Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8983

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
21-006020-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:5253, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling diefstal in vereniging, meermalen gepleegd.

Vrijspraak witwassen. Uit het dossier en verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte meerdere malen sieraden en goud heeft verkocht. De persoonsregistratie van de inkoopfirma was echter niet waterdicht. Dit betekent dat niet zonder meer als vaststaand kan worden aangenomen dat degene die in het register als verkoper van sieraden en/of goud staat vermeld ook (telkens) de werkelijke aanbieder was. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld hoe vaak verdachte sieraden en/of goud heeft ingeleverd, en wat de totale waarde hiervan is geweest. Verdachte heeft daarnaast een verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de door haar ingeleverde goederen, welke verklaring het hof niet zonder meer onaannemelijk acht en ook niet wordt weersproken door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

Vrijspraak deelneming criminele organisatie. Het hof acht bewezen dat verdachte driemaal betrokken is geweest bij een diefstal in vereniging. Voor de betrokkenheid van verdachte bij de vermeende criminele organisatie bevat het dossier, behoudens deze incidenten en de omstandigheid dat verdachte deel uitmaakt van dezelfde familie als de medeverdachten, geen concrete aanwijzingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006020-14

Uitspraak d.d.: 26 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 3 oktober 2014 met parketnummer 08-900027-12 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 maart 2015, 12 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. H.J. Veen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair:
zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s); (Zaakdossier 21)

1 subsidiair:
zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van een pinpas en/of een pincode, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of haar mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een medewerker van woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging] en/of (vervolgens) ten overstaan met die [benadeelde 1] heeft gebeld met het "kantoor" en in dat gesprek meegedeeld dat de lekkage nu echt moest worden verholpen en/of aan die [benadeelde 1] meegedeeld dat hij een rekening zou krijgen voor de reparatiewerkzaamheden en dat zij daarvoor het bankrekeningnummer of gironummer nodig hadden en/of dat woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging] dan de kosten terug zou storten en/of aan die [benadeelde 1] een briefje heeft/hebben overhandigd waarop was vermeld wanneer de reparaties zouden plaatsvinden, waardoor die [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2:
zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Oosterbeek tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s); (zaakdossier 22)

3 primair:
zij op of omstreeks 23 oktober 2012 te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer siera(a)d(en) en/of zonnebril(len, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s); (Zaakdossier 24)

3 subsidiair:
zij op of omstreeks 23 oktober 2012 te gemeente Schiedam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer siera(a)d(en) en/of zonnebril(len) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die siera(a)d(en) en/of zonnebril(len) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 17 juni 2013 in de gemeente Enschede en/of elders in Nederland en/of Duitsland heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande onder meer uit [mededader 1] en/of [mededader 2] . en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- gekwalificeerde diefstal zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht, en/of

- gewoontewitwassen en/of witwassen zoals bedoeld in (de) artikel(en) 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht; (Zaakdossier 37)

5 primair:
zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 juni 2013, in de gemeente Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s)

- een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 6.477 euro, althans enig geldbedrag), en/of

- een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (Zaakdossier 33)

5 subsidiair:
zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 juni 2013, in de gemeente Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 6.477 euro, althans enig geldbedrag), en/of

- een of meer sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten,

heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten, gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of sieraden en/of goud en/of zilver en/of munten - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (Zaakdossier 33)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4, 5 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Witwassen

De advocaat-generaal heeft gesteld dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode frequent sieraden en goud heeft ingeleverd, die van misdrijf afkomstig zijn, zodat het onder 5 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte een aannemelijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de sieraden en het goud, namelijk de door haar ontvangen bruidsschat. Uit het dossier blijkt nergens dat verdachte gestolen goederen heeft verkocht, dan wel dat verdachte daar wetenschap van had. Bovendien was de persoonsregistratie van het bedrijf aan wie verdachte wel eens goud en sieraden verkocht niet waterdicht.

Uit het dossier en verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte meerdere malen sieraden en goud heeft verkocht aan de firma [firma] in Enschede. De persoonsregistratie van deze firma was echter, blijkens de verklaringen van de gebroeders [naam gebroeders] , niet waterdicht. Daarnaast blijkt uit de verklaringen in het dossier dat verdachte ook wel eens werd verwisseld met haar zus, medeverdachte [mededader 7] . Dit betekent dat niet zonder meer als vaststaand kan worden aangenomen dat degene die in het register als verkoper van sieraden en/of goud staat vermeld ook (telkens) de werkelijke aanbieder was. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld hoe vaak verdachte sieraden en/of goud heeft ingeleverd, en wat de totale waarde hiervan is geweest. Verdachte heeft daarnaast een verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de door haar ingeleverde goederen, welke verklaring het hof niet zonder meer onaannemelijk acht. Deze verklaring wordt ook niet weersproken door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, nu geen van de door verdachte verkochte goederen aan een concreet strafbaar feit kan worden gekoppeld. Nu het hof, op grond van de vorenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden niet kan concluderen dat het niet anders kan zijn dan dat de sieraden die en/of het goud dat verdachte is ingeleverd uit enig misdrijf afkomstig zijn, dient verdachte te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde (gewoonte)witwassen.

Criminele organisatie

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft gesteld dat de door de rechtbank genoemde redengevende feiten en omstandigheden om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie feitelijk geen betrekking hebben op verdachte.

De door verdachte in oktober 2012 gepleegde feiten zijn onvoldoende om te kunnen spreken van deelname aan een criminele organisatie.

Voor het aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht deelnemen in de zin van die bepaling zijn de navolgende componenten van belang.

Onder een criminele organisatie wordt verstaan een samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere duurzaamheid en structuur, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij hoeft het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond van de organisatie te zijn. Een zeker bestendigheid is vereist, maar het gaat niet zover dat vereist is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband telkens dezelfde is. Het oogmerk van de criminele organisatie dient gericht te zijn op het plegen van misdrijven. Als bewijs voor het bestaan van het oogmerk van de organisatie kunnen (mede) dienen de misdrijven die zijn gepleegd en het duurzaam en/of gestructureerde karakter van de samenwerking.

Volgens bestendige rechtspraak is van deelneming aan een criminele organisatie sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunende gedragingen heeft verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelname aan de criminele organisatie is niet vereist dat een betrokkene deelneemt aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. Evenmin is vereist dat een betrokkene samenwerkt of bekend is met alle personen die deel uitmaken van een organisatie. Ten aanzien van de rol van een betrokkene geldt voorts dat een betrokkene in zijn algemeenheid moet weten, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Een betrokkene hoeft echter niet enige vorm van opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven.

Voor een familieverband geldt in het algemeen dat zijn sociale structuur en de verhoudingen tussen de leden onderling, op een aantal punten overeenkomsten vertonen met de hierboven genoemde, in eerdere jurisprudentie strafrechtelijk relevant beoordeelde, aspecten van een organisatie. Dit betekent echter niet dat om die reden reeds sprake is van een criminele organisatie indien meerdere leden van een familie tezamen misdrijven plegen.

Het hof acht bewezen dat verdachte driemaal betrokken is geweest bij een diefstal in vereniging in oktober 2012. Voor de betrokkenheid van verdachte bij de vermeende criminele organisatie bevat het dossier, behoudens deze incidenten en de omstandigheid dat verdachte deel uitmaakt van dezelfde familie als de medeverdachten, geen concrete aanwijzingen . Het hof is om die reden van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om ten aanzien van verdachte te komen tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde. Het enkele feit dat verdachte driemaal betrokken is geweest bij een diefstal in vereniging is daarvoor onvoldoende.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:
zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed , geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s ); (Zaakdossier 21)

2:
zij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Oosterbeek tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s); (zaakdossier 22)

3 primair:
zij op of omstreeks 23 oktober 2012 te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer siera (a) d ( en ) en/ of zonnebrillen, i n elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s); (Zaakdossier 24)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging, waarbij dor middel van babbeltrucs bij (hoog) bejaarde mensen bankpassen werden buit gemaakt, met behulp waarvan vervolgens aanzienlijke bedragen van de rekeningen van de slachtoffers werden opgenomen. Het hof rekent de verdachte deze werkwijze ernstig aan. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat deze oude mensen in hun medemens stelden. Dit soort feiten brengen, naast gevoelens van onveiligheid, financiële schade met zich mee. Voor dergelijke feiten acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Gelet echter op de inmiddels verstreken tijd sinds de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheid dat verdachte, blijkens het uittreksel justitiële documentatie, sindsdien niet meer met justitie in aanraking is gekomen en in aanmerking nemend dat verdachte gedurende de behandeling ter terechtzitting een bekennende verklaring heeft afgelegd en aannemelijk heeft gemaakt inmiddels daadwerkelijk stappen te hebben gezet om een ander leven te leiden, zal het hof volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 150,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 150,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. J.W. Rijkers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden, griffier,

en op 26 oktober 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Ficq is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen