Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8744

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
15/00123
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:8015, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. Vertrouwensbeginsel. Toezegging? Bijstand door deskundigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2528
Belastingblad 2016/36 met annotatie van M.P. van der Burg
V-N 2016/9.19.7
FutD 2015-2888
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00123

uitspraakdatum: 17 november 2015

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 december 2014, nummer AWB 14/4785, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende zijn door de heffingsambtenaar leges in rekening gebracht ten bedrage van €4.954,30 ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de in rekening gebrachte leges gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 december 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015 te Arnhem. Belanghebbende is zonder kennisgeving niet ter zitting verschenen. Belanghebbende is voor de zitting uitgenodigd bij aangetekend schrijven van 7 juli 2015. Voor de ontvangst van deze brief is op 9 juli 2015 getekend. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [A] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 15 oktober 2012 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van het bestemmingsplan en voor het verbouwen van het pand [a-straat] 64 en 66 te [B] . Het daartoe van de zijde van de gemeente ter beschikking gestelde en door belanghebbende gebruikte aanvraagformulier betreft zowel de (in één geschrift vervatte) aanvraag voor een bestemmingsplanwijziging (een zogenoemde functiewijziging van het pand) alsook de aanvraag voor een bouwvergunning.

2.2

Belanghebbende was met de gemeente Nijmegen in onderhandeling omtrent de vraag tot welke bedrag hij diende bij te dragen in de kosten die de gemeente Nijmegen moest maken teneinde de door belanghebbende gewenste wijziging van het bestemmingsplan te realiseren. De financiële bijdrage die belanghebbende hiervoor diende te betalen bedroeg volgens de gemeente Nijmegen € 42.000.

2.3

Op 22 april 2013 heeft een gesprek plaatsgehad tussen belanghebbende, bijgestaan door mr. [C] (hierna: [C] ) en [D] , alsmede namens de gemeente [E] , medewerker Ontwikkelbedrijf (hierna: [E] ) en mevrouw [F] . Tijdens dit gesprek is het door de gemeente berekende bedrag aan gemeentelijke plankosten aan de orde gesteld. In dat kader heeft belanghebbende verzocht om een schriftelijke onderbouwing van vorenbedoelde kosten en voorts de vraag gesteld of aan hem kosten in rekening zouden worden gebracht indien hij zou besluiten om de aanvraag in te trekken.

2.4

Tot de stukken van het geding behoort een e-mailbericht van 22 april 2013 van [E] aan [C] , waarin voor zover van belang het volgende is vermeld:

“(…) In de bijlage treft u de gevraagde kostenspecificatie aan. (…) Daarnaast heeft dhr. [X] gevraagd naar de kosten als hij zou besluiten te stoppen met de procedure. Daarover kan ik meedelen dat er in dat geval in deze fase niets in rekening gebracht gaat worden. (…)”

2.5

Op 1 juli 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende, bijgestaan door [C] en [D] voornoemd, en namens de gemeente [G] , wethouder Stedelijke Ontwikkeling (hierna: de wethouder) en [E] . Tijdens dit gesprek is gesproken over de intrekking van de aanvraag en de daarmee gemoeide kosten waarbij tevens de onder 2.4 aangehaalde e-mailbericht is besproken. Van het gesprek is geen verslag opgemaakt.

2.6

Op 4 juli 2013 heeft belanghebbende de gemeente schriftelijk meegedeeld dat hij de aanvraag omgevingsvergunning wenst in te trekken.

2.7

Met dagtekening 1 november 2013 heeft de gemeente, in de persoon van [H] werkzaam voor de Afdeling Vergunningverlening Omgevingsdienst Regio Nijmegen, de intrekking van de vergunningsaanvraag schriftelijk bevestigd en de behandeling van de aanvraag beëindigd. In de brief is daarbij het volgende opgenomen:

“Verschuldigde leges

Op grond van de legesverordening bent u leges verschuldigd. U krijgt binnenkort een acceptgiro toegezonden, waarmee u de leges kunt overmaken. Hierop staat op vermeld op welke manier u hier bezwaar tegen kunt maken.”

2.8

In verband met de onder 2.2. genoemde overeenkomst zijn aan belanghebbende geen kosten in rekening gebracht.

2.9

Met dagtekening 13 november 2013 zijn aan belanghebbende leges in rekening gebracht. Voor de beoordeling door welstand is € 1.143,30 en voor het wijzigen van de bestemming is € 3.811,00 aan leges in rekening gebracht. De totaal in rekening gebrachte leges bedragen hierdoor € 4.954,30.

2.10

Tot de stukken van het geding behoort een verklaring van 10 november 2014 van de wethouder, waarin voor zover van belang het volgende is vermeld:

“(…) In het gesprek ging het uitsluitend over het intrekken van de aanvraag voor het bestemmingsplan en de daarmee gepaard gaande kosten.

We hebben het niet expliciet gehad over de bouwaanvraag omdat mij ook niet bekend was dat hij tegelijkertijd een (…) bouwplan had ingediend.

Als het er wel expliciet over zou zijn gegaan, zou ik niet ingestemd hebben met het intrekken van de legeskosten: dat heb ik in mijn hele periode als wethouder zeer incidenteel gedaan en dan overlegde ik dat eerst met de afdeling/ODRN en maakte ik er in het verslag van het overleg ook melding van. Dat is hier zeker niet gebeurd. (…)”

2.11

Tegen de in rekening gebrachte leges heeft belanghebbende bezwaar ingesteld. De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak op bezwaar beslist om de in rekening gebrachte leges te handhaven.

2.12

Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende vergeefs beroep ingesteld bij de Rechtbank.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de heffingsambtenaar op grond van een toezegging van [E] c.q. de wethouder is gehouden heffing van leges ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag achterwege te laten. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de heffingsambtenaarj ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de heffingsambtenaar, en tot vernietiging van de bij factuur in rekening gebrachte leges.

3.4

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de in onderdeel 2.1 genoemde aanvragen in behandeling zijn genomen. Het Hof zal hier dan ook van uitgaan.

4.2

Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar geen leges in rekening had mogen brengen, aangezien zowel [E] als de wethouder mondeling alsook schriftelijk heeft toegezegd dat geen kosten in rekening zouden worden gebracht wanneer belanghebbende de aanvraag zou intrekken.

4.3

De bewijslast om dit aannemelijk te maken rust op belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende hierin niet geslaagd. Belanghebbende was met de gemeente Nijmegen in overleg omtrent de vraag tot welk bedrag hij de kosten zou vergoeden welke de gemeente zou moeten maken om de door hem gewenste bestemmingsplanwijziging door te voeren. De bedoeling van partijen was deze bijdrage in een civielrechtelijke overeenkomst vast te leggen. Belanghebbende en de gemeente zijn omtrent deze kosten niet tot een vergelijk gekomen, aangezien belanghebbende de door de gemeente geschatte kosten van € 42.000 excessief hoog achtte. In dat kader is gesproken over de vraag of, en zo ja, hoeveel kosten belanghebbende verschuldigd was indien hij zou afzien van de door hem gewenste bestemmingsplanwijziging en in dat kader is hem in het overleg en per e-mail medegedeeld dat in dat geval geen kosten verschuldigd zouden zijn. Naar het oordeel van het Hof kan onder deze omstandigheden de toezegging alleen zien op de kosten welke verband hielden met de bestemmingsplanwijziging, te weten de kosten die belanghebbende aan de gemeente zou vergoeden en niet op de eventueel verschuldigde leges, die tot dan toe in de onderhandelingen geen onderwerp van gesprek waren geweest. Belanghebbende, die zich liet bijstaan door deskundigen, kon onder de genoemde omstandigheden deze toezegging naar ’s Hofs oordeel in redelijkheid ook niet anders begrijpen. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 17 november 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23-11-2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.