Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8800

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
200.175.897
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging van machtiging uithuisplaatsing. Verzoek om onafhankelijk diagnostisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.175.897

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 389573)

beschikking van de familiekamer van 19 november 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Capelle aan den IJssel,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de moeder,

en

[belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de tante,

advocaat: mr. M. Erkens te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, verder te noemen: de kinderrechter, van 22 mei 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 4 tot en met 7, ingekomen op 15 augustus 2015;

- het verweerschrift met ongenummerde producties, ingekomen op 21 september 2015;

- een journaalbericht van mr. Scheele van 3 september 2015 met producties 8 tot en met 10, ingekomen op 4 september 2015;

- een journaalbericht van mr. Scheele van 5 oktober 2015 met als productie de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 april 2015, ingekomen op 6 oktober 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 9 oktober 2015 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is [vertegenwoordiger van de raad] verschenen. Namens de GI is [vertegenwoordiger van de stichting], jeugdbeschermer, verschenen. Namens de tante is verschenen haar advocaat. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de moeder niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en de moeder is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] geboren [kind], verder te noemen [kind]. De vader en de moeder zijn bij, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 20 juli 2015 van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, ontheven uit het gezag met benoeming van de GI tot voogd. De vader heeft aangegeven hoger beroep tegen deze beschikking in te stellen.

3.2

[kind] staat sinds 26 april 2010 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, die de maatregel liet uitvoeren door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, welke laatste stichting de maatregel met ingang van

1 januari 2015 uitvoert als gecertificeerde instelling.

3.3

Sinds het uiteengaan van de ouders in 2009 heeft [kind] eerst bij haar moeder (en halfbroer) verbleven. Vervolgens is zij geplaatst in een crisispleeggezin (mei 2010). Daarna heeft zij bij de vader (aansluitend in mei 2010) verbleven, waarna zij in september 2011 weer bij de moeder is geplaatst.

3.4

Bij beschikking van 4 januari 2012 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] verleend in een netwerkpleeggezin, oom en tante (vaderszijde), welke machtiging nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 26 april 2015.

3.5

Bij beschikking van 23 februari 2015 heeft de kinderrechter de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [kind] naar een neutraal pleeggezin (verblijf pleeggezin 24 uur). [kind] verblijft sinds 2 april 2015 in een neutraal pleeggezin.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 22 mei 2015 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [kind] met ingang van 24 mei 2015 tot

26 oktober 2015 verlengd en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor pleegzorg eveneens verlengd, met ingang van 24 mei 2015 tot 26 oktober 2015.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind]. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, (het hof begrijpt) voor wat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] betreft, en deze zaak in zoverre opnieuw te behandelen waarbij de vader het hof verzoekt op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een onafhankelijk en objectief diagnostisch onderzoek te gelasten. De onderzoeksvraag voor de onderzoeker dient te zijn of de vader voldoende opvoedkundige en verzorgende vaardigheden heeft ten opzichte van [kind] om thuisplaatsing bij hem te kunnen realiseren dan wel te gronden.

4.2

De GI heeft verweer gevoerd. De GI verzoekt het hof het de vader in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel diens verzoek in het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 26 oktober 2015 verstreken. Gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn gezinsleven, heeft de vader een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 24 mei 2015 tot 26 oktober 2015 te laten toetsen en behoort aan hem niet zijn procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

5.2

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.3

De vader kan zich met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] niet verenigen. De vader stelt dat geen sprake is van een noodzaak tot uithuisplaatsing van [kind], want [kind] kan namelijk direct bij hem worden geplaatst. De vader voert aan dat meerdere professionals over de jaren heen positief over hem hebben geoordeeld en hij wel degelijk in staat is [kind] op te voeden en te verzorgen. De vader is in staat om hulpverlening te accepteren bij een thuisplaatsing. [kind] heeft weekenden bij de vader mogen logeren en dat ging goed. De vader verzoekt het hof een deskundigenrapport te gelasten ex artikel 810a lid 2 Rv, omdat de GI zonder enig onafhankelijk deskundig onderzoek allerlei aannames doet over [kind], over hem en over de opvoedings- en verzorgingsmogelijkheden tussen hem en [kind], aldus de vader. Volgens de vader staat het raadsrapport van 24 december 2014 haaks op de eerdere rapportages waaruit blijkt dat de vader wel degelijk in staat is (al dan niet met hulp) [kind] op te voeden en te verzorgen.

5.4

De GI heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.5

Het hof zal eerst het beroep van de vader op artikel 810a lid 2 Rv beoordelen. De vader heeft op grond van dit artikel verzocht om een deskundige te benoemen en deze deskundige nader onderzoek te laten verrichten naar de vraag of de vader voldoende opvoedkundige en verzorgende vaardigheden heeft betreffende [kind] om thuisplaatsing bij hem te kunnen realiseren.

5.6

Op grond van artikel 810a lid 2 Rv benoemt de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Het hof verstaat dit artikel aldus dat het ook ziet op een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een ondertoezichtstelling, maar waarin een geschil bestaat over het voortduren van een uithuisplaatsing van de minderjarige.

5.7

Het hof is van oordeel dat het onderhavige verzoek van de vader om de navolgende redenen niet kan worden toegewezen. Het hof dient te beoordelen of de door de kinderrechter over de periode van 24 mei 2015 tot 26 oktober 2015 verleende machtiging uithuisplaatsing van [kind] terecht is verleend. Gelet op de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, was de uithuisplaatsing van [kind] in het pleeggezin in voormelde periode in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind] nog steeds noodzakelijk, zoals hierna onder 5.8 blijkt. Een deskundigenonderzoek zoals door de vader verzocht en dat ziet op de mogelijkheden van thuisplaatsing in de toekomst bij de vader zal dan ook niet mede kunnen leiden tot een beslissing van de zaak zoals die thans aan het hof voorligt.

5.8

Er bestonden en bestaan grote zorgen over de ontwikkeling van [kind] op verschillende gebieden. Uit het psychodiagnostisch onderzoek van [kind], welk onderzoek plaatsvond op 10 en 17 november 2014, blijkt dat [kind] een meisje is met beperkte(re) cognitieve capaciteiten en achterstanden op meerdere gebieden, waaronder haar taalontwikkeling. Door haar voorgeschiedenis (van meerdere overplaatsingen en verbaal huiselijk geweld tussen de ouders) is [kind] beschadigd geraakt, hetgeen haar heeft gemaakt tot een sociaal en emotioneel oppervlakkig en kwetsbaar meisje. [kind] toont in haar gedrag signalen die duiden op affectieve verwaarlozing. Zo kan [kind] bijvoorbeeld geen genoeg krijgen van individuele aandacht, maar gaat zij geen wederkerigheid in contacten met anderen aan. Ook toont zij weinig diepgang in emoties en laat ze weinig emoties zien. Daarnaast toont [kind] in haar gedrag ook signalen van pedagogische verwaarlozing. Zo zoekt [kind] grenzen in het contact met anderen, maar kan zij deze grenzen maar moeizaam accepteren wanneer zij haar geboden worden. In drukke, ongestructureerde situaties of in aanwezigheid van drukke kinderen raakt [kind] ontremd in haar gedrag. Zij heeft dan niet de interne structuur en regelgeving om zichzelf te begrenzen en te structureren. [kind]’s sociale ontwikkeling loopt verstoord. Uit het onderzoek komt naar voren dat [kind] zich sociaal niet geaccepteerd voelt door andere kinderen. Zij noemt herhaaldelijk dat zij gepest wordt. [kind] beschikt over onvoldoende vaardigheden om ruzies op te lossen. Conflicten met andere kinderen beangstigen haar en weet zij niet te hanteren. [kind]’s emotionele ontwikkeling verloopt eveneens zorgelijk. [kind] heeft niet geleerd hoe zij emoties adequaat kan uiten en/of hanteren. Dit heeft [kind] emotioneel vlak gemaakt. Voor een meisje dat op grond van affectieve verwaarlozing al zoveel moeite heeft om haar emoties te hanteren en te uiten, is de emotionele belasting die zij ervaart op grond van de ruzies tussen de vader, de moeder en de tante desastreus. De gevoelens van eenzaamheid en verdriet die [kind] door deze ruzies zo opvallend sterk ervaart, zijn voor [kind] onmogelijk te hanteren. Om deze emoties uit de weg te gaan en niet te hoeven ervaren, probeert [kind] haar aandacht en tijd zo nauwkeurig mogelijk, gelijk te verdelen over de vader, de moeder en de tante, zodat er geen nieuwe ruzie kan ontstaan. Zij wordt emotioneel overbelast en bevindt zich in een (emotionele overbelastend) loyaliteitsconflict ten aanzien van de vader, de moeder en de tante, zo blijkt uit het psychodiagnostisch onderzoek.

De GI heeft op de zitting verklaard dat [kind] haar plek heeft gevonden binnen het pleeggezin en dat het ook goed gaat op school. [kind] ervaart meer rust en dat is een positieve ontwikkeling. Het hof is, met de raad, van oordeel dat het voor [kind] van belang is dat zij kan opgroeien in een neutraal en veilig opvoedingsklimaat, van waaruit zij zowel met de vader als met de moeder en de tante een positief contact kan hebben, zonder dat ze zich schuldig hoeft te voelen richting de vader, de moeder en de tante.

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de vader aanvoert, de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikking en ook in de daarop volgende (te beoordelen) periode tot 26 oktober 2015.

5.9

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 22 mei 2015;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.P.M. van den Dungen, A. Smeeïng-van Hees en

E.H. Schulten, en is op 19 november 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.