Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8875

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
14/00450
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2206
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Leges. Verwijzingsprocedure HR 4 april 2014, nr. 12/05118. Verbindendheid verordening. Overschrijding opbrengstlimiet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2578
Belastingblad 2016/10 met annotatie van P. de Bruin
FutD 2015-2940
NTFR 2016/345 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

nummers 14/00450

uitspraakdatum: 24 november 2015

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 september 2011, nummer AWB 09/1673, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen te Roermond (voorheen Gemeentelijke Belasting- en Registratie Dienst, stadsregio Parkstad Limburg, hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Van belanghebbende is bij besluit van 1 september 2008, ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning een bedrag aan leges geheven welk bedrag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar is gehandhaafd.

1.2

Belanghebbende is tegen de hiervoor genoemde uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Maastricht (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 19 september 2011 ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat bij uitspraak van 27 september 2012, nr. 11/00681, het hoger beroep gegrond heeft verklaard en de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de heffingsambtenaar alsmede de aanslag bouwleges heeft vernietigd.

1.4

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: het College) heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie aangetekend bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft bij arrest van 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780 (hierna: het verwijzingsarrest), het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.5

Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben, nadat het Hof hen daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, een conclusie na verwijzing ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Hoge Raad ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd, waaronder de pleitnota’s die door partijen ter zitting zijn voorgedragen.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [A] namens belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [B] , [C] , [D] en [E] .

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 20 maart 2008 een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning ingediend voor het vergroten van haar winkelgebouw met parkeergelegenheid te [F] . Bij besluiten van 21 augustus 2008 heeft het College de vergunning verleend.

2.2

De bouwkosten zijn vastgesteld op € 10.000.000. Met dagtekening 1 september 2008 is aan belanghebbende de onderhavige aanslag bouwleges ten bedrage van € 223.647,50 opgelegd in welk bedrag een bedrag van € 500 ter zake van een adviesaanvraag welstand en een bedrag van € 110 in verband met enkele vrijstellingen zijn begrepen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of het bedrag aan leges terecht van belanghebbende is geheven. Het geschil is na verwijzing – kort weergegeven – beperkt tot de vraag of de Verordening verbindende kracht moet worden ontzegd wegens overschrijding van de zogenoemde opbrengstlimiet van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet (hierna: de opbrengstlimiet).

3.2

Belanghebbende heeft in haar conclusie na verwijzing het standpunt ingenomen dat de gemeenteraad ten tijde van het vaststellen van de Verordening onvoldoende inzicht had in de geraamde baten en lasten, en daarmee in de mate van kostendekkendheid, en dat het correct vaststellen van de tarieven niet mogelijk is geweest. Reeds daarom zijn naar haar mening de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel onverbindend. Voorts stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht in de kostendekkendheid heeft gegeven. Met name is onvoldoende haar twijfel weggenomen omtrent de raming van baten en omtrent diverse door haar genoemde posten die in de overzichten van de heffingsambtenaar als lasten ter zake zijn aangemerkt.

3.3

De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de Verordening en de Tarieventabel verbindende kracht niet kan worden ontzegd en dat de legesaanslag terecht en op goede gronden is opgelegd.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de uitspraak van de heffingsambtenaar en van de legesaanslag.

3.6

De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

De raad van de gemeente Heerlen heeft in zijn openbare vergadering van 4 december 2007 de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2008 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Bij de Verordening hoort de ‘Tarieventabel 2008, behorende bij de Legesverordening 2008’ (hierna: de Tarieventabel).

4.2

In artikel 2 'Belastbaar feit' van de Verordening is bepaald dat onder de naam 'leges' rechten worden geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel. In hoofdstuk 6 'Bouwvergunningen c.a.' van de Tarieventabel zijn de tarieven opgenomen voor het in behandeling nemen van nader omschreven aanvragen.

4.3

Belanghebbende heeft zich voor de Rechtbank en het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch – onder meer – op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat de legesverordening van de gemeente Heerlen waarop de onderhavige legesaanslag is gebaseerd, onverbindend is wegens overschrijding van de opbrengstlimiet. Het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch heeft haar in dit standpunt gevolgd en op die grond de aanslag vernietigd.

4.4

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest de uitspraak van het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch vernietigd, onder meer op de grond dat dat gerechtshof met zijn oordeel omtrent de raming van de baten te vergaande eisen daaraan en aan de onderbouwing daarvan heeft gesteld. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen (r.o. 3.6.3.):

“Met name zal een prognose van het aantal bouwaanvragen en de daarbij behorende bouwsommen naar haar aard met veel onzekerheden omgeven zijn. Daaruit vloeit voort dat – anders dan het Hof kennelijk heeft aangenomen – bij die prognose geen zekerheid of een volledig inzicht kan worden verlangd ten aanzien van het te verwachten aantal aanvragen en de bijbehorende bouwsommen. Verder brengt dit mee dat het een gemeente die voorzichtigheid betracht bij het ramen van legesopbrengsten te dier zake, niet kan worden tegengeworpen dat zij die opbrengsten te pessimistisch heeft geschat. In het kader van de toetsing van de opbrengstlimiet op de voet van artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet kan het volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedrag aan legesopbrengsten pas dan niet worden aanvaard indien de gemeente die opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen (…)”

4.5

Vervolgens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat verwijzing moet volgen voor een hernieuwde behandeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden. Daarbij moeten naar het oordeel van het Hof de standpunten van de partijen in acht worden genomen zoals zij die voor de Rechtbank, het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch en na verwijzing voor dit Hof hebben ingenomen.

4.6

Het Hof is van oordeel dat, anders dan belanghebbende kennelijk meent, de enkele omstandigheid dat de gemeenteraad ten tijde van de vaststelling van de Verordening onvoldoende inzicht had in de baten en de lasten, op zichzelf niet reeds ertoe moet leiden dat de Verordening onverbindend wordt verklaard. Voor het antwoord op de vraag of de geraamde opbrengsten de geraamde lasten overtreffen is de wijze waarop, noch het tijdstip waarop (aan de gemeenteraad of aan de belanghebbende die daarom verzoekt) inzicht is geboden in de geraamde baten en lasten bepalend. In een procedure als de onderhavige kan de heffingsambtenaar het vereiste inzicht in de desbetreffende ramingen verschaffen op basis van de gemeentelijke begroting op grond waarvan de tarieven in de Tarieventabel zijn vastgesteld, of op basis van andere gegevens, ook indien die ten tijde van de vaststelling van de Verordening of de begroting nog niet bekend waren (vgl. Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:2010:BM1236). Het Hof neemt daarbij voorts in aanmerking de opmerking van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof dat het gestelde in de Concernprogrammabegroting 2008 dat “er nog onvoldoende inzicht [is] in de kosten en de daarmee samenhangende kostendekkendheidspercentages” moet worden gezien in samenhang met het daaraan voorafgaand genoemde streven naar kostendekkende tarieven voor in beginsel alle legesheffingen. Zo bezien houdt die opmerking niet in dat het inzicht onvoldoende is om te komen tot een raming van de kosten om zeker te stellen dat de opbrengstlimiet niet wordt overschreden.

De verbindendheid van de Verordening en de Tarieventabel in verband met limietoverschrijding

4.7

Volgens het bepaalde in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet worden in verordeningen, op grond waarvan, voor zover van belang, rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van die wet worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de geraamde baten de 'lasten ter zake' hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een 'last ter zake', dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, ten einde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen (vergelijk het arrest Hoge Raad 24 april 2009, nr. 07/12961, LJN: BI1968).

4.8

In haar conclusie na verwijzing, die in dit geval voorafging aan de conclusie na verwijzing van de heffingsambtenaar, heeft belanghebbende herhaald hetgeen zij eerder in hoger beroep naar voren heeft gebracht omtrent de raming van de baten en de aard en de omvang van een aantal door haar genoemde lasten.

4.9

Omtrent de ramingen van de baten en de lasten heeft de heffingsambtenaar uiteindelijk bij de behandeling van het beroep van belanghebbende ter zitting van de Rechtbank op 6 juli 2011 een overzicht overgelegd met als titel ‘Recapitulatie (exclusief 13,93 fte en overhead reductie van 80% tot € 5,11)’ welk overzicht resulteert in een kostendekkendheid van 98,90 percent. Ter zake daarvan is in het proces-verbaal van de zitting van 6 juli 2011 het volgende opgenomen (waarbij met verweerder de heffingsambtenaar wordt bedoeld en met eiseres belanghebbende):

“(…)

Verweerder verwijst naar het ingediende overzicht dat ziet op de kostendekkendheid van de leges. Daarmee is, aldus verweerder, inzichtelijk gemaakt dat binnen de marge van de kostendekkendheid is gebleven. (…)

De voorzitter geeft aan dat in de brief van eiseres een aantal concrete vragen over de kostenonderbouwing van de geraamde baten en lasten zijn geformuleerd. De voorzitter verzoekt aan verweerder om op die vragen in te gaan.

Verweerder antwoordt dat er nog eens is gekeken naar de kostendekkendheid en er een nieuw overzicht is opgesteld waarin er aan de lastenkant een aantal posten zijn uitgehaald. Verweerder toont het stuk waarin deze berekening is neergelegd en overhandigt dit aan de rechtbank en aan de wederpartij. Aan de lastenkant zijn leidinggevende functionarissen (13,93 fte) niet meegerekend. De geraamde kostendekkendheid verschuift als gevolg hiervan van 50% naar 70%. Vervolgens is een andere berekening gemaakt van de overheadkosten (Organisatieoverhead en lijnoverhead). Om elke discussie te voorkomen zijn deze kosten gereduceerd met 80%, waarbij onder meer de kosten van huisvesting, opleiding, beleidsmedewerkers, juridisch medewerkers en stafafdeling buiten beschouwing zijn gelaten. Zelfs deze reductie heeft niet tot gevolg dat de geraamde baten de kosten overstijgen. Het kostendekkendheidspercentage is dan immers 98%. Bij de berekening van de kosten is gebruik gemaakt van het handboek binnenlandse zaken van Deloitte en het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid (Hafir).”

Zoals blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch heeft het hier bedoelde overzicht ook ten grondslag gelegen aan het daar verdedigde standpunt van de heffingsambtenaar. In het proces-verbaal van de zitting is als opmerking van de heffingsambtenaar opgenomen:

“Door middel van de personeelskosten is zoveel mogelijk geprobeerd de twijfel weg te nemen. De overhead is gereduceerd en toen is het kostendekkenheidspercentage op circa 98% gekomen.”

In zijn Conclusie na Verwijzing merkt de heffingsambtenaar ter zake hiervan op:

“Naar aanleiding hiervan hebben wij de kostendekkendheid opnieuw beoordeeld en een nieuw overzicht van de geraamde baten en lasten overgelegd, waarin de leidinggevenden (13,93 fte) niet langer als last terzake zijn meegerekend. Bovendien heeft een herberekening van de overheadkosten plaatsgevonden (organisatie- en lijnoverhead). Om elke discussie te voorkomen zijn deze kosten gereduceerd met 80% waarbij onder meer de kosten van huisvesting, opleiding, beleidsmedewerkers, juridische medewerkers en stafafdelingen buiten beschouwing gelaten. Als gevolg van deze aanpassingen bedraagt het kostendekkendheidspercentage 98,80 %.”

4.10

Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar het standpunt ingenomen dat het uitgangspunt bij de beoordeling van de limietoverschrijding moet zijn de in eerste instantie door hem overgelegde overzichten waaruit een kostendekkendheid blijkt van 50,97 percent. Het later overgelegde overzicht dat resulteert in een kostendekkendheid van 98,8 percent moet worden gezien als niet meer dan een voorbeeld van hetgeen volgt indien volledig aan het standpunt van belanghebbende wordt tegemoetgekomen. Belanghebbende heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dit als een standpuntwijziging te zien waarop zij zich niet heeft kunnen voorbereiden en dat zij zich daarom niet meer heeft verdiept in de door haar in twijfel getrokken posten die door de heffingsambtenaar in zijn nadere overzicht niet meer waren opgenomen.

4.11

Gelet op de inhoud van de hiervoor in 4.9 geciteerde stukken is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar ter zitting van de Rechtbank een definitief nieuw standpunt heeft ingenomen dat hij nadien ook heeft verwoord en verdedigd, met prijsgeven van eerdere stellingnamen. In dat geval is het – nu belanghebbende zich daartegen verzet – in strijd met de goede procesorde indien de heffingsambtenaar daarvan ter zitting van het Hof terugkomt (vgl. Hoge Raad 10 december 2010, nr. 09/01057, ECLI:NL:HR:2010:BO6786). Derhalve zal het Hof, bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden het laatst door de heffingsambtenaar overgelegde overzicht tot uitgangspunt nemen.

4.12

In het laatst overgelegde overzicht zijn de volgende cijfers opgenomen:

geraamde Kostendekkend-

Hoofdstuk Omschrijving baten lasten Saldo heidspercentage

______________________________________________________________

1. Algemeen 8.150 16.783 - 8.633 48,56 %

2 Bestuursstukken 4.000 8.392 - 4.392 47,67 %

3 Burgerlijke stand 197.533}

4 Gem basisadm 10.203} 892.521 - 44.140 95,05 %

persoonsgegevens

5 Identiteitsbewijzen 640.645}

en rijbewijzen

6 Bouwvergunningen 1.530.317 1.383.744 146.573 110,59 %

7 Kadaster 1.000 5.713 - 4.713 17,50 %

8 Overige stukken 190.983 304.327 - 113.344 62,76 %

_______________________________________________________________________

Totaal 2.582.831 2.611.481 - 28.650 98,90 %

Hieruit volgt dat – volgens dit overzicht – in 2008 de lasten de baten zullen overtreffen met een bedrag van € 28.650.

4.13

Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde 'lasten ter zake' hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Indien de belanghebbende één of meer posten in de raming in twijfel trekt dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen. Indien de belanghebbende niet stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de vraag te beantwoorden of, uitgaande van de niet bestreden feiten, de gemeente de opbrengsten in redelijkheid op de geraamde bedragen heeft kunnen ramen en of de desbetreffende lasten kunnen worden aangemerkt als een 'last ter zake'. Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden (vgl. Hoge Raad 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, het onderhavige verwijzingsarrest en het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777 ).

4.14

Het in de vorige overweging bedoelde inzicht kan, zoals hiervoor reeds is geoordeeld, worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder gegevens die niet zijn bekendgemaakt ten tijde van de vaststelling van de verordening (zie het in 4.6 genoemde arrest).

4.15

Belanghebbende heeft steeds, reeds in bezwaar en vervolgens ook in elke fase van de daarop volgende beroepsprocedure, in de eerste plaats gesteld dat niet kan worden beoordeeld of de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet is overschreden omdat ieder inzicht in de geraamde baten ontbreekt. Zij stelt dat uit het verwijzingsarrest weliswaar voortvloeit dat de gemeente geen exacte aantallen en bedragen hoeft te vermelden maar dat het niet volstaat dat de gemeente in het geheel geen cijfers overlegt. Zij trekt de geraamde baten in twijfel onder verwijzing naar de in het recente verleden door de gemeente gerealiseerde cijfers. Blijkens de opgemaakte rekeningen over de jaren 2006 en 2007 waren de opbrengsten respectievelijk € 348.000 en € 864.000 hoger dan geraamd. In haar ter zitting van het Hof voorgedragen pleitnota heeft belanghebbende de ontvangsten aan bouwleges opgenomen die in 2005, 2006 en 2007 zijn gerealiseerd, te weten € 2.270.000, € 2.851.000 en € 2.366.000. Een raming van de opbrengst op € 2.500.000 in plaats van de in stukken van de heffingsambtenaar opgenomen ruim € 1.500.000 had meer voor de hand gelegen, aldus belanghebbende. Voorts heeft zij erop gewezen dat de geraamde leges die verband houden met de diensten die worden verricht ter secretarie, voor het jaar 2008 (naar het Hof begrijpt) € 200.000 lager liggen dan het gemiddelde van de voorafgaande drie jaren.

4.16

De heffingsambtenaar heeft deze door belanghebbende genoemde cijfers niet bestreden. Hij heeft ter zitting verklaard niet over concrete gegevens te beschikken die kunnen worden overgelegd. Door de gemeente Heerlen worden de baten jaarlijks op ongeveer € 1.500.000 geraamd. Indien concrete grote objecten gepland zijn, wordt daarmee rekening gehouden. De heffingsambtenaar stelt dat ook met de jaren vóór 2005 rekening moet worden gehouden en dat een stijgende lijn in de werkelijke opbrengsten uiteindelijk zal worden vertaald in een stijging van de geraamde baten. Uit de daling van de opbrengsten in 2009 en latere jaren blijkt naar zijn mening dat de raming terecht niet op een hoger bedrag is gesteld.

4.17

Naar het oordeel van het Hof neemt het in 4.4 geciteerde oordeel van de Hoge Raad omtrent de bewijslast niet weg dat van de heffingsambtenaar, ook voor wat betreft de raming van de baten, mag worden verwacht dat hij de bij belanghebbende aanwezige twijfel die concreet is onderbouwd met feiten, naar vermogen wegneemt door het vermelden van gegevens die de raming of de op de begroting terug te voeren cijfers onderbouwen. Met belanghebbende is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar met hetgeen hij heeft aangevoerd geen enkel, althans onvoldoende inzicht heeft gegeven in de geraamde baten. De enkele stelling dat de gemeente haar baten consistent raamt en dat stijgingen of dalingen, zij het met enige vertraging, daarin automatisch naar voren komen is daartoe onvoldoende. Ook indien van een gemeente, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld, geen zekerheid of een volledig inzicht kan worden verlangd ten aanzien van het aantal of de aard en omvang van de naar verwachting te verlenen diensten en de daarbij behorende heffingsmaatstaven en een gemeente voorzichtigheid mag betrachten bij het ramen van legesopbrengsten te dier zake, mag van haar worden verlangd dat zij op een concrete en navolgbare wijze inzicht verschaft in de feiten die hebben geleid tot de raming. Dat geldt ook als daarbij grote marges mogen worden aangehouden. Immers, pas dan kan een oordeel worden gegeven of de raming en de daarbij gehanteerde voorzichtigheid de toets van de redelijkheid kan doorstaan. Dat die toets alsdan slechts marginaal kan zijn zoals uit het geciteerde oordeel van de Hoge Raad volgt, doet daaraan niet af. Evenmin doet daaraan af dat na het intreden van de crisis het bouwvolume en daarmee de opbrengsten van de bouwleges aanzienlijk zijn gedaald, nu nergens uit blijkt dat reeds ten tijde van de ramingen daarvoor aanwijzingen bestonden.

4.18

Nu de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de geraamde baten wordt aan de vraag of van de heffingsambtenaar nader bewijs kan worden verlangd, niet meer toegekomen. Gelet op hetgeen belanghebbende, niet weersproken door de heffingsambtenaar, omtrent de baten naar voren heeft gebracht is het naar het oordeel van het Hof bepaald niet uitgesloten dat, uitgaande van de in 4.12 genoemde cijfers, reeds bij een relatief geringe toename de baten de lasten met meer dan tien percent overschrijden. Dit leidt het Hof tot de gevolgtrekking dat de Verordening ten aanzien van belanghebbende buiten toepassing moet worden gelaten. Omdat voor de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, de Verordening als één geheel moet worden beoordeeld en belanghebbende de gehele legesaanslag heeft bestreden, geldt dit niet alleen voor het deel van de aanslag dat betrekking heeft op de bouwkosten maar ook voor de delen die verband houden met de welstandsaanvraag en de vrijstellingen. De door belanghebbende eveneens opgeworpen vraag of de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven in de lasten, kan onbeantwoord blijven.

4.19

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft gegeven in de raming van de baten, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de opbrengstlimiet is overschreden.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Kosten

De door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch uitgesproken kostenveroordeling ten bedrage van € 2.288,50 is door belanghebbende in cassatie niet bestreden zodat het Hof van de juistheid daarvan uitgaat. Over de proceskosten van de cassatieprocedure heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld. Het Hof berekent de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van belanghebbende voor de procedure na verwijzing, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (conclusie na verwijzing en nadere zitting) maal € 490 maal factor 1, ofwel op € 490. Het in totaal te vergoeden bedrag bedraagt derhalve € 2.778,50.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,

- vernietigt de aanslag bouwleges,

- gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoedt het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van - in totaal - € 751, en

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.778,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 24 november 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 november 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.