Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8978

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
21-006071-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:5228, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak pindiefstallen. Het hof stelt vast dat het bewijs, dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, uitsluitend is gebaseerd op de door de verbalisanten gerelateerde herkenningen van verdachte. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van (camera)afbeeldingen is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt onder meer af van de kwaliteit van de afbeeldingen en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die afbeeldingen. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien. Het hof stelt vast dat een groot aantal van de afdrukken van de camerabeelden zodanig onscherp is, dat herkenning wordt bemoeilijkt. Bij gebrek aan op de afbeeldingen herkenbare, specifieke onderscheidende persoonskenmerken is echter niet met zekerheid vast te stellen dat het ook (telkens) daadwerkelijk verdachte betreft. Het voorgaande maakt dat de door de verbalisanten gedane herkenningen het hof in onvoldoende mate overtuigen als zijnde betrouwbaar.

Vrijspraak deelneming criminele organisatie. Nu het hof verdachte zal vrijspreken van de hem tenlastegelegde (pin)diefstallen en het dossier geen concrete aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij de vermeende criminele organisatie, zal het hof verdachte hiervan vrijspreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006071-14

Uitspraak d.d.: 26 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 3 oktober 2014 met parketnummer 08-900006-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1976] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans uit anderen hoofde verblijvende in [P.I. verblijfplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 maart 2015, 12 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Epema, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2015 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde. Daarmee is de eerder tegen het vonnis van de rechtbank ingebrachte grief komen te vervallen. Gelet op het vorenstaande zal het hof op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 29 juni 2011 te Hengelo, om ongeveer 10.37 uur, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat van de Rabobank heeft weggenomen een bedrag van 250 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; (Zaakdossier 4)

2:
hij op of omstreeks 2 december 2012 te Rheine (Duitsland), meermalen, althans eenmaal namelijk om ongeveer 17.11 uur en/of 17.12 uur (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) in/uit een of meer geld/pinautoma(a)t(en) (telkens) heeft/hebben weggenomen een/of meer geldbedrag(en) van 1000 euro en/of 1000 euro, in elk geval (telkens) enig geldbedrag, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel; (Zaakdossier 35-03)

3:
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 juni 2013 in de gemeente Enschede en/of elders in Nederland en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande onder meer uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- gekwalificeerde diefstal zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht, en/of

- gewoontewitwassen en/of witwassen zoals bedoeld in (de) artikel(en) 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht; (Zaakdossier 37)

4:
hij op of omstreeks 15 december 2012 te Antwerpen (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 5.000 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6:
hij op of omstreeks de periode van 29 juli 2011 te Hengelo, om ongeveer 21.36 uur en/of 21.37 uur, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een of meer geldautoma(a)t(en) heeft weggenomen een of meer bedrag(en) van 70 euro en/of 1180 euro, althans (telkens) enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende [benadeelde 5] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; (Zaaksdossier 9)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Diefstallen (feiten 1,2,4 en 6)

In de periode van juni 2011 tot en met december 2012 is van meerdere oudere mensen de pinpas ontvreemd en vervolgens de pincode ontfutseld door middel van een babbeltruc. Vervolgens zijn van de bankrekeningen van de aangevers verschillende geldbedragen opgenomen. Van het merendeel van de pintransacties zijn camerabeelden beschikbaar. Verschillende verbalisanten, waaronder verbalisanten van het onderzoeksteam Ginaf die verdachte in het kader van dit onderzoek hebben verhoord, hebben vervolgens verdachte herkend aan de hand van deze camerabeelden of de daarvan gemaakte afdrukken.

Verdachte ontkent dat hij de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Bij de politie en ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij zich niet herkent op de verschillende afdrukken van de camerabeelden, hoewel hij erkent dat de persoon op de foto van de camerabeelden van de pintransactie in Rheine (feit 2) een soortgelijke jas als hijzelf draagt. Verdachte herkent zich wel van camerabeelden van een geldopname in Borken (feit 5) waar echter niet hijzelf, maar een ander de geldopname verricht.

Het hof stelt vast dat het bewijs, dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, uitsluitend is gebaseerd op de door de verbalisanten gerelateerde herkenningen van verdachte. Het hof stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij de ten laste gelegde feiten kunnen aantonen. Er bestaat bij het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de oprechtheid van de verbalisanten, die hebben verklaard op de afdrukken van de camerabeelden verdachte te herkennen. Bij de beoordeling van het bewijs is echter van doorslaggevend belang of deze herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van (camera)afbeeldingen is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn.

Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de afbeeldingen en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die afbeeldingen.

Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien.

Het hof stelt vast dat een groot aantal van de afdrukken van de camerabeelden zodanig onscherp is, dat herkenning wordt bemoeilijkt. De eigen waarneming van het hof is dat de persoon die zichtbaar is op de beeldafdrukken gelijkenissen vertoont met het uiterlijk van verdachte zoals te zien is op diens ID foto. Bij gebrek aan op de afbeeldingen herkenbare, specifieke onderscheidende persoonskenmerken is echter niet met zekerheid vast te stellen dat het ook (telkens) daadwerkelijk verdachte betreft. Het voorgaande maakt dat de door de verbalisanten gedane herkenningen het hof in onvoldoende mate overtuigen als zijnde betrouwbaar. De kenmerken die wel worden genoemd, in het bijzonder de door de persoon op de camerabeelden gedragen jas (feit 2), zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende onderscheidend. Gelet op het voorgaande het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken..

Criminele organisatie

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft gesteld dat de door de rechtbank genoemde redengevende feiten en omstandigheden om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie feitelijk geen betrekking hebben op verdachte.

Het dossier bevat feitelijk geen bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de criminele organisatie kan worden afgeleid.

Het hof merkt vooraleerst op dat voor het aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht deelnemen in de zin van die bepaling de navolgende componenten van belang zijn.

Onder een criminele organisatie wordt verstaan een samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere duurzaamheid en structuur, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij hoeft het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond van de organisatie te zijn. Een zeker bestendigheid is vereist, maar het gaat niet zover dat vereist is dat de samenstelling van het samenwerkingsverband telkens dezelfde is. Het oogmerk van de criminele organisatie dient gericht te zijn op het plegen van misdrijven. Als bewijs voor het bestaan van het oogmerk van de organisatie kunnen (mede) dienen de misdrijven die zijn gepleegd en het duurzaam en/of gestructureerde karakter van de samenwerking.

Volgens bestendige rechtspraak is van deelneming aan een criminele organisatie sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunende gedragingen heeft verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelname aan de criminele organisatie is niet vereist dat een betrokkene deelneemt aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. Evenmin is vereist dat een betrokkene samenwerkt of bekend is met alle personen die deel uitmaken van een organisatie. Ten aanzien van de rol van een betrokkene geldt voorts dat een betrokkene in zijn algemeenheid moet weten, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Een betrokkene hoeft echter niet enige vorm van opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven.

Voor een familieverband geldt in het algemeen dat zijn sociale structuur en de verhoudingen tussen de leden onderling, op een aantal punten overeenkomsten vertonen met de hierboven genoemde, in eerdere jurisprudentie strafrechtelijk relevant beoordeelde, aspecten van een organisatie. Dit betekent echter niet dat om die reden reeds sprake is van een criminele organisatie indien meerdere leden van een familie tezamen misdrijven plegen

Nu het hof verdachte zal vrijspreken van de hem tenlastegelegde (pin)diefstallen en het dossier geen concrete aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij de vermeende criminele organisatie, in het bijzonder dat verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, zal het hof verdachte vrijspreken van het onder 3 tenlastegelegde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 427,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.525,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een (1) paar schoenen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. J.W. Rijkers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden, griffier,

en op 26 oktober 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Ficq is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.