Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9106

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
200.175.260
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot benoeming bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.175.260

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 379592)

beschikking van de familiekamer van 1 december 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Nidos,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbenden],

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 mei 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 12, ingekomen op 7 augustus 2015;

- het verweerschrift van de GI, betreffende na te noemen [kind 1], met producties 1 tot en met 12, ingekomen op 5 oktober 2015;

- het verweerschrift van de GI, betreffende na te noemen [kind 2], met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 5 oktober 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 29 oktober 2015 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat en door [tolk], tolk in de Poolse taal. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [A] verschenen. Namens de GI is verschenen [B], voogd van [kind 1]. Tevens is mevrouw [pleegmoeder] verschenen. [C], voogd van [kind 2], is niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de moeder zijn geboren:

- [kind 1], verder te noemen: [kind 1], op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (Polen), en

- [kind 2], verder te noemen: [kind 2], op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

gezamenlijk verder ook te noemen: de kinderen.

3.2

Bij beschikking van 17 juni 2004 van de kinderrechter in de rechtbank Breda zijn [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstellingen van [kind 1] en [kind 2] zijn nadien steeds verlengd.

3.3

Bij voormelde beschikking van 17 juni 2004 is aan de GI machtiging verleend [kind 1] uit huis te plaatsen in een voorziening voor verzorging en opvoeding met ingang van 17 juni 2004 tot 17 juni 2005, welke machtiging tot uithuisplaatsing nadien steeds is verlengd.

3.4

In augustus 2004 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] verleend, welke machtiging tot uithuisplaatsing nadien jaarlijks is verlengd.

3.5

Bij beschikking van 16 juni 2009 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de moeder ontheven van het gezag over [kind 2] en is de GI tot voogd benoemd.

3.6

Bij beschikking van 8 december 2009 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de moeder vanaf 9 december 2009 ontheven van het gezag over [kind 1] en is de GI tot voogd benoemd.

3.7

[kind 1] verblijft sinds 3 september 2013 op zorgboerderij [zorgboederij]. Daarvoor heeft [kind 1] in verschillende leef/behandelgroepen en in pleeggezinnen verbleven.

3.8

In augustus 2004 is [kind 2] in een crisispleeggezin geplaatst. Sinds juli 2005 verblijft [kind 2] in het huidige pleeggezin.

3.9

In de beschikking van 22 mei 2015 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot beëindiging van de machtigingen tot uithuisplaatsing. De kinderrechter heeft de verzoeken van de moeder tot herstel van het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] en tot benoeming van een bijzondere curator afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

22 mei 2015. De grieven I en II zien op het gezag over de kinderen en de uithuisplaatsing van de kinderen. Grief III ziet op de benoeming van een bijzondere curator.

De moeder verzoekt het hof, voor zover hier van belang (zie hierna onder 4.3), de bestreden beschikking te vernietigen en (het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, alsnog haar verzoek om een bijzondere curator voor de kinderen te benoemen toe te wijzen.

4.2

De GI heeft verweer gevoerd. Het hof begrijpt dat de GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.3

Het hof heeft beslist dat de zaak met betrekking tot het gezag en de uithuisplaatsing (zaaknummer rechtbank: 379577 en zaaknummer hof: 200.175.259) tot een nog nader te bepalen tijdstip zal worden aangehouden, in afwachting van de beschikking in de zaak met betrekking tot de benoeming van een bijzondere curator voor de kinderen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In deze zaak is aan de orde het verzoek van de moeder om een bijzondere curator voor de kinderen te benoemen.

5.2

Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter, wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of de voogd in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen, indien de rechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen.

Bij de beantwoording van de vraag of de benoeming van een bijzondere curator is aangewezen, zal het belang van de minderjarige de eerste overweging voor de rechter moeten vormen. De benoeming van een bijzondere curator dient echter niet plaats te vinden met als doel in het algemeen de belangen van de minderjarige te beschermen. De rechter heeft bij beantwoording van die vraag een grote mate van beoordelingsvrijheid (Hoge Raad 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3968).

5.3

De moeder stelt in haar grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen conflict is tussen de GI en de kinderen. De moeder is van mening dat de GI druk uitoefent op de kinderen om zich tegen haar te keren. De kinderen worden gedemotiveerd om contact met de moeder op te nemen. De moeder gelooft niet dat [kind 1] heeft gezegd dat zij (in elk geval de komende tijd) geen contact meer met haar wil hebben. De moeder vindt het vreemd dat [kind 1] geen contact met haar heeft, terwijl zij het altijd naar haar zin had bij haar, wel weer regelmatig contact heeft met haar voormalige pleegouders en [kind 1] destijds tijdens een evaluatie heeft aangegeven dat zij zich minder boos voelde dan toen zij in het pleeggezin woonde. De moeder stelt dat [kind 1] haar heeft laten weten dat zij de GI niet vertrouwt en dat zij meer omgang wil hebben met haar om uiteindelijk bij haar te komen wonen. Van de één op de andere dag is er echter geen contact meer mogelijk tussen haar en [kind 1]. De moeder is van mening dat een bijzondere curator moet worden benoemd om te achterhalen of de kinderen inderdaad een conflict hebben met de GI en zij nu onder dwang geen contact met haar mogen opnemen. De kinderen hebben geen band met en er is geen sprake van loyaliteit van de kinderen naar de pleegouders of begeleiders van instellingen. De kinderen zijn te allen tijde beter af bij hun moeder, omdat de uithuisplaatsing zonder gegronde reden heeft plaatsgevonden. De moeder heeft [kind 2] al vier jaar niet gezien, omdat dit slechts onder begeleiding kan plaatsvinden en zij dat niet wil. De moeder heeft jaren op het kantoor van de GI begeleide omgang gehad, maar zij voelt zich in deze setting niet prettig en kan hierdoor niet vrij met [kind 2] spreken. Begeleide omgang door Time-Out is voor de moeder onacceptabel, omdat zij door Time-Out onheus is bejegend. De moeder wordt hier weer door de GI buiten spel gezet. De moeder is bang dat [kind 2] onder invloed van de GI slechte gedachtes over haar heeft. De benoeming van een bijzondere curator is de enige mogelijkheid om duidelijkheid te krijgen over de situatie waarin de kinderen zich op dit moment bevinden.

5.4

De GI heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder.

5.5

De raad heeft geadviseerd om het verzoek van de moeder af te wijzen.

5.6

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een conflict tussen de GI en de kinderen. De moeder heeft een conflict met de GI. Het hof gaat ervan uit dat zowel de moeder als de GI het belang van de kinderen voor ogen heeft. Het feit dat de GI over bepaalde onderwerpen aangaande de kinderen, zoals het verzoek van de moeder ten aanzien van het gezag, een andere mening heeft dan de moeder, is niet aan te merken als een geschil tussen de kinderen en de voogd en een belangenstrijd tussen de voogd en de kinderen, die benoeming van een bijzondere curator noodzakelijk maakt. Nu de moeder niet met het gezag over de kinderen is belast is reeds daarom geen sprake van een strijd tussen de belangen van de met het gezag belaste ouder en de belangen van de kinderen.

5.7

Bovendien bestaat naar het oordeel van het hof in dit geval niet het gevaar, dat het belang van de kinderen in de procedure over het gezag niet of onvoldoende voor het voetlicht wordt gebracht en de stem van de kinderen niet wordt gehoord. De kinderen staan onder toezicht van de GI. Van de GI mag worden verwacht dat zij zich in de procedure over het gezag richt naar de belangen van de kinderen en die belangen naar voren brengt. Daarbij komt dat de raad ook in de procedure met betrekking tot het gezag en de uithuisplaatsing in hoger beroep om advies zal worden gevraagd over hetgeen in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Ten slotte hebben de kinderen in die procedure ook de gelegenheid gekregen om hun mening te geven.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 mei 2015, wat betreft de afwijzing van het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Feunekes en K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. A.B. de Wit als griffier, en is op 1 december 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.