Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8795

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
200.173.558
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Besluit college ex 2.3 Jw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.173.558

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 283505)

beschikking van de familiekamer van 19 november 2015

inzake

[verzoekster] en

[verzoeker],

beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder en de vader, respectievelijk de ouders,

advocaat: mr. M. Erkens te Rotterdam,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Zutphen,

verder te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 juni 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 17 juli 2015;

- het verweerschrift, ingekomen op 10 augustus 2015;

- de brief van de GI van 31 juli 2015, ingekomen op 4 augustus 2015;

- een journaalbericht van 17 augustus 2015 van mr. Erkens met producties 10 en 11.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 september 2015 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is [A] verschenen. Hoewel de GI bij voormelde brief van 31 juli 2015 heeft aangekondigd dat mevrouw [B] de mondelinge behandeling zal bijwonen en informatie zal verstrekken omtrent de stand van zaken rondom de uitvoering van de ondertoezichtstelling, is namens de GI niemand verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders is [kind 1] (verder te noemen: [kind 1] ) geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [kind 1] .

3.2

Naast [kind 1] heeft moeder nog een minderjarig kind uit een eerdere relatie: [kind 2] (verder te noemen: [kind 2] ), geboren op [geboortedatum] 2005.

De moeder heeft voorts uit een eerdere relatie een meerderjarige zoon, [kind 3] genaamd, die bij zijn vader woont.

3.3

Bij beslissing van 15 mei 2015, op schrift gesteld bij beschikking van 18 mei 2015, heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op verzoek van de raad [kind 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 mei 2015 tot 15 augustus 2015 en machtiging verleend [kind 1] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 15 mei 2015 voor de duur van vier weken, derhalve tot 12 juni 2015. De kinderrechter heeft de beslissing op het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden in een voorziening voor pleegzorg, voor het overige aangehouden.

3.4

Jeugdbescherming Gelderland, afdeling spoedeisende zorg, gevestigd te Arnhem, heeft op 19 mei 2015 een “Bepaling Jeugdhulp (artikel 3.5 Jeugdwet)” gegeven. Daarin is bepaald dat in het kader van de (voorlopige) ondertoezichtstelling een traject spoedhulp ambulant met verblijf is aangewezen van 15 mei 2015 tot 12 juni 2015.

3.5

Bij “Beschikking Jeugdhulp Montferland” van 19 mei 2015 is beslist dat [kind 1] in aanmerking komt voor pleegzorg (crisisplaatsing), zorg in natura bij Lindenhout, zeven dagen per week, met een geldigheid van 15 mei 2015 tot 15 augustus 2015.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 9 juni 2015 heeft de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 15 augustus 2015 en de beslissing op het verzoek met betrekking tot de definitieve ondertoezichtstelling in afwachting van het onderzoek en het rapport van de raad aangehouden tot de zitting op 4 augustus 2015.

3.7

Bij beschikking van 4 augustus 2015 heeft de kinderrechter op verzoek van de raad [kind 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 augustus 2015 tot 5 augustus 2016 en is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 augustus 2015 tot 5 februari 2016.

3.8

[kind 1] heeft van 20 februari 2015 tot 14 mei 2015 in het gezin van tante vaderszijde (vz) verbleven. Met ingang van 15 mei 2015 is [kind 1] uit huis geplaatst. Sinds 29 mei 2015 verblijft [kind 1] in het pleeggezin waar ze ook thans nog verblijft.

4. De omvang van het geschil

4.1

De ouders zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 juni 2015. Deze grieven beogen het geschil omtrent de uithuisplaatsing in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De ouders verzoeken - naar het hof begrijpt - de bestreden beschikking van 9 juni 2015 ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 15 augustus 2015 te vernietigen en het daartoe strekkende verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 15 augustus 2015 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van hun gezinsleven, hebben de ouders een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 12 juni 2015 tot 15 augustus 2015 te laten toetsen en behoort aan hen niet hun procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

5.2

Ingevolge het sinds 1 januari 2015 geldende artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet (Jw), die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Volgens lid 2 van artikel 1:265b BW kan de machtiging eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie. Blijkens dit tweede lid moet de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie bij zijn verzoek het besluit van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college), bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, Jw overleggen.

5.3

De ouders kunnen zich met de uithuisplaatsing van [kind 1] niet verenigen. Als eerste grief voeren zij aan dat het besluit van het college ex artikel 2.3 lid 1 van de Jw van 19 mei 2015 niet voldoet aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hieraan stelt. In het kader van de jeugdhulpplicht heeft de gemeente bij haar eerdere beschikking van 28 april 2015 bepaald dat de ouders begeleiding, behandeling en deeltijdpleegzorg (een weekend per twee weken pleegzorg) nodig hebben. Het is onduidelijk waarom op 19 mei 2015 de benodigde hulpverlening opeens anders zou moeten zijn, terwijl in de tussenliggende periode door de ouders aan de problematiek is gewerkt en de ouders alleen maar beslissingen hebben genomen in het belang van [kind 1] . Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De enige motivering is een verwijzing naar “uw aanvraag”. In het besluit wordt verwezen naar een verwijzing van een gecertificeerde instelling, maar zo’n verwijzing is er niet. Dit kan op grond van artikel 2.4 lid 2, onder b, Jw maar hier was de GI nog niet bevoegd, aldus de ouders. Los daarvan heeft de gemeente een eigen en zelfstandige plicht tot advisering en onderzoek. De rechtbank heeft aan een en ander ten onrechte geen overweging gewijd, zo betogen de ouders.

5.4

De raad voert hiertegenover aan dat de ouders tegen het besluit van 19 mei 2015 bezwaar hadden behoren te maken bij het college en dat het niet de juiste weg is in de onderhavige procedure de inhoud, voorbereiding en motivering van dat besluit aan de orde te stellen.

5.5

Het hof overweegt ten aanzien van grief 1 als volgt. De raad heeft een besluit van het college ex artikel 2.3 Jw overgelegd, zoals artikel 1:265b lid 2 BW dit vereist. In de bewuste “Beschikking Jeugdhulp Montferland” van 19 mei 2015 is beslist dat [kind 1] in aanmerking komt voor pleegzorg (crisisplaatsing), te weten zorg in natura bij Lindenhout gedurende zeven dagen per week, en dat deze beschikking een geldigheidsduur heeft van 15 mei 2015 tot 15 augustus 2015. Het betreft een besluit waartegen bezwaar en vervolgens beroep op grond van de Awb openstaat. De ouders hebben geen bezwaar gemaakt tegen het besluit bij het college, zodat in de onderhavige procedure van de geldigheid van dat besluit moet worden uitgegaan. Daarmee is grief 1 tevergeefs voorgedragen. Overigens kan worden opgemerkt dat het besluit van het college er niet aan in de weg staat dat het hof de noodzaak van de door de raad verzochte maatregel ten volle toetst. In dat kader behoeven de grieven 2 en 3 bespreking.

5.6

De tweede en de derde grief van de ouders lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De ouders stellen dat de noodzaak om een machtiging uithuisplaatsing te verlenen niet aanwezig was. De conclusie van de raad dat de bodemeisen in de situatie van [kind 1] bij haar ouders niet zijn vervuld, wordt onvoldoende concreet onderbouwd en is onjuist. Ook wordt betwist dat de moeder onvoorspelbaar handelt en de angst voor een ontvoering van [kind 1] of voor een familiedrama was onterecht. De ouders hebben vooraf aangekondigd dat zij [kind 1] zouden ophalen bij haar tante (vz), zij accepteren hulp, er is voldoende professionele ondersteuning in de thuissituatie ingezet en [kind 1] en haar ouders worden door de uithuisplaatsing ernstig beschadigd. Van de door de professionele ondersteuning opgestelde hulpverleningsdoelen was een aantal onderdelen inmiddels behaald. Op een bepaald moment werd de GI in de situatie betrokken en de GI was van mening dat [kind 1] niet terug naar huis kon gaan, terwijl de GI de ouders en [kind 1] nog nooit samen had gezien. De vader heeft niet geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek door de raad. De gang van zaken was dat de moeder het eerste gesprek bij de raad alleen heeft gevoerd en toen heeft aangegeven dat zij vond dat het beter was de vader vanwege zijn sociale angststoornis niet met het onderzoek te belasten. Vervolgens heeft de vader nooit een uitnodiging gekregen van de raad.

5.7

De raad voert verweer en stelt dat de noodzaak voor een uithuisplaatsing wel aanwezig was. Er waren zorgen over de ontwikkeling van [kind 1] en over haar opvoedingssituatie. De draagkracht en draaglast van de ouders was ernstig uit balans. Er was geen sprake van onwil maar van onmacht. De moeder heeft mogelijk PDD-NOS en is getraumatiseerd en bij de vader is mogelijk sprake van ADHD en een problematische psychische gesteldheid. Onvoldoende duidelijk was wat de ouders aan hun persoonlijke problematiek wilden gaan doen. Het is noodzakelijk dat de ouders meer openheid geven over hun persoonlijk functioneren en zij moeten werken aan vermindering van hun persoonlijke problematiek, voordat gewerkt kan worden aan een terugplaatsing van [kind 1] . Door de uithuisplaatsing wordt [kind 1] niet meer belast met de problematiek van haar ouders en kan zij tot rust komen. Dit heeft een positieve uitwerking op haar ontwikkeling. Een termijn van zes maanden is nodig om duidelijk te krijgen of de ouders weer voldoende stabiel in het leven staan en zelf weer voor [kind 1] kunnen gaan zorgen. Ook voor de hechtingsontwikkeling bij [kind 1] is het van belang dat binnen een afzienbare periode duidelijk wordt hoe haar toekomstperspectief er uit zal zien.

5.8

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders de huidige situatie toegelicht. Het gaat volgens hen goed met [kind 1] en zij richten zich met de professionele ondersteuning op het onderhouden en het uitbreiden van de contacten. Met ingang van september 2015 komt [kind 1] één dag per week van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de ouders thuis. De jeugdbeschermer mevrouw [B] haalt en brengt [kind 1] en geeft adviezen. Na drie keer één dag zal [kind 1] drie keer van maandag 10.00 uur tot dinsdag 10.00 uur op bezoek komen. Indien dat goed verloopt, zal [kind 1] vervolgens van maandag tot vrijdag bij de ouders gaan verblijven. Zeer recent heeft de kinderrechter geoordeeld dat de situatie bij de ouders voor [kind 2] goed genoeg is en beslist dat [kind 2] weer bij hen kan gaan wonen. De ouders zijn erg blij met deze ontwikkelingen. Zij vinden dat zij nu de kans moeten krijgen te laten zien dat zij in staat zijn zelf voor de kinderen te zorgen. Twee nieuwe medewerkers van de organisatie Siza zullen de ouders gaan ondersteunen. De ene ondersteuner zal zich richten op praktische zaken, zoals het structureren van het huishouden, en de ander zal zich meer gaan richten op de opvoeding en ontwikkeling van de kinderen. De vader is onder behandeling bij GGNet. Bekeken wordt wat nodig is met betrekking tot zijn sociale angststoornis. De moeder start in oktober 2015 met ondersteuning door het Dr. Leo Kannerhuis. Ze zal tips en trucs aangereikt krijgen om gemakkelijker met haar stoornis in het autistische spectrum om te kunnen gaan en zij staat op de wachtlijst voor EMDR-therapie.

De vertegenwoordiger van de raad heeft verklaard dat de recente ontwikkelingen en de snelle uitbreiding van de omgang zeer positief zijn, maar dat de machtiging tot uithuisplaatsing wel noodzakelijk was.

5.9

Het hof overweegt ten aanzien van grief 2 en 3 als volgt.

5.9.1

Het hof is, anders dan de ouders, van oordeel dat uit het feit dat op dit moment sprake is van een snelle uitbreiding van het contact tussen hen en [kind 1] en de terugkeer van [kind 2] niet kan worden afgeleid, dat de uithuisplaatsing destijds niet nodig was. Nadat de kinderbeschermingsmaatregelen zijn genomen, heeft de situatie bij de ouders zich positief ontwikkeld. De ouders laten de hulpverlening thans weer toe en hebben voldoende energie en kracht om te werken aan hun persoonlijke problematiek. Deze veranderingen zijn in het belang van [kind 1] en vergroten de mogelijkheden voor een terugplaatsing van [kind 1] .

5.9.2

Uit de stukken in eerste aanleg en hoger beroep, waaronder het rapport van de raad en het rapport van Siza van 3 juni 2015, kan naar het oordeel van hof worden afgeleid dat de ouders ten tijde van het verzoek van de raad in mei 2015 onvoldoende in staat waren om [kind 1] te verzorgen en op te voeden. Uit het verslag van Siza van 3 juni 2015 blijkt dat vanaf 27 januari 2015 twee hulpverleners zijn ingezet voor tien uur per week. Er waren gemiddeld vier huisbezoeken per week. Geconstateerd werd dat [kind 1] buitengewoon stil, passief en teruggetrokken was. Naarmate de verhuisdatum in februari dichterbij kwam werd het de ouders lichamelijk en emotioneel te veel en werd in goed overleg besloten [kind 1] direct na de verhuizing bij tante (vz) onder te brengen. In maart was de ondersteuning vooral gericht op het op orde brengen van de nieuwe woning van de ouders. De ouders raakten echter steeds verder lichamelijk en emotioneel overbelast. De vader had last van depressieve gedachten en schuldgevoelens en er was sprake van dagelijks urenlang gamen, dagelijks blowen en contactmijdend gedrag. Bij de moeder is sprake van een onverwerkt trauma rondom de geboorte van [kind 1] en zij kampt dagelijks met schuld- en faalgevoelens. Daarom was de ondersteuning na de verhuizing voornamelijk gericht op de emotionele ondersteuning van de ouders. Er was daarnaast geen ruimte om nog te werken aan doelen met betrekking tot de opvoedingssituatie voor [kind 1] . Vervolgens bleek volgens Siza dat de ouders onvoldoende in staat waren de geplande thuiskomst van [kind 1] goed voor te bereiden. Er waren zorgen dat de vader een wanhoopsdaad zou verrichten.

Uit de behandeling ter zitting en uit de overlegde stukken is gebleken dat de ouders, nadat zij bemerkten dat de hulpverlening en de GI van mening waren dat [kind 1] niet terug naar huis kon, mogelijk met een aankondiging vooraf maar in elk geval zonder dit te hebben overlegd, [kind 1] op 14 mei 2015 bij tante (vz) hebben opgehaald. Er ontstond door deze handeling van de ouders een crisissituatie, in verband waarmee de politie de ouders heeft bezocht en de ouders zich schuil probeerden te houden. Ondanks het feit dat de ouders vanaf eind januari 2015 een behoorlijk aantal uren per week ondersteuning hebben ontvangen, was de persoonlijke problematiek van de ouders in mei 2015 dermate ernstig dat zij daardoor onvoldoende emotionele beschikbaar konden zijn voor [kind 1] . Tevens was ten gevolge van die problematiek sprake van onvoldoende structuur in de thuissituatie om te kunnen voorzien in de basisbehoeften van [kind 1] . Een uithuisplaatsing van [kind 1] op 15 mei 2015 was daarom noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat daarin verandering was gekomen ten tijde van de bestreden machtiging van 9 juni 2015 dan wel in de loop van de periode waarvoor die machtiging is verleend, te weten de periode tot 15 augustus 2015.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zijn alle grieven tevergeefs voorgedragen. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 juni 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T.M. Blankestijn, M.L. van der Bel en P.M.M. Mostermans, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is op 19 november 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.