzocht om te bepalen dat de man ingaande 1 september 2014 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dient te leveren van € 216,24 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen vóór de eerste van iedere maand, of een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie voor juist houdt, en heeft [de jongmeerderjarige] de rechtbank verzocht te bepalen dat de man ingaande 1 september 2014 een bedrage in de kosten van levensonderhoud en studie dient te leveren van € 216,24 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen vóór de eerste van iedere maand, of een zodanig bedrag als het hof in goede justitie voor juist houdt.

3.3

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en de rechtbank verzocht:
I. het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bijdrage van de man in de kosten van

[de minderjarige] met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift te bepalen op een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent en met ingang van 1 maart 2015 op nihil;

II. het verzoek van [de jongmeerderjarige] af te wijzen en de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud en studie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift te bepalen op een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent en met ingang van 1 maart 2015 op nihil.

3.4

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 18 maart 2015 heeft de rechtbank, voor zover te dezen van belang:
- bepaald dat de man vanaf 1 september 2014 tot 1 januari 2015 als bijdrage in de

kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw - voor zover het betreft niet verstreken termijnen - telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van
€ 61,- per maand dient te betalen;

- bepaald dat de man vanaf 1 september 2014 tot 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [de jongmeerderjarige] - voor zover het betreft niet verstreken termijnen - telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 61,- per maand dient te betalen;

- de zaak aangehouden en de man in de gelegenheid gesteld om gegevens over te leggen over zijn nieuwe inkomenssituatie, alsmede een definitieve alimentatieberekening, en de vrouw in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

3.5

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 20 mei 2015 heeft de rechtbank:
- bepaald dat de man vanaf 1 januari 2015 tot 20 maart 2015 (ingangsdatum WIA) als

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw - voor

zover het betreft niet verstreken termijnen - telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 18,- per maand dient te betalen;

- bepaald dat de man vanaf 1 januari 2015 tot 20 maart 2015 (ingangsdatum WIA) als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [de jongmeerderjarige] - voor zover het betreft niet verstreken termijnen - telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 72,- per maand dient te betalen;

- bepaald dat de man vanaf 20 maart 2015 (ingangsdatum WIA) als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw - voor zover het betreft niet verstreken termijnen - telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van
€ 8,- per maand dient te betalen;

- bepaald dat de man vanaf 20 maart 2015 (ingangsdatum WIA) als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [de jongmeerderjarige] - voor zover het betreft niet verstreken termijnen - telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 31,- per maand dient te betalen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van [de minderjarige] en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] .

4.2

De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen van 18 maart 2015 en 20 mei 2015. De eerste, vierde en vijfde grief zien op de draagkracht van de man, meer in het bijzonder op:
- de (rente)betalingen die hij verricht op een krediet bij [a-bank] N.V. (hierna: [a-bank] );

- de toegepaste draagkrachtformule in de periode van 1 januari 2015 tot 20 maart 2015;

- het inkomen dat tot uitgangspunt is genomen voor de berekening van zijn draagkracht in de periode vanaf 20 maart 2015.

De tweede en derde grief missen zelfstandige betekenis en zullen daarom niet afzonderlijk worden besproken.


De betaling op het krediet bij [a-bank]

4.3

De man stelt zich in zijn eerste grief op het standpunt dat de rechtbank zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets ten aanzien van zijn maandelijkse (rente)betaling van € 345,- aan de [a-bank] in verband met verstrekt krediet ten onrechte niet heeft gehonoreerd.

4.4

Het hof begrijpt dat de man heeft bedoeld een beroep te doen op de in §7.2 van het Rapport Alimentatienormen opgenomen mogelijkheid tot verhoging van het draagkrachtloos inkomen, bedoeld voor lasten die onderling vast staan of lasten die niet te vermijden en niet verwijtbaar zijn. Voor zover de man wel heeft bedoeld een beroep te doen op de aanvaardbaarheidstoets, is het hof van oordeel dat hij dit beroep onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft immers niet geconcretiseerd en onderbouwd gesteld dat indien een onderhoudsbijdrage zal worden opgelegd dit tot rechtens onaanvaardbare gevolgen leidt, in die zin dat hij niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud zal kunnen voorzien.

4.5

Ingevolge §7.2 van het Rapport Alimentatienormen kan, als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan daarmee rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen, zoals vermeld in de tabel, te verhogen.

4.6

De vrouw en [de jongmeerderjarige] hebben zich, blijkens de aan het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 18 februari 2015 gehechte pleitaantekeningen van mr. Schrale-Oranje, verzet tegen het in aanmerking nemen van een bedrag van € 345,- per maand ter zake de betaling door de man op voormeld krediet.

4.7

De man heeft toegelicht dat de schuld aan de [a-bank] stamt uit zijn huwelijk met mevrouw [C] , welk huwelijk in februari 2011 is ontbonden. Nu geen sprake is van een schuld die stamt uit de relatie van de man en de vrouw, en uit de kredietovereenkomst bovendien blijkt dat ook mevrouw [C] schuldenaar is, ziet het hof geen aanleiding tot een verhoging van het draagkrachtloos inkomen van de man zoals omschreven in §7.2 van het Rapport Alimentatienormen. De man heeft gesteld noch onderbouwd dat sprake is van een niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om deze schuld te laten prevaleren boven de onderhoudsverplichting van de man voor [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige] . De eerste grief van de man faalt derhalve.
De toepasselijke formule in de periode vanaf 1 januari 2015

4.8

In zijn vierde grief stelt de man zich op het standpunt dat de rechtbank zijn draagkracht in de periode van 1 januari 2015 tot 20 maart 2015 ten onrechte heeft bepaald aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)].

4.9

Het hof is met de man van oordeel dat gelet op de knip per 1 januari 2015 - en mede in aanmerking genomen de niet in geschil zijnde hoogte van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man van € 1.935,- per maand, zijn draagkracht had moeten worden berekend aan de hand van de met ingang van 1 januari 2015 gewijzigde draagkrachtformule, die voor inkomens hoger dan € 1.525,- is komen te luiden als volgt: 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)].

4.10

De draagkracht van de man bedraagt op grond van het vorenstaande in de periode van 1 januari 2015 tot 20 maart 2015 € 335,65 per maand. De vierde grief van de man slaagt derhalve.

Het inkomen van de man in de periode vanaf 20 maart 2015

4.11

De rechtbank heeft het NBI van de man in de periode vanaf 20 maart 2015 aan de hand van een inkomen uit WIA-uitkering van € 23.134,- per jaar (inclusief vakantiegeld) vastgesteld op € 1.386,- per maand.

4.12

In zijn vijfde grief stelt de man zich op het standpunt dat zijn NBI in de periode vanaf 20 maart 2015 dient te worden vastgesteld aan de hand van een inkomen uit WIA-uitkering van € 21.591,- per jaar (inclusief vakantietoeslag) en aldus € 1.314,- per maand bedraagt.

4.13

De vrouw en [de jongmeerderjarige] hebben zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat in ieder geval voor het jaar 2015 nog moet worden uitgegaan van het inkomen dat de man bij zijn werkgever ( [D] N.V.) genereerde van € 31.264,- per jaar. Daartoe voeren zij aan dat niet vast staat dat de man is ontslagen, nu hij geen ontslagbesluit in het geding heeft gebracht. Subsidiair stellen de vrouw en [de jongmeerderjarige] dat de man op grond van zijn cao recht heeft op een aanvulling op zijn WIA-uitkering.

4.14

Naar het oordeel van het hof is reeds op grond van het feit dat aan de man een volledige WIA-uitkering is toegekend voldoende aannemelijk geworden dat hij is ontslagen bij zijn werkgever. Het hof verwijst in dit verband bovendien naar pagina 5. van de toekenningsbeschikking. Hier staat vermeld dat de WIA-uitkering van de man pas in zal gaan op 20 maart 2015, omdat hij vanaf die datum geen recht meer heeft op loondoorbetaling. Ook uit het feit dat de man geen recht meer heeft op loondoorbetaling volgt dat hij daadwerkelijk is ontslagen. Het hof is voorts van oordeel dat de vrouw en [de jongmeerderjarige] hun stelling dat de man op grond van zijn cao recht heeft op een aanvulling op zijn WIA-uitkering onvoldoende hebben onderbouwd. De cao ' [E] B.V', waarvan de vrouw en [de jongmeerderjarige] één pagina hebben overgelegd, ziet op de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 juni 2012 en derhalve niet op de periode waarin de man is ontslagen. Daar komt bij dat het artikel 14 dat op de overgelegde pagina staat ziet op arbeidsongeschiktheid die is aangevangen vóór 1 januari 2004. Daarvan is in casu geen sprake.

4.15

Voor zover de vrouw en [de jongmeerderjarige] zich op het standpunt hebben gesteld dat de man over voldoende verdiencapaciteit beschikt om zijn oude inkomen weer te kunnen genereren, is het hof van oordeel dat uit de overgelegde stukken van ArboNed voldoende blijkt dat de man daartoe vooralsnog als gevolg van 100% arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is.

4.16

Hoewel de man zich op het standpunt heeft gesteld dat reeds vanaf 20 maart 2015 rekening dient te worden gehouden met een inkomen uit WIA-uitkering van € 21.592,- per maand, blijkt uit de overgelegde toekenningsbeschikking van de WIA-uitkering van 5 maart 2015 dat het inkomen van de man in de periode van 20 maart 2015 tot 20 mei 2015 (geëxtrapoleerd naar een jaar) inclusief vakantietoeslag € 23.134,- per jaar bedraagt, zijnde het inkomen dat ook de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen ten aanzien van deze periode. De man heeft niet gegriefd tegen de door de rechtbank aan de hand hiervan berekende draagkracht van € 116,- per maand. De vijfde grief van de man slaagt derhalve niet voor zover het betreft de periode van 20 maart 2015 tot 20 mei 2015.

4.17

Ten aanzien van de periode vanaf 20 mei 2015 zal het hof wel uitgaan van een inkomen uit WIA-uitkering van € 21.592,-, nu dit bedrag volgt uit de overgelegde toekenningsbeschikking en correspondeert met de overgelegde uitkeringsspecificatie van juni 2015. Het NBI van de man bedraagt in de periode vanaf 20 mei 2015 aldus € 1.314,- per maand, op grond waarvan zijn draagkracht conform de draagkrachttabel 2015 dient te worden vastgesteld op € 67,- per maand. De vijfde grief van de man slaagt derhalve gedeeltelijk, voor zover het de periode vanaf 20 mei 2015 betreft.

4.18

Het slagen van de vierde grief van de man - die ziet op de periode van 1 januari 2015 tot 20 maart 2015 - en het (gedeeltelijk) slagen van de vijfde grief - voor zover betrekking hebbend op de periode vanaf 20 mei 2015 - betekent dat het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep ten aanzien van die perioden de stellingen en verweren van de vrouw en [de jongmeerderjarige] in eerste aanleg (alsnog) dient te beoordelen.
De behoefte van de kinderen voor de periode na 1 januari 2015

4.19

De rechtbank heeft in haar beschikking overwogen dat voor 2015 de gestelde behoefte van € 216,24 per kind per maand wordt overgenomen.

4.20

Hierbij is de rechtbank naar het oordeel van het hof ten onrechte voorbijgegaan aan de stelling van de vrouw en [de jongmeerderjarige] dat dit bedrag het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen betreft, zoals die stelling blijkt uit de aan het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 18 februari 2015 gehechte pleitaantekeningen van mr. Schrale-Oranje.

4.21

Het hof is van oordeel dat nu noch door de man, noch door de vrouw en [de jongmeerderjarige] voldoende is gesteld omtrent de hoogte van de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige] , terwijl evenmin financiële gegevens in het geding zijn gebracht die betrekking hebben op de laatste periode van de affectieve relatie van de man en de vrouw, ervan uit moet worden gegaan dat de in het jaar 2000 door de man en de vrouw overeengekomen kinderalimentatie van ƒ 350,- per kind per maand (oftewel geïndexeerd naar 2015 € 217,97 per kind per maand), het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen betrof. De man heeft ter zitting in eerste aanleg immers ook verklaard dat het afgesproken bedrag slechts een deel van de kosten betrof en dat de man en de vrouw een verdeling van de kosten hadden afgesproken van 50%. Naar het oordeel van het hof moet er daarom vanuit worden gegaan dat voormeld bedrag van ƒ 350,- per kind per maand de helft van de behoefte van de kinderen betrof en dat hun totale behoefte ƒ 700,- per kind per maand bedroeg, oftewel - geïndexeerd naar 2015 - € 435,94 per kind per maand. Het hof gaat er vanuit dat de behoefte van [de jongmeerderjarige] ook na het bereiken van de (jong)meerderjarige leeftijd nog altijd ten minste € 435,94 per maand bedraagt, nu dit bedrag ook in lijn ligt dan wel niet hoger is dan de bedragen aan studiefinanciering voor een thuiswonende student.

4.22

Op de behoefte van [de minderjarige] wordt ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) niet langer het ontvangen kindgebonden budget in mindering gebracht.

4.23

Voor zover de man zich op het standpunt heeft gesteld dat rekening dient te worden gehouden met eigen inkomsten van [de minderjarige] , is het hof - daargelaten dat niet gebleken is dat [de minderjarige] eigen inkomsten heeft - van oordeel dat daarvoor geen aanleiding bestaat. [de minderjarige] is immers nog minderjarig, zodat voor hem - ongeacht zijn behoeftigheid - een onderhoudsplicht bestaat.

4.24

De behoefte van [de jongmeerderjarige] dient nog te worden verminderd met de basisbeurs die zij ontvangt van € 81,02 per maand.

4.25

De man heeft zich in eerste aanleg voorts op het standpunt gesteld dat [de jongmeerderjarige] eigen inkomsten, waarvan hij stelt dat deze ongeveer € 200,- netto per maand bedragen, op haar behoefte in mindering dienen te strekken.

4.26

Het hof overweegt dat de man ingevolge het bepaalde in artikel 1:392 lid 2 BW ook ten aanzien van [de jongmeerderjarige] een onderhoudsplicht heeft die niet slechts geldt bij behoeftigheid. Wel kan op grond van de redelijkheid en billijkheid rekening worden gehouden met eigen inkomsten van [de jongmeerderjarige] .

4.27

Het hof acht het gelet op de omvang van [de jongmeerderjarige] eigen inkomsten redelijk om rekening te houden met de helft hiervan als behoefteverlagend; de andere helft beschouwt het hof als vrij te laten "zakgeld". De door de man gestelde hoogte van [de jongmeerderjarige] inkomsten correspondeert met de meest recente jaaropgave over het jaar 2013. Het hof zal derhalve een bedrag van
€ 100,- in mindering doen strekken op [de jongmeerderjarige] behoefte.

4.28

Met de door [de jongmeerderjarige] ontvangen zorgtoeslag van € 942,- per jaar houdt het hof geen rekening, nu haar premie ziektekostenverzekering van € 1.280,- per jaar de ontvangen zorgtoeslag overstijgt en deze premie geen deel uitmaakt van haar berekende behoefte, die immers op haar situatie als minderjarige is gebaseerd.

4.29

Op grond van het vorenstaande bedraagt de behoefte van [de minderjarige] € 435,94 per maand en bedraagt de behoefte van [de jongmeerderjarige] € 254,92 per maand.
Het aandeel van de man in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige]

4.30

Het hof dient thans te beoordelen in welke verhouding de man en de vrouw in de periode van 1 januari 2015 tot 20 maart 2015 en in de periode vanaf 20 mei 2015 dienen bij te dragen in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige] .


* De periode van 1 januari 2015 tot 20 maart 2015

4.31

In de periode van 1 januari 2015 tot 20 maart 2015 bedraagt de totale draagkracht van de man en de vrouw € 1.025,65 per maand. Niet in geschil is immers dat de draagkracht van de vrouw in deze periode € 690,- per maand bedraagt, terwijl de draagkracht van de man, zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 4.10, € 335,65 per maand bedraagt.

4.32

Het hof zal het aandeel van de man in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

4.33

Het aandeel van de man in de resterende behoefte van [de jongmeerderjarige] bedraagt € 83,42,- per maand (€ 335,65,- / € 1.025,65,- x € 254,92,-).

4.34

Het door de rechtbank voor [de jongmeerderjarige] in deze periode vastgestelde bedrag van € 72,- per maand vormt echter de bovengrens van de op te leggen bijdrage. Het hof zal de beschikking van 20 mei 2015 derhalve in zoverre bekrachtigen.

4.35

Het aandeel van de man in de resterende behoefte van [de minderjarige] bedraagt € 142,66 per maand (€ 335,65,- / € 1.025,65,- x € 435,94).

4.36

Het door de rechtbank voor [de minderjarige] in deze periode vastgestelde bedrag van € 18,- per maand vormt echter de bovengrens van de op te leggen bijdrage. Het hof zal de beschikking van 20 mei 2015 derhalve in zoverre bekrachtigen.
* De periode vanaf 20 mei 2015

4.37

In de periode vanaf 20 mei 2015 bedraagt de totale draagkracht van de man en de vrouw € 757,- per maand. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw in deze periode € 690,- per maand bedraagt, terwijl de draagkracht van de man, zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 4.17 € 67,- per maand bedraagt.

4.38

Het hof zal het aandeel van de man in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

4.39

Het aandeel van de man in de resterende behoefte van [de jongmeerderjarige] bedraagt € 22,56 per maand (€ 67,- / € 757,- x € 254,92,-). De rechtbank heeft ten aanzien van deze periode voor [de jongmeerderjarige] een bijdrage van € 31,- per maand vastgesteld. Het hof zal de beschikking van 20 mei 2015 daarom vernietigen voor zover het de voor [de jongmeerderjarige] vanaf 20 mei 2015 vastgestelde onderhoudsbijdrage betreft en bepalen dat de man vanaf 20 mei 2015 dient bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud en studie met een bedrag van € 22,56 per maand.

4.40

Het aandeel van de man in de resterende behoefte van [de minderjarige] bedraagt € 38,58 per maand (€ 67,- / € 757,- x € 435,94)

4.41

Het door de rechtbank voor [de minderjarige] in deze periode vastgestelde bedrag van € 8,- per maand vormt echter de bovengrens van de op te leggen bijdrage. Het hof zal de beschikking van 20 mei 2015 derhalve in zoverre bekrachtigen.
De slotsom

4.42

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking van de rechtbank van 18 maart 2015 bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. De beschikking van de rechtbank van 20 mei 2015 zal het hof vernietigen voor zover het de voor [de jongmeerderjarige] vanaf 20 mei 2015 vastgestelde onderhoudsbijdrage betreft en bepalen dat de man met ingang van 20 mei 2015 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] met een bedrag van € 22,56 per maand. Voor het overige zal het hof de beschikking van de rechtbank van 20 mei 2015 bekrachtigen.
De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 maart 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 mei 2015, voor zover het betreft de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] , geboren te [B] [in] 1996 in de periode vanaf 20 mei 2015, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man vanaf 20 mei 2015 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] met een bedrag van € 22,56 per maand, telkens bij vooruitbetaling aan haar te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 mei 2015 voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G.M. van der Meer en mr. M.P. den Hollander en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 november 2015 in bijzijn van de griffier.