Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9115

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
200.172.646/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2015:4209. Ook tweede appel tegen tussenvonnis wordtniet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het tussenvonnis mede een provisioneel karakter draagt omdat het is gebaseerd op een als provisioneel bestempeld verzoek, is dat onvoldoende om het appelverbod tegen tussenvonnissen te doorbreken. Hof verwijst naar Hoge Raad 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010: BK1639 waarbij is overwogen dat de uitzondering op dat verbod die in art. 337 lid 1 en art. 401a lid 1 Rv wordt gemaakt voor uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, aldus moet worden opgevat dat daaronder niet vallen beslissingen die de rechter geeft in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak. De beslissing van de rechtbank om het bewijsbeslag – dat nog rust op kopieën uit de administratie - thans niet op te heffen is naar het oordeel van het of in genoemd kader gegeven, waarbij het voorts verwijst naar HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264 aangaande het tussenvonnis-karakter van beslissingen die gebaseerd zijn op artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.172.646/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/76584 / HA ZA 09-902)

Arrest van 1 december 2015

in de zaak van

1 Henisol Insulation B.V.,

gevestigd te Emmen,

hierna: Henisol,

2. [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

tevens eisers in het incident,

hierna gezamenlijk te noemen: Henisol c.s.,

advocaat: mr. E.P. Cornel, kantoorhoudend te Enschede,

tegen

Brand Energy & Infrastructure Services, voorheen genaamd

Harsco Infrastructure Industrial Services B.V.,

gevestigd te IJmuiden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

tevens verweerster in het incident,

hierna: Harsco,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het procesverloop in voorgaande instanties

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 14 juli 2010 van de toenmalige rechtbank Assen - waartegen eerder tussentijds hoger beroep is ingesteld dat heeft geleid tot de arresten van het toenmalige hof Leeuwarden van 8 maart 2011 en 26 juni 2012 - en van 25 maart 2015 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. Tegen dit laatstgenoemd vonnis is hoger beroep ingesteld dat heeft geleid tot het arrest van dit hof van 9 juni 2015, zaaknummer 200.169.244.

Daarna heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen op 1 juni 2015 een vonnis gewezen waarbij zij heeft geweigerd hoger beroep open te stellen tegen het vonnis van 25 maart 2015; op 22 juni 2015 heeft dezelfde rechtbank een aanvullend vonnis gewezen waarin het verzoek tot verbetering/aanvulling van het vonnis van 25 maart 2015 heeft afgewezen en heeft overwogen dat het vonnis van 25 maart 2015 betrekking heeft op de incidentele vorderingen, voor zover deze als provisioneel ex artikel 223 Rv en voor zover deze als "gewoon" incidentele vorderingen zijn ingesteld.

Ten slotte heeft deze rechtbank op 1 juli 2015 een nader inhoudelijk vonnis gewezen, waarbij het pleidooiverzoek vooreerst is afgewezen en een comparitie van partijen is gelast. Deze heeft doorgang gevonden op 7 september 2015

2 Dit geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van deze appelprocedure is als volgt:

- de nieuwe dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 juni 2015;

- de brief van de rolraadsheer d.d. 10 juli 2015;

- de akte van Henisol c.s. d.d. 8 september 2015;

- de antwoordakte zijdens Harsco d.d. 20 oktober 2015.

2.2

Op de rol van 3 november 2015 hebben partijen om een beslissing verzocht.

3 Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.1

Het tweede appel tegen het vonnis van 25 maart 2015 is ingesteld binnen de appeltermijn. Nu 's hofs arrest van 9 juni 2015 geen inhoudelijk beoordeling bevatte van het hoger beroep, ziet het hof in het feit dat ten tweeden male appel is ingesteld als zodanig geen beletsel voor de ontvankelijkheid daarvan.

3.2

De kernvraag blijft evenwel of het beroepen vonnis mede een provisioneel vonnis betreft, en als dat het geval is, of dan - gelijk Henisol c.s. menen - het hele vonnis, ondanks de uitdrukkelijke weigering van de rechtbank om tussentijds appel open te stellen - bij wege van interimappel aan het oordeel van het hof kan worden voorgelegd. Henisol c.s. baseren hun mening op artikel 223 Rv in samenhang met artikel 337 Rv, eerste lid, daarbij stellende dat aangezien zij een provisionele vordering hebben ingesteld, om die reden alleen al de beslissing daarop een provisioneel vonnis is. Voorts hebben zij verwezen naar de literatuur over een conservatoir beslag, waaruit volgt dat de opheffing van een zodanig beslag bij provisionele eis kan worden gevorderd.

3.3

Het hof overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 337, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tussentijds hoger beroep van een tussenvonnis, niet zijnde een provisioneel vonnis, is uitgesloten, tenzij de rechter die de uitspraak heeft gedaan anders heeft bepaald. Deze regel strekt ertoe fragmentatie van de instructie van de zaak, vertraging en processuele complicaties, een en ander als gevolg van tussentijdse beroepen, tegen te gaan en aldus de doelmatigheid en snelheid van de procedure te bevorderen. Het hiervoor weergegeven standpunt van Henisol c.s. dat allesbepalend is de bedoeling van de partij die om een provisionele voorziening vraagt, is in strijd met deze regel en niet in overeenstemming met de jurisprudentie. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010: BK1639 overwogen dat de uitzondering die in art. 337 lid 1 en art. 401a lid 1 Rv wordt gemaakt voor uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, aldus moet worden opgevat dat daaronder niet vallen beslissingen die de rechter geeft in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak.

3.4

Naar 's hofs oordeel heeft het tussenvonnis waar het hier om gaat onmiskenbaar de bedoeling om de voortgang van de zaak in eerste aanleg te instrueren, waarbij de rechtbank expliciet heeft geweigerd tussentijds appel open te stellen. Het gelegde bewijsbeslag berust niet enkel op artikel 730 Rv, doch ook op artikel 843a Rv (vgl. HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264 overwogen dat laatstgenoemde bepaling in het algemeen een zelfstandige grondslag biedt voor een vordering van degene die daarbij een rechtmatig belang heeft, welke vordering kan worden gedaan in een afzonderlijke procedure of (als incidentele vordering) in een lopende procedure en met uiteenlopende oogmerken, zoals het verkrijgen van informatie in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of met het oog op het voeren van of de bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure. Echter, indien de op art. 843a Rv gebaseerde vordering wordt ingesteld in een lopende procedure met het oog op de instructie van de zaak (zoals in het onderhavige geval, gelet op de onmiskenbaar nauwe samenhang met de vordering van Harsco in de hoofdzaak) - ongeacht of dat gebeurt bij dagvaarding of conclusie - en de rechter daarop beslist in een afzonderlijk vonnis, dan moet dit, naar de Hoge Raad aldaar voorts heeft overwogen, worden beschouwd als een tussenvonnis waarop het bepaalde in art. 337 lid 2 Rv. van toepassing is en niet als een eindvonnis waarmee in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding. Onder het gevorderde in deze zin is immers te verstaan de rechtsvordering die inzet van het geding is en daartoe behoren niet op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebbende vorderingen, zoals is beslist in het eerdergenoemde arrest van 22 januari 2010.

Henisol c.s. hebben dit miskend in hun akte (randnummer 19).

3.5

De jurisprudentie over de opheffing van een "gewoon", fysiek, conservatoir beslag is niet zonder meer van toepassing op het bewijsbeslag. Het hof brengt in herinnering dat het bewijsbeslag in deze zaak nog slechts rust op kopieën uit de administratie van Henisol en dat Henisol c.s. van dit bewijsbeslag als zodanig geen last hebben. Uit de akte van Henisol c.s. blijkt ook (randnummer 25) dat het belang van Henisol c.s. vooral daarin gelegen is dat zij een eventuele beslissing van de rechtbank om inzage te verschaffen, door het hof getoetst wenst te zien en dat zij bevreesd is dat een uitvoerbaarverklaring bij voorraad daaraan in de weg zal staan.

3.6

Het hof is van oordeel dat die vrees van Henisol c.s. niet maakt dat het vonnis waarvan beroep niet ziet op de voortgang en de instructie van de zaak. Het is ook maar de vraag of die vrees bewaarheid wordt. Dit alles leidt er toe dat het hof van oordeel is dat Henisol c.s. ook ditmaal niet in hun appel kunnen worden ontvangen.

3.7

Het hof hecht er wel aan erop te wijzen dat het verlof tot het leggen van bewijsbeslag en de vordering tot inzage in de in beslaggenomen bescheiden afzonderlijke beslissingen zijn, waartoe het hof verwijst naar overweging 3.9.8. van het arrest van de Hoge Raad 13 september 2013, genoemd in rechtsoverweging 3.4. Uit de akten van partijen krijgt het hof het beeld dat Harsco in hoge mate inzage heeft gehad in de onder het beslag vallende stukken, wat zich hier niet mee verdraagt, terwijl niet helder is of Henisol c.s. weten welke stukken thans nog exact onder het bewijsbeslag liggen. Dat laatste is noodzakelijk voor een juiste beoordeling van de inzagevordering, waartoe het hof ook verwijst naar zijn arrest van 16 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9849.

Dat de rechtbank onder deze omstandigheden - waarbij het hof ook de ongebruikelijke wijze van beslaglegging memoreert - de inzagevordering van Harco ongeclausuleerd, uitvoerbaar bij voorraad en zonder mogelijkheid van tussentijds appel zal toewijzen, acht het hof niet voor de hand liggend.

De slotsom

3.8

Het hof zal het appel, zoals ingesteld bij dagvaarding van 24 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaren en Henisol c.s. in de daarop vallende kosten aan de zijde van Harsco veroordelen, te begroten op het aan Harsco in rekening gebrachte griffierecht en 0,5 punt naar tarief II voor salaris.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart Henisol c.s. niet-ontvankelijk in hun appel als ingesteld bij dagvaarding van 24 juni 2015;

veroordeelt Henisol c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Harsco vastgesteld op € 447, -voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 711,- voor verschotten;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. M.E.L. Fikkers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

dinsdag 1 december 2015.