Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8802

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
200.167.835
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging uitspraak voorzieningenrechter (ECLI:NL:RBGEL:2015:2080) ter zake de uitleg van het in de franchiseovereenkomst opgenomen concurrentiebeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2298

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.167.835

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 277206)

arrest in kort geding van 10 november 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Passage Holding B.V.,

gevestigd te Ede,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Passage Uitvaartverzorging B.V.,

gevestigd te Ede,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Passage Uitvaartverzorging Veenendaal B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

4. [appellante],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. A.P.J. Blokland,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Yarden Franchise B.V.

gevestigd te Almere,

geïntimeerde,

hierna: Yarden,

advocaat: mr. A.E. van den Heuvel.

Appellante sub 1 zal hierna De Passage Holding, appellante sub 2 De Passage Ede, appellante sub 3 De Passage Veenendaal, appellante sub 4 [appellante] en appellanten gezamenlijk zullen De Passage c.s. worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van13 februari 2015 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen. Het vonnis is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBGEL:2015:2080.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 maart 2015,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.16 van het (bestreden) vonnis van 13 februari 2015.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Yarden heeft in eerste aanleg (in conventie) kort samengevat gevorderd dat De Passage c.s. (hoofdelijk) worden veroordeeld:

a. Tot het per direct staken en tot 1 december 2015 gestaakt houden van de in artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst bedoelde activiteiten, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag tot een maximum van € 100.000,--;

b. Tot het staken en gestaakt houden tot 1 december 2015 van het gebruik van en de verwijzing naar de Website ter aanduiding van de Passage, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag tot een maximum van € 100.000,--;

c. Er zorg voor te dragen dat [appellante] het non-concurrentiebeding dat De Passage met haar is overeengekomen op grond van artikel 14.4 van de franchiseovereenkomst naleeft, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag tot een maximum van

€ 100.000,--;

d. Tot het staken en gestaakt houden tot 1 december 2015 van iedere overtreding van het relatiebeding in artikel 14.5 van de franchiseovereenkomst, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag tot een maximum van € 100.000,--;

e. Tot het per direct te staken en gestaakt te houden van het gebruik van de (handels-) naam Yarden en het beeldmerk Yarden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag tot een maximum van € 100.000,--;

f. Tot het bij wijze van voorschot betalen van de tot op heden verbeurde direct opeisbare boete van € 53.500,-- vanwege overtreding van artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst;

g. Tot het bij wijze van voorschot betalen van de tot op heden verbeurde direct opeisbare boete van € 53.500,-- vanwege overtreding van de artikelen 22.1 en 22.2 van de franchiseovereenkomst,

met hoofdelijke veroordeling van De Passage c.s. in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over de kosten.

4.2

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 13 februari 2015 de vorderingen van Yarden toegewezen, met uitzondering van het onder 4.1 sub c en f gevorderde en het jegens [appellante] onder 4.1 sub d en e gevorderde.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Het spoedeisend belang van Yarden Franchise blijkt voldoende uit de stellingen van partijen.

5.2

Het geschil in hoger beroep betreft (slechts) de vraag naar de uitleg van het in artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst opgenomen concurrentiebeding (“Franchisenemer zal gedurende een periode van één (1) jaar na beëindiging van de overeenkomst in het verzorgingsgebied, aangegeven in artikel 2 van deze overeenkomst, niet direct of indirect betrokken zijn bij een bedrijf of financiële dan wel andere zakelijke belangen hebben bij açtiviteiten die soortgelijk zijn aan de door franchisenemer in het kader van deze overeenkomst uitgeoefende activiteiten en/of de Yarden·formule.”).

De grieven van De Passage c.s. richten zich namelijk slechts in de kern tegen de veroordeling door de voorzieningenrechter onder 5.1 van het bestreden vonnis. De voorzieningenrechter heeft daarin De Passage c.s. veroordeeld om het verrichten van iedere soortgelijke activiteit als bedoeld in artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst binnen het verzorgingsgebied en/of van iedere (in)directe (financiële en/of zakelijke) betrokkenheid bij een onderneming die in het verzorgingsgebied soortgelijke activiteiten als bedoeld in artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst verricht, waaronder in ieder geval maar niet beperkt tot betrokkenheid - als commercieel directeur of op andere wijze - bij De Vallei en de (onder)verhuur van de Afscheidshuizen (locaties Veenendaal en Ede) aan De Vallei per direct en tot I december 2015 te staken en gestaakt te houden.

Volgens De Passage c.s. (memorie van grieven, punt 16) had de voorzieningenrechter de veroordeling onder 5.1 niet in die vorm mogen toewijzen. Hij is bij het uitspreken van die veroordeling te absoluut geweest in de omvang van die veroordeling en heeft daarbij uit het oog verloren dat een non-concurrentiebeding weliswaar erop gericht moet zijn dat het bedrijfsdebiet van Yarden niet wordt aangetast, maar niet bedoeld is om indirecte vormen van concurrentie door derden te verhinderen en niet bedoeld is om [appellante] in haar arbeidskeuze te veel te belemmeren.

Meer concreet stellen De Passage c.s. dat de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat:

  1. Artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat daaronder valt het verzorgen van uitvaarten binnen het verzorgingsgebied, ook wanneer de overledene zijn laatste woonplaats buiten het verzorgingsgebied heeft gehad (grief 1);

  2. De door hem voorgestane uitleg van artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst gerechtvaardigd wordt door de overweging dat er sprake zou zijn van concurrentie met de Yarden-franchisenemer binnen het verzorgingsgebied en een andere uitleg van artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst het non-concurrentiebeding onhanteerbaar zou maken (grief 2);

  3. [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld door in dienst te treden van De Vallei B.V. (grief 3);

  4. Onder de verboden betrokkenheid conform artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst mede moet worden verstaan de (onder)verhuur van de Afscheidshuizen (locaties Veenendaal en Ede) aan De Vallei B.V. (grief 4);

  5. Tot de krachtens artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst verboden activiteiten moet worden gerekend “iedere (in)directe (financiële en/of zakelijke) betrokkenheid bij een onderneming, die in het verzorgingsgebied soortgelijke activiteiten verricht (grief 5).

5.3

Yarden heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

5.4

Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken en beoordeelt hen als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bij de uitleg van een beding als artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst aankomt op hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).

Het hof is, evenals de voorzieningenrechter, voorlopig van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 14.3 meebrengt dat De Passage Holding, De Passage Uitvaartverzorging en De Passage Veenendaal geen uitvaarten mogen verzorgen van personen die binnen het verzorgingsgebied hun laatste woonplaats hebben gehad en ook geen uitvaarten mogen verzorgen in het verzorgingsgebied, ook niet wanneer de overledene buiten het verzorgingsgebied zijn laatste woonplaats heeft gehad. De voor De Passage c.s. kenbare strekking van het concurrentiebeding is immers dat (de achterblijvende c.q. opvolgende franchisenemers van) Yarden gedurende een jaar na beëindiging van de franchiseovereenkomst geen concurrentie ondervindt/ondervinden van de vertrekkende franchisenemer. Van concurrentie is sprake indien een vertrekkende franchisenemer na zijn of haar vertrek activiteiten verricht die de andere (achterblijvende c.q. opvolgende ) franchisenemers/Yarden ook kunnen/kan verrichten en/of indien de vertrekkende franchisenemer bij die activiteiten betrokken is in praktische of financiële zin. In al die gevallen fungeert de vertrokken franchisenemer immers als concurrent van de andere (achterblijvende c.q. opvolgende) franchisenemers/Yarden.

Het verrichten of betrokken zijn bij een uitvaart in het verzorgingsgebied van een overledene die zijn laatste woonplaats buiten het verzorgingsgebied had, valt daarom voorshands te beschouwen als een concurrerende activiteit. Het is immers een activiteit die De Passage Holding, De Passage Ede en De Passage Veenendaal (ook) als franchisenemer verzorgden en die de andere c.q. opvolgende franchisenemers in het verzorgingsgebied ook (kunnen) verrichten. Hetzelfde geldt om die reden ook voor het (onder-)verhuren van de opbaarlocaties in de Afscheidshuizen.

Daarbij komt nog dat De Passage c.s. (daarbij vertegenwoordigd door hun bestuurder [appellante]) tijdens het door Yarden vermelde gesprek in februari 2014 nog eens expliciet zijn gewezen op de juridische consequenties van een eventueel vertrek als franchisenemer. Uit het (niet bestreden) gespreksverslag (productie 8 bij inleidende dagvaarding) blijkt dat Yarden [appellante] (in punt 11) heeft gewezen op het non-concurrentiebeding en daarbij heeft opgemerkt dat ook het onderverhuren van de huidige opbaarlocaties van [appellante] valt onder het hebben van financiële of andere zakelijke belangen en dat soortgelijke activiteiten ook uitvoering van uitvaarten inhouden, ongeacht waar de klant (dat wil zeggen: de overledene) vandaan komt. Uit het gespreksverslag volgt niet dat [appellante] het destijds niet met die uitleg van het non-concurrentiebeding eens was. Bij de opmerking dat onderverhuur van de huidige opbaarlocaties staat zelfs vermeld dat [appellante] aangeeft dat zij dit artikel (bedoeld is kennelijk ten aanzien van het non-concurrentiebeding, opmerking hof) ook zo had begrepen.

Het hof kan het bezwaar van de hiervoor onder 5.2 sub e weergegeven grief 5 van De Passage c.s. niet volgen, nu de geciteerde passage vooralsnog direct lijkt te volgen uit de tekst van het concurrentiebeding en de juistheid daarvan in ieder geval volgt uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.

5.5

Het hof deelt verder ook het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het door [appellante] verrichten van concurrerende activiteiten, in de context van de artikelen 14.3 en 14.4 van de franchiseovereenkomst, onrechtmatig is te achten nu [appellante] als (indirect) bestuurder van de Passagevennootschappen zelf heeft bewerkstelligd dat het non-concurrentiebeding (kennelijk) niet in haar arbeidsovereenkomst met de Passagevennootschappen is opgenomen, alsmede het oordeel dat het niet aanvaardbaar is dat [appellante] door zichzelf dit non-concurrentiebeding niet op te leggen, in strijd met de verplichting daartoe, na het einde van de franchiseovereenkomst haar gang kan gaan met concurrerende activiteiten, terwijl zij degene was die onder de mantel van de Passagevennootschappen feitelijk de franchiseformule van Yarden exploiteerde. Nu [appellante] als commercieel directeur in dienst is getreden bij De Vallei, die blijkens de website ook handelt onder de naam van [appellante] Uitvaartzorg en ook uitvaartdiensten aanbiedt in het verzorgingsgebied en aldus dezelfde activiteiten ontplooit als bedoeld in artikel 14.3 van de franchiseovereenkomst, is het ook volgens het hof voldoende aannemelijk dat [appellante] onrechtmatig jegens Yarden Franchise handelt. [appellante] had dan ook niet in dienst van De Vallei mogen treden. Daaraan doet niet af dat zij bij De Vallei expliciet zou hebben bedongen dat zij zich niet zou bezighouden met activiteiten binnen het verzorgingsgebied van Yarden aangezien de naleving van zo’n beding nu eenmaal in feite oncontroleerbaar is. Ook is het haar niet toegestaan om, zolang het non-concurrentiebeding met de Passagevennootschappen van toepassing is, deze activiteiten zelf te ontplooien. De vorderingen tot het staken van concurrerende activiteiten zijn daarom ook terecht jegens [appellante] toegewezen.

5.6

Nu het non-concurrentiebeding zich beperkt tot het verzorgingsgebied van de vertrekkende franchisenemer, wordt deze na beëindiging van de franchiseovereenkomst vooralsnog niet te veel belemmerd in zijn of haar arbeidskeuze. Buiten het verzorgingsgebied is het de vertrekkende franchisenemer immers wel toegestaan om soortgelijke activiteiten te verrichten.

6 De slotsom

6.1

De grieven 1 tot en met 5 falen, hetgeen eveneens geldt voor de daarop voortbouwende grief 6. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2

Als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij zijn De Passage c.s. terecht in de kosten van de eerste aanleg veroordeeld, zodat grief 7 faalt, en zullen zij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Yarden zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.160,--

subtotaal verschotten € 5.160.--

- salaris advocaat € 894,-- (1 punt x tarief II)

Totaal € 6.054,--

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 februari 2015;

veroordeelt De Passage c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Yarden vastgesteld op € 5.160,-- voor verschotten en op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt De Passage c.s. in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval De Passage c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.C. Frankena en D. Stoutjesdijk, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.