Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8977

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
21-000679-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:885, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering. Verdachte voerde met zijn bedrijf het financiële beheer voor verenigingen van eigenaren. In die hoedanigheid heeft hij geld van deze verenigingen overgeschreven naar zijn eigen bankrekening. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uren. Overwegingen met betrekking tot art. 63 Sr. en de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000679-15

Uitspraak d.d.: 30 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 9 februari 2015 met parketnummer 05-006819-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1955] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.J.P.M. Mooren, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter wat betreft de bewezenverklaring op goede gronden en juiste wijze heeft geoordeeld. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

In zoverre zal het vonnis worden vernietigd en opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is bij onherroepelijk vonnis van 7 mei 2015 van de rechtbank Breda voor soortgelijke feiten veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een taakstraf van 240 uren. Door de verdediging en de advocaat-generaal is aangevoerd dat, gelet op dit vonnis, op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht geen taakstraf kan worden opgelegd, nu in die zaak reeds het maximum aan taakstraf, zijnde 240 uur, is opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden wordt opgelegd.

Het hof overweegt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, waarbij hij over een langere periode grote geldbedragen heeft verduisterd. Hij heeft (de leden van) de verenigingen van eigenaren hiermee benadeeld en bovendien het vertrouwen dat zij in hem gesteld hadden, geschonden. Het plegen van een zo zwaar misdrijf rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof zal hiervan evenwel afzien op grond van de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij gaat gebukt onder zijn bedrog van zijn cliënten en de schade die hij hen heeft toegebracht. Persoonlijk is hij al zijn bezittingen kwijt geraakt, hij is gescheiden en dakloos en kampt nu met hoge schulden. Hij is aangewezen op hulpverlening, die inmiddels behoorlijk is georganiseerd; het ondergaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet daar sterk afbreuk aan.

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Het hof overweegt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht er niet aan in de weg staat dat - naast de bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 mei 2015 van de rechtbank Breda aan verdachte opgelegde taakstraf van 240 uren - thans voor de in deze zaak bewezenverklaarde feiten eveneens een taakstraf wordt opgelegd. De omstandigheid dat hierdoor het ingevolge beide veroordelingen totaal aantal opgelegde uren taakstraf het in artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht genoemde maximum van 240 overstijgt, doet hieraan niet af. In gevallen als het onderhavige beperkt het op grond van artikel 63 Sr. toepasselijke artikel 57 Sr. de cumulatie van niet-vrijheidsbenemende sancties niet en vloeit deze beperking evenmin voort uit het bepaalde in artikel 22b Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.700,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 22.700,- toegewezen dient te worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dit het bedrag is dat ten laste is gelegd en dat een hoger bedrag dan bewezen is verklaard niet toegewezen kan worden.

De verdediging heeft aangegeven dat zij dit standpunt deelt. Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat de oorspronkelijke vordering € 22.700,- bedroeg. Het onderzoek ter terechtzitting is nadat er gerekwireerd was en verweer was gevoerd, geschorst en aangehouden voor onbepaalde tijd. Bij voortzetting van het onderzoek op een latere datum heeft de benadeelde partij haar vordering vervolgens verhoogd. Volgens de verdediging is dit formeel niet mogelijk nu de benadeelde partij slechts ter zitting een vordering in te dienen, tot het moment waarop de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld om zijn requisitoir te voeren.

Het hof overweegt over het eerste (door de advocaat-generaal en de verdediging aangevoerde) punt het volgende. De benadeelde partij kan vergoeding vorderen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit zoals dat in de tenlastelegging en bewezenverklaring is omschreven. Dat in onderhavige zaak ten laste is gelegd en bewezen is verklaard dat verdachte een bedrag van € 22.700,- heeft verduisterd, sluit niet uit dat de benadeelde partij, als gevolg van dat strafbare feit, in werkelijkheid voor een hoger bedrag is benadeeld. In dit geval heeft de benadeelde partij haar vordering onderbouwd met rekeningafschriften, waaruit blijkt dat verdachte gedurende de bewezen verklaarde periode in totaal een bedrag van € 29.700,- heeft overgeschreven van de rekening van de benadeelde partij naar de rekening van zijn eigen bedrijf. De verdachte heeft daarnaast, in eerste aanleg en in hoger beroep, de hoogte van dit bedrag niet betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat de benadeelde partij, als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte, tot een bedrag van € 29.700,- schade heeft geleden.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat de benadeelde partij de vordering niet kon verhogen op de aangehouden zitting in eerste aanleg, overweegt het hof het volgende. Op grond van artikel 51g lid 3 van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich ter terechtzitting voegen, uiterlijk voordat de officier van justitie wordt gesteld zijn requisitoir te beginnen. Dit houdt ook in dat degene die zich reeds vóór de terechtzitting heeft gevoegd, zich tevens nog kan voegen tijdens de terechtzitting, bijvoorbeeld om aan de eerdere voeging klevende gebreken te herstellen. In het onderhavige geval heeft de benadeelde partij, voordat de eerste zitting plaatsvond, een schriftelijke vordering ingediend. Deze vordering is op de eerste zitting toegelicht, waarna er door de officier van justitie requisitoir is gehouden en door de verdediging verweer is gevoerd. Daarna is de behandeling van de zaak aangehouden met het oog op gewenste verduidelijkingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Op de tweede zitting heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] de vordering gewijzigd, waarna er nogmaals is gerekwireerd en verweer is gevoerd.

De vraag of de benadeelde partij in deze situatie de vordering heeft kunnen wijzigen, beantwoordt het hof onder deze omstandigheden bevestigend. De officier van justitie en de verdediging zijn immers, nadat de gewijzigde vordering door de benadeelde partij was ingediend, opnieuw tot rekwireren en het voeren van verweer in de gelegenheid gesteld en konden zodoende reageren op de gewijzigde vordering. Naar het oordeel van het hof past deze uitleg ook bij het oordeel van de Hoge Raad dat het aangehaalde artikel dient ter verruiming van de voegingsmogelijkheden van slachtoffers en dat hier geen beperkende uitleg bij past (ECLI:NL:HR:2004:AO1486, r.o. 5.7).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 59.485,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof heeft zich daarbij gebaseerd op de door de benadeelde partij overgelegde rekeningafschriften. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende het reclasseringstoezicht zal melden bij de reclassering en dit zal blijven doen zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, en de door de reclassering in het kader van het uit te oefenen toezicht gegeven aanwijzingen zal opvolgen, ook indien deze inhouden een behandelverplichting bij ambulante forensische psychiatrie Het Dok te Tilburg, of een soortgelijke ambulante instelling.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 29.700,- (negenentwintigduizend zevenhonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 59.280,- (negenenvijftigduizend tweehonderdtachtig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. P.R. Wery, voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr. M.M.L.A.T. Doll, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr T. Faber, griffier,

en op 30 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 november 2015.

Tegenwoordig:

mr. Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. I.I.D. Leene, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.