Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9017

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
24-001770-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plegen van ontucht met minderjarigen, kinderpornografie en het onttrekken van een minderjarige aan de nasporing van politie.

Diverse bewijs- en betrouwbaarheidsverweren worden verworpen. Beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen. Verdachte wordt veroordeeld ter zake van het meermalen plegen van ontucht met zijn kind en een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, alsmede het meermalen vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografie en het onttrekken van een minderjarige aan de nasporing van de ambtenaren van politie tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een aantal bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-001770-12

Uitspraak d.d.: 30 november 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 23 juli 2012 met parketnummer 18-670618-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 25 juli 2013, 30 september 2014, 16 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot strekkende tot vernietiging van het vonnis en veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3B en 4 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Baatenburg de Jong, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank Groningen vrijgesproken ter zake van het onder 3A cumulatief/alternatief tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat verdachte ter zake van dit feit niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu het een cumulatief tenlastegelegd feit betreft. De verdediging heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld, waarbij benadrukt is dat het door de verdediging ingestelde hoger beroep zich niet richt tegen de onder 3A gegeven vrijspraak.

Het hof is in navolging van deze standpunten van oordeel dat voor zover het onbeperkt ingestelde hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 3A cumulatief/ alternatief tenlastegelegde, verdachte daarin op grond van het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet kan worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1
hij in of omstreeks de periode van 9 december 2006 tot en met 8 december 2010 in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, meermalen, met zijn dochter, [slachtoffer 1] ,(geboren op [geb. datum slachtoffer 1] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte

- zich op haar afgetrokken en/of

- haar borsten betast/bevoeld en/of

- zijn tong in haar mond geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in haar mond geduwd/gebracht en/of

- zijn tong in/bij haar vagina geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in/bij haar vagina geduwd/gebracht;


2:
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 augustus 2011 in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, meermalen (telkens) een (aantal) foto('s) en/of een (aantal) video('s) en/of (aantal) film(s) en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en) heeft vervaardigd en/of in bezit gehad,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder meer):

het (laten) aftrekken van de stijve penis van een volwassen man door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het (laten) vasthouden en/of in de mond (laten) nemen van de stijve penis van een volwassen man door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon poseert in (een) (erotisch getinte) houding(en) (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en/of (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling;

van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

terwijl hij bovenvermeld feit heeft begaan tegen zijn kind;


3B:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 april 2011 in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, meermalen, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , (geboren op [geb. datum slachtoffer 2] ), hebbende verdachte

- haar op de mond gekust en/of

- zijn tong in haar mond geduwd/gebracht en/of

- haar borsten betast/bevoeld en/of

- zijn penis in haar vagina geduwd/gebracht;


4:
dat verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 7 januari 2011 in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum slachtoffer 2] ), die onttrokken was of zich onttrokken had aan het over haar gestelde gezag of opzicht van degene die het toezicht over haar uitoefende, verborgen heeft en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of de politie onttrokken heeft, immers heeft hij haar terwijl hij wist dat zij was weggelopen van huis, onderdak verschaft, heeft hij niet aan de politie gemeld waar zij verbleef terwijl hij daarvan wel op de hoogte was omdat ze bij hem was, en heeft hij niet gereageerd op verzoeken van haar ouders hen te laten weten of ze nog leefde.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe diverse verweren gevoerd zoals nader in haar pleitnota omschreven. Die verweren zouden moeten leiden tot de conclusie dat er sprake is van onvoldoende wettig en met name overtuigend bewijs ter zake van het onder 1, 2, 3B en 4 tenlastegelegde. Ter zake van het onder 3B tenlastegelegde heeft de raadsvrouw bij wijze van subsidiair standpunt betoogd dat de verdachte ter zake van het onder 3B tenlastegelegde een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Betrouwbaarheid verklaringen

De raadsvrouw heeft in het bijzonder de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] , [getuige 1] en [slachtoffer 2] – voor zover de laatste betrekking heeft op het onder 1 en 2 tenlastegelegde – betwist.

[slachtoffer 1]

Bij de beoordeling van de verklaringen van [slachtoffer 1] neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking. Ten tijde van het doen van de aangifte was [slachtoffer 1] net 16 jaar oud. De feiten waar zij in haar aangifte – en ook later bij de raadsheer-commissaris – over heeft verklaard zouden hebben plaatsgevonden in een langere tijdspanne. Een tijdspanne die, los van de tenlastegelegde feiten, niet zonder ingrijpende gebeurtenissen voorbij is gegaan, nu [slachtoffer 2] moeder in mei 2008 is overleden. Uit het dossier blijkt dat er nadien rondom het gezin [gezin] , bestaande uit verdachte, [slachtoffer 1] en [getuige 1] , kort gezegd ‘verwaarlozingssignalen’ werden waargenomen, zoals schoolverzuim, een gebrek aan hygiëne en gezonde voeding. [gezinsvoogd] , die in dit kader sinds 24 februari 2010 is opgetreden als gezinsvoogd van de familie [gezin] , heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de hulpverleners rondom het gezin [gezin] de situatie als schrijnend en triest omschreven. Met betrekking tot [slachtoffer 1] heeft hij bij de politie aangegeven dat [slachtoffer 2] IQ normaal is, maar dat zij door haar opvoeding sociaal en emotioneel achterloopt, en ook simpel en eenvoudig in haar bewoordingen kan zijn. In zijn aangifte heeft hij verklaard dat de houding van [slachtoffer 1] als ‘streetwise’ opgevat kan worden. Ook [getuige 2] , moeder in het gezin waar [slachtoffer 1] enige tijd verbleef vlak nadat zij aangifte had gedaan, heeft [slachtoffer 1] beschreven. Zij heeft verklaard dat na enkele maanden ‘de echte [slachtoffer 1] ’ naar boven kwam; een gesloten en emotieloos meisje. Zij verzorgde zichzelf slecht en had geen vriendinnen.

Het hof stelt vast dat voormelde beschrijvingen van [slachtoffer 1] ook te lezen vallen in oudere rapporten en verslagen die zijn opgemaakt in het kader van het voortraject van en de daarop gevolgde jeugdbeschermingsmaatregelen.

Voornoemde beschrijvingen geven het beeld van een enigszins dwars, beschadigd en gesloten meisje, opgegroeid in een situatie die als onwenselijk voor een minderjarige te bestempelen valt. In dit kader lijkt haar als onwelwillende en gesloten aan te merken opstelling tijdens de verhoren bij zowel de politie als de raadsheer-commissaris inherent aan haar aard en achtergrond. Dit volgt ook met uit hetgeen de raadsheer-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot zijn waarnemingen tijdens het verhoor van [slachtoffer 1] als getuige heeft opgenomen. Zijn waarneming van [slachtoffer 1] als persoon en haar reacties op (bepaalde) vragen luidt – voor zover relevant en betrekking hebbende op [slachtoffer 1] – als volgt:

De houding van [slachtoffer 1] omschrijf ik als defensief, onwillig, emotioneel. Tijdens het urendurende verhoor gaf zij meerdere keren aan niet te willen antwoorden. Dat is vaker gebeurd dan ik heb opgenomen in het zakelijke verslag van het verhoor zoals dat blijkt uit het proces-verbaal van verhoor. Telkens ging ik met [slachtoffer 1] in gesprek over haar weigering waarna meestal een antwoord volgde. [slachtoffer 1] was op die momenten emotioneel en ze raakte in zichzelf gekeerd. Dat was voor mij goed waar te nemen aan haar lichaamshouding en gezicht. Zij draaide dan haar lichaam bijna een kwartslag en hield haar hoofd schuin naar beneden waardoor het rechtstreekse contact met mij (iets) werd verbroken. In reactie op detailvragen over het gestelde gebeurde blokkeerde zij. Na uitleg van mijn kant en herhaaldelijk overreden en druk zetten, beantwoordde ze mijn vragen wel. [slachtoffer 1] was dan zeer emotioneel en ze gaf aan juist te willen vergeten en dat deze vragen heel veel bij haar naar boven brachten. Beelden die zij niet meer wilde zien en waar zij niet meer aan wilde denken. Toen de raadsvrouw (later in het verhoor) meer antwoorden wilde hebben op detailvragen ontstond dezelfde gespannen situatie waarbij [slachtoffer 1] emotioneel werd en niet wilde antwoorden. Het verhoor had toen al een behoorlijke tijd geduurd. Het verhoor was indringend en vermoeiend en naar mijn oordeel ook emotioneel uitputtend voor [slachtoffer 1] geweest. Ik heb een afweging moeten maken in de belangen van de verdediging, het OM en de getuige. Ik heb met de raadsvrouw gediscussieerd over nut en noodzaak van de vragen die zij wilde stellen. De raadsvrouw stelde zich op het standpunt dat zij de betrouwbaarheid van [slachtoffer 1] wilde toetsen door middel van het stellen van detailvragen over het gestelde gebeurde. Ik heb haar daarop de vraag gesteld wat het ons zegt indien [slachtoffer 2] antwoorden exact gelijk zijn aan de antwoorden die zij bij de politie gaf en ook wat het ons zou zeggen indien de antwoorden anders zouden zijn. Omdat [slachtoffer 1] dreigde volledig te blokkeren, heb ik, om de druk niet te hoog op te voeren, met haar afgesproken dat zij een aantal detailvragen van de raadsvrouw moest beantwoorden maar dat ze niet álle detailvragen hoefde te beantwoorden. De raadsvrouw heb ik gezegd die vragen te stellen die zij het belangrijkst vond. Zo is geschied.

Uit dit proces-verbaal volgt – onder meer – een ‘inkijk’ in [slachtoffer 2] aard en beweegredenen. De raadsheer-commissaris heeft in dit kader waargenomen dat [slachtoffer 1] oprecht moeite heeft met het voor ogen halen van de gebeurtenissen en de herinneringen bij voorkeur weg zou willen stoppen. Gelet op deze waarnemingen, alsook voornoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aangeefsters opstelling in dezen en het type antwoorden dat uit deze opstelling voortvloeit, verklaarbaar zijn vanuit haar persoon en het hof hier daarom niet de conclusie aan verbindt dat haar verklaringen onbetrouwbaar zijn.

Ook de inhoud van [slachtoffer 2] verklaringen geeft het hof geen aanleiding om deze als onbetrouwbaar te beschouwen. Gezien haar jeugdige leeftijd en de omstandigheden waaronder [slachtoffer 1] toentertijd heeft geleefd, is het niet verwonderlijk dat zij een gebrek aan overzicht heeft en aldus geen duidelijke tijdstippen of periodes weet op te sommen. Wanneer de politie echter met zogenaamde ‘ankerpunten’, zoals het overlijden van haar moeder en bepaalde woonadressen, probeert haar verklaring te structureren, weet zij een deel van de gebeurtenissen wel een tijd en plaats te geven en verklaart ze gedetailleerder. Op hoofdlijnen – met betrekking tot hetgeen er zou zijn gebeurd – verklaart aangeefster naar het oordeel van het hof consistent. Voorts wordt haar verklaring in het algemeen ondersteund door de door hulpverleners waargenomen signalen die duiden op seksueel misbruik, alsook op feitelijke onderdelen door andere bewijsmiddelen, zoals onder meer de verklaringen van [getuige 3] , [getuige 1] en, op onderdelen, de verklaring van verdachte zelf. Het hof verwerpt derhalve het betrouwbaarheidsverweer van de raadsvrouw.

[getuige 1]

De stelling van de raadsvrouw dat de verklaring van [getuige 1] als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt, deelt het hof niet. Het hof is van oordeel dat de enkele tegenstrijdige details in haar verklaring, alsmede de verminderde stelligheid in haar eigen conclusie en de door de raadsvrouw te berde gebrachte spontane opmerking geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat [getuige 1] op hoofdlijnen consistent heeft verklaard, terwijl de door de raadsvrouw opgemerkte verschillen zeer wel verklaarbaar zijn door de omstandigheden, waaronder het tijdsverloop, haar leeftijd en verstandelijke beperktheid zoals die blijkt uit de aangifte van gezinsvoogd [gezinsvoogd] . Het verdient opmerking dat de door de raadsvrouw aangehaalde spontane opmerking plaatsvindt nadat [getuige 1] is bevraagd over de verhouding tussen verdachte en [slachtoffer 1] en daar niet onlogisch op volgt. De feitelijke onjuistheid van een onderdeel van [getuige 1] haar verklaring, namelijk waar de handelingen zouden hebben plaatsgevonden, maakt de verklaring naar het oordeel van het hof niet onbetrouwbaar. Het gaat om een herinnering van een jong kind dat, aldus haar verklaring, verschillende beelden heeft gezien. Dat daarbij dingen door elkaar worden gehaald is niet ongebruikelijk en duidt juist niet op afstemming met [slachtoffer 1] zoals door de raadsvrouw gesuggereerd. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

[slachtoffer 2]

De door de raadsvrouw betoogde partiële onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] , omdat deze verklaringen op details onderling niet overeen zouden komen, geeft het hof onvoldoende aanleiding om deze verklaring als (partieel) onbetrouwbaar ter zijde te schuiven. Hiervoor is van belang dat - enerzijds - de verschillen zich deels laten verklaren door het tijdsverloop, terwijl - anderzijds – haar verklaringen op essentiële onderdelen ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen zoals die in de aanvulling bewijsmiddelen zullen worden weergegeven indien er cassatieberoep zou worden ingesteld. Met betrekking tot de camera merkt het hof nog op dat het feit dat deze in januari 2011 in de kast van de woonkamer ligt, geen afbreuk doet aan de verklaring van [slachtoffer 2] dat deze camera enkele maanden daarvoor in de slaapkamer stond. Het verweer wordt verworpen.

Unus testis

De raadsvrouw heeft betoogd dat er sprake is van onvoldoende steunbewijs voor het onder 1 tenlastegelegde, nu de verklaringen – naast onbetrouwbaar – ook slechts te herleiden zouden zijn tot één bron, namelijk [slachtoffer 1] . Deze stelling wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van verdachte zelf, alsmede de verklaringen van [getuige 3] , [getuige 1] en [slachtoffer 2] waarvan de inhoud in een eventueel later op te maken aanvulling op dit arrest zal worden opgenomen. Het hof twijfelt – zoals deels eerder overwogen – niet aan de betrouwbaarheid van de eigen waarnemingen die ten grondslag liggen aan deze verklaringen.

Ontucht met misbruik gezag

Door de raadsvrouw is bepleit dat er ter zake van het onder 3B tenlastegelegde geen sprake is geweest van een dusdanig overwicht van verdachte op [slachtoffer 2] , waardoor verdachte geen misbruik zou hebben gemaakt van zijn gezag.

Tenlastegelegd is dat verdachte met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige ontucht heeft gepleegd. Uit vaste jurisprudentie volgt dat er al sprake is van aan iemands zorg of waakzaamheid toevertrouwen wanneer een kind, al dan niet met toestemming van de ouders, bij de meerderjarige logeert.

Verdachte en [slachtoffer 2] hebben vanaf – in ieder geval – augustus 2010 een seksuele relatie gehad. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 2] op dat moment minderjarig, namelijk 16 jaar, was. Verdachte was toentertijd zelf 42, en later 43, jaar oud. Op grond van de bewijsmiddelen kan tevens vastgesteld worden dat de minderjarige [slachtoffer 2] bij de meerderjarige, veel oudere verdachte verbleef en aldaar meermalen de nacht heeft doorgebracht. Deze feitelijke omstandigheden in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat [slachtoffer 2] aan verdachtes waakzaamheid was toevertrouwd. Door in deze situatie ontuchtige handelingen met haar te plegen, is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3B tenlastegelegde.

Onttrokken aan het gezag of opzicht

De raadsvrouw heeft ter zake van het onder 4 tenlastegelegde aangevoerd dat [slachtoffer 2] niet onttrokken is aan het wettig over haar gestelde gezag, nu de ouders van [slachtoffer 2] op de hoogte waren van haar verblijfplaats.

Verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer 2] verborgen of aan de naspeuring van de ambtenaren van politie of justitie onttrokken heeft, terwijl [slachtoffer 2] onttrokken was of zich onttrokken had aan het over haar gestelde gezag of opzicht van degene die het toezicht over haar uitoefende.

[slachtoffer 2] is op 1 december 2010 tijdelijk bij ‘ [instelling 1] ’ geplaatst, zijnde een instelling voor jeugd- en opvoedhulp te [plaats] . Vanuit deze instelling is [slachtoffer 2] – toen haar IQ te laag bleek voor deze instelling – naar [instelling 2] te [plaats] gegaan. In de nacht van 1 op 2 januari 2011 loopt [slachtoffer 2] weg uit deze instelling, waarmee zij zichzelf heeft onttrokken aan het over haar gestelde opzicht van [instelling 2] . Zij is toen door verdachte opgehaald en is daarna bij verdachte verbleven. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2011 blijkt dat verdachte – hoewel hij (ook) blijkens zijn eigen verklaring wel contact met [slachtoffer 2] heeft gehad – geen inlichtingen over haar heeft (willen) geven toen de politie op 2 januari 2011 aan zijn deur was om te informeren naar [slachtoffer 2] . Op 3 januari 2011 wordt door een verbalisant waargenomen dat [slachtoffer 2] bij verdachte in de auto zit. Ook de bij het gezin [gezin] betrokken hulpverlener, [hulpverlener] , heeft verklaard dat [slachtoffer 2] op 3 januari 2011 bij verdachte aanwezig was.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij [slachtoffer 2] , die zich onttrokken had aan het over haar gestelde opzicht van [instelling 2] , aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrokken heeft. Dat verdachte op 3 januari 2011 twee sms’jes van de ouders van [slachtoffer 2] aan voornoemde verbalisant en hulpverlener weet te tonen, die de strekking van een zekere toestemming zouden hebben, doet aan het voorgaande niet af. Het verwijt aan verdachte is immers ook dat hij [slachtoffer 2] aan de nasporing van ambtenaren van politie en justitie heeft onttrokken.

Schakelbewijs

De raadsvrouw heeft bepleit dat in het onderhavige geval geen gebruik van een zogeheten schakelbewijs-constructie gemaakt kan worden.

Het hof laat dit verweer onbesproken, nu het hof geen gebruik zal maken van een dergelijke schakelbewijs-constructie.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft bij wijze van voorwaardelijk verzoek naar voren gebracht dat de verdediging het hof verzoekt om [slachtoffer 1] als getuige ter terechtzitting te horen, indien het hof haar verklaringen voor het bewijs wil bezigen. De verdediging heeft aan dit verzoek – onder verwijzing naar de brief d.d. 19 september 2014 – ten grondslag gelegd dat [slachtoffer 1] in de visie van de raadsvrouw nader op details bevraagd dient te worden, zodat haar betrouwbaarheid ten volle getoetst kan worden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om een deskundige te laten kijken naar het opgenomen verhoor van [slachtoffer 1] teneinde de betrouwbaarheid te beoordelen.

Het verzoek dient beoordeeld te worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

[slachtoffer 1] is aanvankelijk door politie, als ook later in bijzin van de verdediging door de raadsheer-commissaris, uitgebreid gehoord. Het hof is daarnaast, zoals hiervoor reeds overwogen en opgenomen, onder meer door de raadsheer-commissaris uitgebreid geïnformeerd over de opstelling en houding van [slachtoffer 1] , alsmede hetgeen hieraan ten grondslag lijkt te liggen. In het dossier bevinden zich de opnames van de verhoren van de politie. Het hof heeft hiervan kennis genomen en kan daarmee zelf een betrouwbaarheidsoordeel vormen over deze verklaringen. Het hof acht zich op grond van deze stukken, alsook overigens, voldoende voorgelicht om zelf tot een betrouwbaarheidsoordeel te komen en acht het derhalve niet noodzakelijk de getuige zelf te horen, dan wel een deskundige te benoemen om de door [slachtoffer 1] bij de politie afgelegde verklaring op betrouwbaarheid te toetsen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3B en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij in de periode van 9 december 2006 tot en met 8 december 2010 in de gemeente [gemeente] , meermalen, met zijn dochter, [slachtoffer 1] , geboren op [geb. datum slachtoffer 1] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte

- haar borsten betast/bevoeld en

- zijn tong in haar mond gebracht en

- zijn penis in haar mond gebracht en

- zijn tong bij haar vagina gebracht en

- zijn penis in haar vagina gebracht;


2:
hij in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 augustus 2011 in de gemeente [gemeente] , meermalen een aantal foto's en/of een aantal video's heeft vervaardigd en in bezit gehad,

terwijl op die afbeelding een seksuele gedraging zichtbaar is, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het laten vasthouden en in de mond laten nemen van de stijve penis van een volwassen man door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het naakt laten poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon poseert in een erotisch getinte houding op een wijze die niet bij haar leeftijd past en waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling;

terwijl hij bovenvermeld feit heeft begaan tegen zijn kind;


3B:
hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 april 2011 in de gemeente [gemeente] , ontucht heeft gepleegd met de aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [geb. datum slachtoffer 2] , hebbende verdachte

- haar op de mond gekust en

- zijn tong in haar mond gebracht en

- haar borsten betast/bevoeld en

- zijn penis in haar vagina gebracht;


4:
dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 7 januari 2011 in de gemeente [gemeente] opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] geboren op [geb. datum slachtoffer 2] , die zich onttrokken had aan het over haar gestelde opzicht van degene die het toezicht over haar uitoefende, aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrokken heeft, immers heeft hij haar terwijl hij wist dat zij was weggelopen van huis, onderdak verschaft, heeft hij niet aan de politie gemeld waar zij verbleef terwijl hij daarvan wel op de hoogte was omdat ze bij hem was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Het onder 3B bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

het aan de nasporing van de ambtenaren van politie onttrekken van een minderjarige die zich onttrokken heeft aan het bevoegde opzicht.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte ter zake van het onder 3B tenlastegelegde een beroep toekomt op een schulduitsluitingsgrond, namelijk afwezigheid van alle schuld. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat door rechercheur [rechercheur] en een collega van hem tegen verdachte is gezegd dat hij ”geen seks met eigen kinderen ongeacht de leeftijd en niet met anderen onder de zestien” mocht hebben en dat over het wetsartikel “zorg en waakzaamheid” niet is gesproken. Verdachte verkeerde hierdoor in de veronderstelling dat de relatie die hij had met [slachtoffer 2] niet strafbaar was.

De door de verdediging als ongeclausuleerd gepresenteerde toezegging van de politie dat een seksuele relatie tussen [slachtoffer 2] en verdachte niet strafbaar zou zijn, volgt niet met zoveel woorden uit de verklaring van [rechercheur] , zedenrechercheur, bij de raadsheer-commissaris. Hij heeft daar aangegeven dat hij met verdachte heeft gesproken over seksuele contacten met minderjarigen. Hij heeft verklaard dat hij de door de raadsvrouw geciteerde zinsnede vast wel gezegd zal hebben maar bovendien ook dat er meer onderdelen in dat gesprek zijn belicht die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de relatie, waaronder de houding van de ouders, de pedagogische aspecten en openheid over de relatie. In die zin ontbeert het verweer feitelijke grondslag en zal het hof het verweer reeds op die grond verwerpen.

Voorts merkt het hof op dat verdachte, los van het bovenstaande, de ongeoorloofdheid van zijn handelen had moeten kunnen begrijpen. [slachtoffer 2] was een vriendinnetje en leeftijdsgenootje van zijn eigen minderjarige dochter. Zoals reeds aangehaald was verdachte ten tijde van de seksuele relatie 42, en later 43, jaar oud. Daarnaast is [slachtoffer 2] aan te merken als een kwetsbaar en minder begaafd meisje. Verdachte was hier ook van op de hoogte, nu [slachtoffer 2] ’s ouders verdachte hebben verteld dat zij PDD-NOS, zijnde een sociale handicap, heeft, dat ze zich zelf niet goed in de hand heeft en dat ze daardoor in de problemen zou kunnen komen. Zij hebben hem toen ook laten weten dat zij niet wilden dat verdachte zich als vriend van [slachtoffer 2] ging gedragen. Door toch een seksuele relatie met haar aan te gaan, heeft verdachte alle signalen genegeerd waaruit volgt dat een dergelijke seksuele relatie onaanvaardbaar is. Verdachte heeft daarnaast ook zelf verklaard te hebben begrepen dat het leeftijdsverschil tussen hem en [slachtoffer 2] te groot was. Ook uit verdachtes verklaring dat ze 'stiekem' met elkaar gingen, volgt dat hij moet hebben begrepen dat deze vorm van contact tussen hem en [slachtoffer 2] niet geoorloofd was.

Het hof is van oordeel dat verdachte in verband met deze omstandigheden niet verontschuldigbaar in de veronderstelling kon verkeren dat de door hem verrichte seksuele handelingen met [slachtoffer 2] niet strafbaar waren. Het hof verwerpt het beroep op afwezigheid van alle schuld.

Verdachte is derhalve strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich in een langere periode – van eind 2006 tot eind 2010 – schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn dochter [slachtoffer 1] , terwijl zij de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt. Daarnaast heeft verdachte in deze periode foto’s van [slachtoffer 1] gemaakt waarbij zij bloot moest poseren en heeft hij haar gefilmd terwijl ze verdachte heeft gepijpt. Ook met [slachtoffer 2] vriendinnetje, [slachtoffer 2] , is verdachte halverwege 2010 een seksuele relatie begonnen. Dit terwijl het een aan zijn waakzaamheid toevertrouwd kwetsbaar meisje betrof.

In plaats van zich als volwaardige volwassene op te stellen en te gedragen, heeft verdachte zich vergrepen aan zijn minderjarige dochter en is hij een seksuele relatie begonnen met de minderjarige vriendin van zijn dochter. Hij heeft zich hierbij enkel laten leiden door zijn seksuele lusten, zonder rekening te houden met de fragiele persoonlijkheden van de slachtoffers. Door aldus te handelen heeft hij een verregaande inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers gemaakt.

Ten slotte heeft verdachte – toen [slachtoffer 2] vanuit een instelling was weggelopen – in de periode van 1 tot en met 7 januari 2011 de nasporing van [slachtoffer 2] belemmerd, door de politie niet te informeren over waar [slachtoffer 2] was, noch de politie te waarschuwen dat [slachtoffer 2] bij hem was gekomen en daar verbleef. Daarmee heeft hij de onnodige inzet van politiekracht veroorzaakt.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende Uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 19 oktober 2015, waaruit niet blijkt van relevante onherroepelijke veroordelingen in het verleden.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de omtrent verdachte opgemaakte reclasserings-rapportages. Waar uit het eerste rapport van 6 november 2013 nog een relatief somber beeld volgt, met een gebrek aan huisvesting, werkloosheid, schulden en in het verlengde daarvan een hoog recidiverisico, lijkt verdachte inmiddels een positieve wending aan zijn leven gegeven te hebben. Verdachte heeft het geloof gevonden en put daar kracht uit. Hij woont nu zelfstandig in [woonplaats] en krijgt ondersteuning van zorgstichting [stichting] . Uit het reclasseringsrapport van 26 maart 2015 volgt dat verdachtes financiën inmiddels worden beheerd door een bewindvoerder en er wordt gewerkt aan het treffen van regelingen met schuldeisers. Daarnaast wordt verdachte ambulant behandeld en gaat zijn gezondheid vooruit. Nu verdachte het tenlastegelegde echter ontkent, ziet de reclassering uiteindelijk moeilijkheden in het formuleren van een strafadvies. Ook aanknopingspunten die de reclassering ziet voor een verdere uitdieping van verdachtes persoonlijkheid leveren niets op, nu verdachte daar niet aan mee wenst te werken. Bij het ontbreken van dergelijk onderzoek zijn verdachtes persoonlijkheid, het bestaan van eventuele cognitieve tekorten en ontwikkelingspathologie, alsmede seksuele afwijkende voorkeuren of gedragingen onbekend gebleven. Duidelijk is dat bij verdachte sprake is dan wel is geweest van problemen op verschillende leefgebieden. Daarnaast imponeert verdachte als iemand met beperkingen. Hij wordt in de stukken wel getypeerd als een puber in een volwassen lichaam.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat er sinds het instellen van het hoger beroep op 3 augustus 2012 geruime tijd verstreken is. Hoewel het tijdsverloop deels veroorzaakt is doordat de raadsheer-commissaris op verzoek van de verdediging getuigen heeft gehoord, ziet het hof aanleiding om ook deze omstandigheid te betrekken bij de strafoplegging.

De aard en ernst van het feitencomplex in aanmerking nemend, kunnen de onderhavige feiten niet anders bestraft worden dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Anderzijds geven de persoon van verdachte en voornoemde omstandigheden wel aanleiding om de gevorderde straf fors te matigen en een deel van deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm met bijzondere voorwaarden - zoals in het eerste reclasseringsrapport geadviseerd - op te leggen, zodat verdachte aansluitend op zijn detentie niet vervalt in zijn oude patroon en een in die situatie vergroot recidiverisico zo veel mogelijk beperkt blijft. Dit, alsmede het reeds overwogene in aanmerking nemend, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich meldt bij de reclassering en zich houdt aan aanwijzingen die de reclassering – al dan niet in samenwerking met [stichting] – geeft met betrekking tot de leefgebieden wonen, middelengebruik en leefstijl, passend en geboden.

Gelet op het voorgaande, ziet het hof geen aanleiding voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, ook niet alleen ter zake van het onder 3B tenlastegelegde, noch aanleiding om de straf verder te matigen, zoals door de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting is bepleit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 240b, 245, 248, 249 en 280 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3A ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3B en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3B en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat verdachte zich – na detentie – meldt bij de reclassering en zich blijft melden zo frequent als de reclassering of een andere door deze reclasseringsinstelling aan te wijzen instelling dit nodig acht;

  • -

    dat verdachte zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die door of namens de reclassering, al dan niet in samenwerking met [stichting] , of door een andere door de reclassering aan te wijzen instelling, gegeven worden, op de leefgebieden wonen, middelengebruik en leefstijl;

  • -

    dat verdachte in het kader van de aanwijzingen met betrekking tot het middelengebruik, indien en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, verplicht is ten behoeve van de naleving van deze aanwijzingen mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 30 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.