Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9090

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
200.166.383
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot toekenning van een som ineens aan een minderjarig kind van erflater ten laste van de nalatenschap door de wettelijk vertegenwoordiger (moeder).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 35
Burgerlijk Wetboek Boek 4 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0359
ERF-Updates.nl 2015-0370
RN 2016/15
FJR 2016/30.10
JIN 2016/10 met annotatie van L. de Roode
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.166.383

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, kantonrechter, 3105455)

beschikking van de familiekamer van 1 december 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [verzoekster],

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2002,
verder te noemen: [minderjarige],

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. M.H.C. Morshuis te Den Haag,

en

[verweerder 1] ,

wonende te [woonplaats],

en

de erven van [verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

en

[verweerder 3] ,

wonende te [woonplaats],

en

[verweerder 4] ,

wonende te [woonplaats],

in zijn hoedanigheid van testamentair bewindvoerder van [minderjarige]

en in zijn hoedanigheid van executeur in de na te melden nalatenschap,

verder te noemen: de bewindvoerder/executeur,

allen tezamen aangeduid als verweerders in hoger beroep dan wel de erfgenamen van erflater,

advocaat: mr. I.J. Pieters te Leiden.

Het verzoek betreft de nalatenschap van:

[overledene] , geboren te [plaats 1] op [geboortedatum] 1943 en overleden te [plaats 2] op [sterfdag] 2013, hierna te noemen erflater.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 december 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 4 maart 2015;

- het verweerschrift met productie, ingekomen op 29 april 2015;

- een journaalbericht van mr. Morshuis van 27 augustus 2015 met producties 5 tot en met 15, ingekomen op 28 augustus 2015;

- een journaalbericht van mr. Morshuis van 28 augustus 2015 met producties 16 en 17, ingekomen op 31 augustus 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 september 2015 plaatsgevonden. Verschenen is [verzoekster], bijgestaan door haar advocaat. Tevens zijn verschenen de bewindvoerder/executeur en de advocaat van verweerders in hoger beroep.

2.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] met instemming van de wederpartij een afschrift van een inkomstenoverzicht over de jaren 2007 tot en met 2014 in het geding gebracht.

3 De vaststaande feiten

3.1

Erflater is op [sterfdag] 2013 overleden met achterlating van vier kinderen. Het gaat om de drie meerderjarige kinderen [verweerder 1], [verweerder 2] (overleden) en [verweerder 3], alsmede de hiervoor genoemde minderjarige [minderjarige]. [minderjarige] is geboren uit de relatie van erflater met [verzoekster]. Erflater heeft [minderjarige] erkend en [verzoekster] en hij hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitgeoefend.

3.2

Bij testament van 8 mei 2013 heeft erflater zijn vier kinderen tezamen en voor gelijke delen benoemd tot zijn enige erfgenamen.

3.3

Erflater heeft in zijn testament onder meer bepaald dat alle verkrijgingen van [minderjarige] uit de nalatenschap onder bewind worden gesteld zolang zij de 21-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt. Ook heeft erflater bepaald dat de verkrijgingen van [minderjarige] te gelde dienen te worden gemaakt en dat haar erfdeel op een spaarrekening dient te worden gezet, met aantekening van bewind. In dat kader is een bedrag van € 11.372,75 door de bewindvoerder/executeur op een geblokkeerde bankrekening met BEM-clausule geplaatst.

3.4

Erflater heeft in zijn testament de wens geuit dat het onder bewind gestelde kapitaal zoveel mogelijk in stand blijft en pas aan [minderjarige] wordt uitgekeerd nadat het bewind is geëindigd.

3.5

Erflater heeft in zijn testament voorts bepaald dat het ouderlijk vruchtgenot zal zijn uitgesloten ten aanzien van hetgeen [minderjarige] uit zijn nalatenschap zal verkrijgen.

3.6

[verweerder 4] voornoemd is tot (testamentair) bewindvoerder benoemd en is ook executeur in de nalatenschap.

3.7

Nadat de affectieve relatie in 2008 tussen [verzoekster] en erflater was geëindigd, heeft erflater tot aan zijn overlijden een bedrag van € 250,- per maand betaald aan [verzoekster] ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie). De bijdrage is derhalve tot en met mei 2013 voldaan.

3.8

[minderjarige] ontvangt een wezenpensioenuitkering van Ahold Pensioenfonds, deze bedroeg in 2014 € 398,27 (bruto) per jaar, alsmede een wezenpensioenuitkering van Nationale Nederlanden van € 231,51 (bruto) per jaar en van € 1.015,71 bruto per jaar. Deze uitkeringen worden aangemerkt als loon in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001. (Vanwege een wetswijziging ter zake van de Algemene nabestaandenuitkering is de halfwezenuitkering per 1 juli 2013 vervallen.)

3.9

[verzoekster] heeft namens [minderjarige] de aanspraak op de som ineens kenbaar gemaakt aan verweerders in hoger beroep bij brief van 20 februari 2014. Deze brief heeft zij door een deurwaarder laten betekenen op het adres van verweerders in hoger beroep.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is het verzoek van [verzoekster] haar in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] een som ineens toe te kennen ten laste van de erfgenamen van erflater. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking dit verzoek afgewezen.

4.2

[verzoekster] is met tien grieven in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking van 5 december 2014. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

[verzoekster] verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de som ineens is afgewezen en

  • -

    aan [verzoekster] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] ten laste van de erfgenamen van erflater toe te kennen een som ineens ter hoogte van € 29.410,50, althans ter hoogte van € 23.985,50, althans een bedrag als het hof juist acht,

  • -

    verweerders in hoger beroep hoofdelijk te veroordelen aan [verzoekster] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] te voldoen een bedrag van € 29.410,50, althans van € 29.000,-, althans van € 23.985,50, althans een bedrag als het hof juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van de in deze te geven beschikking,

  • -

    verweerders in hoger beroep te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.3

Verweerders in hoger beroep verzoeken het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verzoekster] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking van de kantonrechter te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 4:35 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een kind van de erflater, een kind als bedoeld in artikel 1:394 daaronder begrepen, aanspraak maken op een som ineens, voor zover deze nodig is voor:

a. zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaren; en

voorts voor:

b. zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van eenentwintig jaren. Op grond van artikel 4:35 lid 2 BW komt het kind de som ter zake van de verzorging en opvoeding niet toe, voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de erflater krachtens wet of overeenkomst is gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. Ingevolge hetzelfde lid 2 komt het kind de som ter zake van levensonderhoud en studie niet toe, voor zover de echtgenoot van de erflater krachtens artikel 1:395a BW verplicht is om in de kosten daarvan te voorzien.

Artikel 4:35 lid 3 BW bepaalt dat op de som ineens in mindering komt hetgeen de rechthebbende had kunnen verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt.

Artikel 4:37 lid 1 BW bepaalt onder meer dat degene die krachtens de artikelen 4:35 en 4:36 BW aanspraak maakt op een som ineens, een vordering heeft op de gezamenlijke erfgenamen.

Artikel 4:37 lid 4 BW bepaalt dat de som ineens niet hoger kan zijn dan de helft van de waarde van de nalatenschap.

Artikel 4:37 lid 5 BW bepaalt dat de voldoening van de sommen ineens ten laste komt van het gedeelte der nalatenschap waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens, zo dit onvoldoende is, van de makingen.

5.2

[verzoekster] voert in haar grieven aan dat de som ineens als verlengstuk moet worden gezien van de aanspraak die een kind jegens zijn vader heeft tijdens leven. Hierop kan aanspraak worden gemaakt ongeacht het bestaan van een onderhoudsplichtige ouder die in staat is om (deels) in dat onderhoud te voorzien. Bovendien wordt in artikel 4:35 lid 2 BW expliciet verwezen naar een echtgenoot of erfgenaam en dat is zij niet.

Bij het bepalen van de omvang van de som ineens ten behoeve van [minderjarige] moet in ogenschouw worden genomen welk bedrag erflater zou hebben bijgedragen als hij niet was overleden en dat [verzoekster] onvoldoende draagkracht heeft om zelf in de behoefte van [minderjarige] te kunnen voorzien. Voor het bepalen van de hoogte van de behoefte van [minderjarige] moeten de uitgangspunten van de Expertgroep Alimentatienormen worden gevolgd. Op grond van het voormalig netto gezinsinkomen in 2008 bedroeg de behoefte van [minderjarige] in 2008 dan € 780,- per maand. Met betrekking tot haar draagkracht om zelf in deze behoefte te kunnen voorzien, voert [verzoekster] aan dat haar inkomsten vanaf 2008 sterk zijn verminderd. Ter zitting heeft zij een overzicht overgelegd van het verloop van haar inkomsten. Blijkens dit overzicht is haar verzamelinkomen van € 31.017,- in 2008 verminderd tot € 14.142,- in 2013. Op dit moment zijn haar inkomsten nog lager. Zij is niet in staat, dan wel heeft geen mogelijkheden om meer inkomsten te verwerven. Zij is gedeeltelijk afgekeurd en komt mogelijk niet meer in aanmerking voor de WIA-uitkering. Dan zal zij een vervolguitkering met een toeslag tot bijstandsniveau moeten aanvragen. Zij ontvangt sedert 2015 een kindgebonden budget (KGB) van € 350,- per maand. Dit KGB dient als inkomen in aanmerking te worden genomen. Ondanks dat zij dit KGB ontvangt, is de som ineens nog steeds nodig om te kunnen voorzien in de behoefte van [minderjarige] totdat zij 21 jaar wordt. De omvang van het vermogen van [verzoekster] dient geen rol te spelen bij de vraag in hoeverre zij zelf kan voorzien in de behoefte van [minderjarige]. Zij heeft een pensioenvoorziening, maar daarop heeft zij de afgelopen twee jaar al moeten interen.

Met betrekking tot de waarde van de nalatenschap voert zij aan dat die waarde minimaal € 58.821,- bedraagt.

5.3

Verweerders in hoger beroep voeren aan dat moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval. Erflater en [verzoekster] zijn destijds een kinderalimentatiebijdrage van € 250,- per maand overeengekomen. Wanneer [minderjarige] aan een vervolgstudie zou beginnen, zouden zij over de daarmee gepaard gaande kosten weer met elkaar overleggen. Op grond van deze afspraak moet het er voor worden gehouden dat [verzoekster] met de alimentatiebijdrage van € 250,- per maand in staat was om de kosten van [minderjarige] te kunnen voldoen. Voorts dient volgens hen acht te worden geslagen op de omstandigheden van het gezin van de overlevende ouder en dient te worden bekeken of de overlevende ouder in staat is tot voldoende onderhoud van het kind. Daartoe moet de financiële situatie van de overlevende ouder worden onderzocht. Onder het begrip ‘echtgenoot’ in artikel 4:35 lid 2 BW moet ook de gewezen echtgenoot worden verstaan. Gewicht moet worden toegekend aan de woorden ‘voor zover nodig’ in artikel 4:35 lid 1 BW. Daaruit volgt dat, nu [verzoekster] gehouden is om in de kosten van [minderjarige] te voorzien en de hoogte van het KGB dat [verzoekster] thans ontvangt hoger is dan de bijdrage die erflater voorheen voldeed, [minderjarige] geen recht heeft op een som ineens. [verzoekster] onderbouwt voorts haar stellingen omtrent de behoefte van [minderjarige] en haar draagkracht onvoldoende met financiële bewijsstukken, zo betogen verweerders in hoger beroep.

Zij benadrukken dat [minderjarige] recht heeft op haar erfdeel; alleen is sprake van een uitgesteld recht op betaling. Op hun aanbod om ongeveer de helft van het erfdeel reeds eerder aan [minderjarige] te doen toekomen, wilde [verzoekster] niet ingaan.

Verweerders in hoger beroep betwisten de stellingen van [verzoekster] omtrent de waarde van de nalatenschap. Alle vier erfgenamen hebben uiteindelijk ieder een vierde deel van het saldo van de nalatenschap, ieder een bedrag van € 11.372,-, ontvangen.

5.4

Het hof overweegt als volgt.

De Memorie van antwoord bij de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte (Wijziging van Boek 4), Tweede Kamer, 1992-1993, 17 141, nr. 12, pag. 36, vermeldt met betrekking tot de regeling van de verzorgingssom (artikel 4:35 BW) onder meer:

“Op grond van artikel 1:245 zijn ouders verplicht hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Artikel 1:404 bepaalt dat de ouders verplicht zijn naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding. Tegen deze achtergrond moet de bepaling van artikel 4.2A.2.5 worden gezien.”

5.5

De regeling van artikel 4:35 BW dat een kind van de erflater aanspraak kan maken op een som ineens voor zover deze som nodig is voor, kort gezegd, zijn levensonderhoud tot zijn 21ste levensjaar, moet aldus worden bezien in het licht van de verplichting van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden. Deze verplichting is thans neergelegd in de artikelen 1:247, 1:392, 1:394, 1:404 en 1:395a BW. Volgens de laatste twee artikelen zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, respectievelijk de kosten van levensonderhoud en studie van hun jongmeerderjarige kinderen. Bij het overlijden van een ouder zal de voorziening in deze kosten dienen te worden voortgezet. Deze ouder heeft de verantwoordelijkheid om ook voor de situatie na zijn overlijden adequate voorzieningen te treffen teneinde het levensonderhoud van zijn jonge kind veilig te stellen. Als hij dit heeft verzuimd, wordt hem die verantwoordelijkheid alsnog toegedicht door het toekennen van een som ineens aan het kind. Bij de beoordeling of in een concreet geval aanspraak bestaat op een som ineens en, zo ja, hoe hoog deze dient te zijn, dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. Gelet daarop kan niet worden voorbijgegaan aan de onderhoudsplicht van de overlevende ouder. Dit geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin het kind is opgegroeid in het gezin van de overlevende ouder die met de erflater samenwoonde, en de samenwoning is geëindigd vóór het overlijden van de erflater. Dit is ook redelijk vanuit het perspectief van de (andere) erfgenamen. Het hof volgt [verzoekster] dan ook niet in haar betoog dat aanspraak kan worden gemaakt op een som ineens, ongeacht de vraag of er een overlevende onderhoudsplichtige ouder aanwezig is die in staat is (deels) in het onderhoud van het kind te voorzien. Zij stelt ten onrechte dat haar eigen financiële positie niet ter zake doet.

5.6

Bij de vraag of een som ineens nodig is, en zo ja hoe hoog deze dient te zijn om de kosten van [minderjarige] tot haar 21ste te kunnen voldoen, neemt het hof de navolgende omstandigheden (die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken zijn komen vast te staan) in aanmerking:

- [verzoekster] heeft in de loop van de procedure uiteindelijk voldoende gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de behoefte van [minderjarige] in 2008 op grond van het netto gezinsinkomen en de uitgangspunten van de Expertgroep Alimentatienormen circa € 780,- per maand bedroeg. Wettelijk geïndexeerd naar 2015 is de behoefte € 876,52 per maand.

- [verzoekster] en erflater zijn in 2008 een alimentatiebedrag van € 250,- per maand overeengekomen. [verzoekster] achtte zich in 2008 kennelijk in staat om met haar eigen inkomen en een bijdrage van € 250,- per maand de kosten van [minderjarige] voldoende te kunnen dekken. Met het overlijden van erflater op 24 mei 2013 is een einde gekomen aan de alimentatiebijdrage van € 250,- per maand.

- Niet weersproken is de stelling van [verzoekster] dat haar inkomen in 2008 circa € 33.000,- bruto op jaarbasis bedroeg en dat zij in dat jaar aanspraak had op een bedrag van circa € 2.900,- ter zake kinderkortingen.

- [verzoekster] heeft in deze procedure voldoende nader onderbouwd dat na 2008 tot het overlijden van erflater sprake is geweest van een substantiële vermindering van haar inkomen, bestaande uit de winst uit haar onderneming en haar WIA-uitkering.

- [verzoekster] heeft ondanks de grote terugval in inkomen in de jaren voorafgaand aan het overlijden van erflater op [sterfdag] 2013 er voor gekozen geen verhoging van de bijdrage te verzoeken. Naar haar zeggen om de verstandhouding niet te laten verslechteren. De bijdrage zou derhalve, indien de erflater in leven was gebleven, onveranderd € 250,- per maand hebben bedragen.

- De levensstandaard van [verzoekster] en [minderjarige] moet in de periode voorafgaand aan het overlijden van erflater beduidend lager zijn geweest dan de levensstandaard die zij gewend waren toen zij nog met erflater in gezinsverband leefden.

- Sedert het overlijden van erflater is het inkomen van [verzoekster] - thans 57 jaar oud - verder gedaald naar inmiddels een inkomen op ongeveer bijstandsniveau. Er bestaat geen concreet uitzicht op verbetering van haar financiële positie binnen afzienbare tijd.

- In 2013 en 2014 heeft [verzoekster] ter zake kinderkortingen een bedrag van circa € 250,- per maand ontvangen en geen KGB.

- Sedert 2015 heeft [verzoekster] aanspraak op een totaal KGB van € 350,- per maand, hetgeen haar draagkracht positief beïnvloedt.

- Sedert het overlijden van erflater ontvangt [minderjarige] (de tot 1 juli 2013 ontvangen halfwezenuitkering weggedacht) van twee instanties wezenpensioenuitkeringen. Niet weersproken is de stelling van [verzoekster] dat de uitkeringen van Nationale Nederlanden tesamen € 60,84 netto per maand bedragen en dat de uitkering van Ahold Pensioenfonds € 19,25 netto per maand bedraagt.

- Te verwachten is dat de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] ten opzichte van haar huidige kosten zullen toenemen naarmate zij ouder wordt. Zij gaat inmiddels naar de middelbare school en zal daarna waarschijnlijk nog een vervolgopleiding gaan volgen tot voorbij de leeftijd van 21 jaar.

- [minderjarige]’s erfdeel, dat ¼ deel van de nalatenschap bedraagt, is onder bewind gesteld tot zij de 21-jarige leeftijd heeft bereikt, en is na het te gelde maken op een geblokkeerde rekening met BEM-clausule geplaatst. Erflater heeft in het testament de wens geuit dat het onder bewind gestelde kapitaal zoveel mogelijk in stand blijft en pas aan [minderjarige] wordt uitgekeerd nadat het bewind is geëindigd. [minderjarige] zal dus in beginsel pas vanaf haar 21ste over haar erfdeel kunnen beschikken.

5.7

Voormelde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en rekening houdend met het uitgangspunt dat een ouder de verantwoordelijkheid heeft om voor de situatie na zijn overlijden zijn kind voldoende verzorgd achter te laten, is het hof van oordeel dat [minderjarige] voor haar verzorging en opvoeding tot haar 18e jaar, en daarna voor haar levensonderhoud en studie tot haar 21ste jaar een som ineens nodig heeft. Gelet op voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, stelt het hof het bedrag dat na het overlijden van erflater nodig is om de kosten van [minderjarige] te kunnen voldoen totdat zij 21 jaar wordt, in redelijkheid vast op € 250,- per maand. Rekening houdend met de wezenpensioenuitkeringen die krachtens artikel 4:35 lid 3 BW in mindering moeten worden gebracht op de som ineens, heeft [minderjarige] naar het oordeel van het hof een resterend bedrag van € 170,- per maand nodig opdat in voldoende mate in haar verzorging en opvoeding, respectievelijk levensonderhoud en studie kan worden voorzien. Aldus stelt het hof het bedrag dat [minderjarige] nodig heeft vanaf het overlijden van erflater totdat zij 21 jaar wordt, vast op in totaal € 19.720,- (9 jaar en 8 maanden een bedrag van € 170,- per maand).

5.8

Artikel 4:37 lid 4 BW bepaalt dat de som ineens niet hoger kan zijn dan de helft van de waarde van de nalatenschap. Partijen verschillen van mening over de hoogte van die waarde. [verzoekster] heeft gesteld dat de waarde van de nalatenschap minimaal € 58.821,- bedraagt. Verweerders in hoger beroep hebben in eerste aanleg toegelicht dat bij de belastingdienst een waarde van € 47.971,- is opgegeven, maar dat daarop in mindering moet worden gebracht een bedrag van € 2.480,08 aan kosten die achteraf moesten worden voldaan. Die kosten betroffen de rekening van de notaris, de IB-aanslag 2013, de rekening van het administratiekantoor en een eenmalige creditcardafschrijving. Daarom bedraagt volgens verweerders in hoger beroep de omvang van de (netto) nalatenschap € 45.491,-.

5.9

Het hof stelt vast dat de som ineens van € 19.720,- die [minderjarige] nodig heeft in elk geval niet hoger is dan de helft van het bedrag van € 45.491,-. Toekenning van deze som ineens is aldus verenigbaar met het bepaalde in artikel 4:37 lid 4 BW. [verzoekster] heeft derhalve geen belang meer bij bespreking van haar grief betreffende de waarde van de nalatenschap.

5.10

Het verzoek van [verzoekster] om verweerders in hoger beroep tot voldoening van een som ineens te veroordelen is tot een bedrag van € 19.720,- toewijsbaar, met dien verstande dat voor de verzochte hoofdelijke veroordeling geen grond bestaat. Het hof zal het verzoek van [verzoekster] daartoe afwijzen. [verzoekster] heeft in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] een vordering op de gezamenlijke erfgenamen, van wie ieder voor een gelijk deel verbonden is (artikel 4:37 lid 1 jo artikel 6:6 lid 1 BW). Daarom dienen zij ieder ten behoeve van de som ineens thans een bedrag van ¼ deel van € 19.720,- te betalen aan [verzoekster] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige]. Dit bedrag dient dus ook door de testamentair bewindvoerder te worden voldaan namens [minderjarige] vanuit de geblokkeerde bankrekening met BEM-clausule. De wettelijke rente zoals gevorderd is toewijsbaar.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven deels. Dit leidt er toe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en zal beslissen als hierna onder 7 vermeld.

6.2

Het hof ziet in het feit dat sprake is van een familierechtelijke aangelegenheid termen aanwezig om de proceskosten te compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 december 2014, en opnieuw beschikkende:

kent aan [verzoekster], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], ten laste van de gezamenlijke erfgenamen van [overledene], een som ineens toe ter hoogte van € 19.720,-;

veroordeelt de gezamenlijke erfgenamen van [overledene] tot betaling van een totaal bedrag van € 19.720,- aan [verzoekster], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, P.M.M. Mostermans en T.M. Blankestijn, bijgestaan door de griffier, en is op 1 december 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.