Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8710

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
21-001462-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AW2062, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Het hof besluit tot bewijsuitsluiting/ vrijspraak nadat de zaak door de Hoge Raad is gecasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001462-12

Uitspraak d.d.: 17 november 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen, na verwijzing door de Hoge Raad op 7 februari 2012 op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2006 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 09-862531-05 en 09-755136-04, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1977] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2 Omvang van het hoger beroep

Er zijn tegen verdachte twee inleidende dagvaardingen uitgebracht.

Een dagvaarding met parketnummer 862531/05, de zgn. Goudsnip-feiten, en een met parketnummer 755136/04, de zgn. Binchois-feiten.

De dagvaarding met betrekking tot de Goudsnip-feiten is in eerste aanleg gewijzigd.

Bij vonnis van de rechtbank van de rechtbank ‘s- Gravenhage van 14 april 2006 is verdachte vrijgesproken van alle feiten die hem ten laste zijn gelegd.

In het hoger beroep tegen dat vonnis is door het Gerechtshof ’s-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, op 25 juni 2007 arrest gewezen. Bij dit arrest heeft dat hof de feiten op de dagvaarding met parketnummer 09-862531-05 vernummerd als de feiten 3, 4 en 5.

Het hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn (verdere) strafvervolging van verdachte voor de feiten 3 en 4, heeft verdachte vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste gelegd werd en heeft verdachte met betrekking tot feit 1 en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en zes maanden.

Het Openbaar Ministerie heeft op 27 juni 2007 cassatie ingesteld tegen dat arrest.

Door de Hoge Raad is op 7 februari 2012 beslist dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde (de zgn. Binchois-feiten) en dat de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Arnhem opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Het hof stelt vast dat de voor de overige feiten door het Haagse hof opgelegde straf van een jaar en zes maanden met dit oordeel van de Hoge Raad onherroepelijk is geworden.

3 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 november 2014, 5 oktober 2015 en 3 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 355 dagen waarvan 234 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. V. Sençzuk, naar voren is gebracht.

4 Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

5 De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd en voor zover in hoger beroep nog aan de orde dat:

Parketnummer 09-862531-05 feit 1 (door het gerechtshof ’s-Gravenhage vernummerd als feit 3)

hij,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 maart 2005 tot en met 7 april

2005, te Den Haag, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) te weten: [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en),

althans alleen, opzettelijk 1 bankbiljet (ter waarde) van 500 euro, waarvan de valsheid of

vervalsing verdachte en/of zijn medeverdachte(n), toen hij/zij dat bankbiljet ontving(en),

bekend was, als echt en onvervalst heeft uitgegeven (aan [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ), en/of

1 bankbiljet (ter waarde) van 500 euro, waarvan de valsheid of vervalsing hem, verdachte,

en/of zijn medeverdachte(n), toen hij/zij dat bankbiljet ontving(en), bekend was, met het

oogmerk om dat bankbiljet als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en/of heeft ontvangen en/of heeft vervoerd en/of heeft ingevoerd en/of zich heeft verschaft;

Parketnummer 09-862531-05 feit 2 (door het gerechtshof ’s-Gravenhage vernummerd als feit 4)

hij,

op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 8 april 2005, te Amsterdam en/of Den Haag, in

elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), te weten: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] , althans alleen,

118, althans een hoeveelheid, bankbiljetten (ter waarde) van (elk) 500 euro (in totaal 59.000 euro), waarvan de valsheid of vervalsing verdachte en/of zijn medeverdachte(n), toen hij/zij die bankbiljetten ontving(en), bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en/of zich heeft verschaft en/of heeft ontvangen en/of heeft vervoerd en/of heeft ingevoerd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

6 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsman is in deze zaak, net zoals in verwante zaken tegen gelijktijdig (maar niet gevoegd) terechtstaande verdachten, betoogd dat het Openbaar Ministerie op gronden als in de pleitnota omschreven, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging wegens:

A. het overschrijden van de redelijke termijn van vervolging, en

B. het zoekraken van een deel van het dossier.

C.

Daarnaast zijn door de verdediging in deze zaak, en in de verwante zaken tegen gelijktijdig terechtstaande verdachten, verweren gevoerd met betrekking tot het optreden van de informant, het doen en/of nalaten van de betrokken Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) dienaangaande en de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie daarvoor, met als conclusie niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting.

Ad A.

6.1

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn van vervolging voert de verdediging -kort en zakelijk weergegeven- aan dat tussen de aanhouding van verdachte in de onderhavige zaak op 8 april 2005 en de uitspraak van het hof op 17 november 2015 meer dan tien jaren zijn verstreken. Deze lange duur is niet te wijten geweest aan de proceshouding van de verdachte. Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken en heeft door het enorme tijdsverloop langdurig in onzekerheid moeten verkeren over de afloop van deze zaak. Gelet op de duur van de overschrijding van de redelijke termijn kan hieraan slechts het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie worden verbonden.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn van vervolging inderdaad ruim is overschreden, maar dat dit gelet op de geldende jurisprudentie (slechts) dient te leiden tot strafvermindering.

6.3

Het hof is het met de advocaat-generaal en de raadsman eens dat in deze zaak sprake is van een zeer forse termijnoverschrijding. In dat verband neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

  • -

    verdachte is op 8 april 2005 aangehouden voor de onderhavige feiten. Deze datum kan gezien worden als het begin van de redelijke termijn;

  • -

    op 14 april 2006 is verdachte door de rechtbank ’s-Gravenhage van alle feiten vrijgesproken;

  • -

    op 25 juni 2007 is door het gerechtshof te ’s Gravenhage, zitting houdend te Arnhem in deze zaak arrest gewezen;

  • -

    op 7 februari 2012 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof gedeeltelijk vernietigd en de zaak naar dit hof verwezen;

  • -

    op 22 mei 2013 en 17 november 2014 hebben er regiezittingen plaatsgevonden;

  • -

    op 5 oktober en 3 november 2015 is de zaak inhoudelijk behandeld;

  • -

    op 17 november 2015 wordt arrest gewezen.

De tijdspanne tussen het wijzen van het eerste arrest door het Haagse hof en het arrest van de Hoge Raad bedraagt drie jaren, de tijdspanne tussen de verwijzing door de Hoge Raad en het arrest van heden bedraagt ruim vijf jaren. Deze lange duur van behandeling is op geen enkele wijze te wijten aan de proceshouding van verdachte of zijn procesvertegenwoordiger, maar komt op het conto van het Openbaar Ministerie en het hof.

In zijn arrest van 17 juni 2008, NJ 2008, 358, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt daarom verworpen. De door de raadsman genoemde uitspraken waarin wél tot niet-ontvankelijkheid werd besloten, brengen het hof niet tot een ander oordeel.

Ad B.

6.4

Door de raadsman is gesteld dat de waarheidsvinding door het zoekraken van processtukken in het gedrang is gekomen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het klopt dat er gedeelten van het dossier van deze zaak ontbreken, maar dat er slechts voor verdachte belastende bescheiden zijn zoekgeraakt zodat hij daardoor niet in zijn verdediging is geschaad.

6.5

Het hof stelt vast dat er inderdaad gedeelten van het dossier van de zgn. Binchoisfeiten ontbreken. Aan de raadslieden in deze vijf verwante zaken is de gelegenheid geboden het wel aanwezige deel van het dossier te onderzoeken en naar aanleiding daarvan aan te geven welke stukken missen en/of nog aan het dossier moeten worden toegevoegd c.q. moeten worden geprobeerd te achterhalen. Daarvan is door geen van de raadslieden, dus ook niet door de raadsman van deze verdachte, gebruik gemaakt.

Gesteld noch gebleken is dat voor verdachte ontlastende processtukken zijn zoekgeraakt of dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van diens zaak is tekortgedaan.

Het verweer wordt daarom bij gebrek aan een concrete onderbouwing van het nadeel dat daardoor aan verdachtes verdediging is toegebracht, verworpen.

6.6

Tussenconclusie

De onder A en B genoemde verweren leiden naar het oordeel van het hof, ook in onderlinge samenhang bezien, niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Ad C

6.7

Voor de beoordeling van de verweren met betrekking tot het optreden van de informant, het doen en/of nalaten van de betrokken CIE dienaangaande en de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie daarvoor, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

6.7.1.1. Volgens een bericht van de CIE zou op 8 april 2005 tussen 13.30 en 14.30 uur bij het Shell tankstation in de buurt van de nieuwe woonwijk Zeeburg te Amsterdam een overdracht plaats vinden van een grotere partij valse eurobiljetten.

Naar aanleiding van die informatie werd een observatie- en een arrestatieteam geformeerd. Dit laatste team arresteerde op 8 april 2005 bij dat tankstation vijf personen, te weten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] .

In één van de voertuigen werd een partij van € 59.000, - aan valse 500 euro biljetten aangetroffen.

Een aantal weken later werd de verdachte [medeverdachte 2] aangehouden en op 13 september 2005 de verdachte [medeverdachte 6] .

6.7.1.2. Op 9 april 2005 verklaarde de verdachte [medeverdachte 5] bij de politie dat hij ongeveer twee weken daarvoor door [medeverdachte 6] was benaderd. [medeverdachte 6] had hem gevraagd of hij mensen wist die kopietjes van euro’s konden leveren. [medeverdachte 5] had daarop geantwoord dat hij in zijn omgeving gezocht had en dat hij was terechtgekomen bij [medeverdachte 2] . Deze [medeverdachte 2] had hem in contact gebracht met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 5] zou er voor zorgen dat deze [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] elkaar op 8 april 2005 om 13.00 uur bij het (hiervoor genoemde) benzinestation zouden ontmoeten.

6.7.1.3. Op 12 juli 2005 verklaarde [medeverdachte 5] bij de politie dat hij bij de zaak betrokken was geraakt door [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] had hem in december 2004 of januari 2005 al gevraagd of hij aan vals geld kon komen. Later stelde [medeverdachte 6] die vraag weer. Via [medeverdachte 2] heeft hij [medeverdachte 3] leren kennen, waarna hij een afspraak heeft geregeld tussen [medeverdachte 6] en die [medeverdachte 3] . [medeverdachte 6] zou € 80.000,- aan valse bankbiljetten kopen voor 35% van de nominale waarde. [medeverdachte 5] had aan [medeverdachte 6] een proefbiljet overhandigd. Na de overhandiging van dat proefbiljet belde [medeverdachte 6] dat hij geleverd wilde hebben. [medeverdachte 5] zou voor zijn bemiddeling een percentage van [medeverdachte 6] ontvangen. Het initiatief was van [medeverdachte 6] uitgegaan.

6.7.1.4. Tijdens de behandeling van zijn zaak op 12 januari 2006 verklaarde [medeverdachte 5] dat [medeverdachte 6] hem diverse keren had gevraagd of hij aan vals geld kon komen en dat hij uiteindelijk heeft gezegd dat hij ernaar zou kijken. Via [medeverdachte 2] kwam hij in contact met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 5] heeft een proefbiljet van € 500,- aan [medeverdachte 6] gegeven. [medeverdachte 6] heeft het biljet in ontvangst genomen en gezegd dat hij dit naar zijn opdrachtgevers zou brengen. Na deze overdracht heeft [medeverdachte 6] hem continu gebeld met vragen wanneer en hoeveel ze konden leveren. [medeverdachte 5] heeft met [medeverdachte 6] de afspraak gemaakt om elkaar op vrijdag 8 april 2005 bij het tankstation te ontmoeten.

6.7.1.5. [medeverdachte 3] heeft op 9 april 2005 verklaard dat hij door [medeverdachte 2] was benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelden. Een kennis van hem had vrienden die in vals geld handelden en via die kennis kreeg hij het telefoonnummer van [verdachte] , zijnde verdachte. [verdachte] vertelde aan hem, [medeverdachte 3] , dat hij valse euro’s kon leveren voor 35% van de nominale waarde. [medeverdachte 3] heeft op verzoek van [medeverdachte 5] geregeld dat [verdachte] naar Amsterdam zou komen. Bij het tankstation was [verdachte] met nog twee andere personen (hof: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] ).

6.7.1.6. Reeds kort na zijn aanhouding op 13 september 2005 heeft [medeverdachte 6] verklaard over zijn rol in deze kwestie. Op 13 september 2005 verklaarde hij dat hij [medeverdachte 5] had gevraagd een (vals) proefbiljet van € 500,- te leveren. Bij de levering deelde [medeverdachte 5] mee dat er een partij van € 80.000,- aan valse biljetten beschikbaar was. [medeverdachte 6] zou tegen [medeverdachte 5] hebben gezegd dat hij mogelijk belangstelling had. [medeverdachte 6] hield een slag om de arm, omdat het doorgaan van de transactie afhing van wat de CIE hiermee wilde. [medeverdachte 6] had de CIE man verteld dat hij een afspraak kon maken waarbij € 80.000,- aan valse euro’s aan hem geleverd kon worden. [medeverdachte 6] heeft afspraken gemaakt over het tijdstip en moment van levering, waarna hij de CIE meedeelde dat de valse biljetten van de straat gehaald konden worden. De CIE ging daarmee akkoord. [medeverdachte 6] zou op 7 april 2005 telefonisch contact met de CIE hebben gehad. De CIE zou volgens hem hebben gevraagd of hij voor elkaar zou kunnen krijgen dat de € 80.000,- aan valse euro’s daadwerkelijk geleverd konden worden. De CIE zou dan een plan de campagne maken om in te grijpen.

[medeverdachte 6] heeft tenslotte verklaard dat hij na de actie van 8 april 2005 van de CIE

€ 1.750,- heeft ontvangen.

6.7.1.7. De CIE-man met wie [medeverdachte 6] op en vóór 8 april 2005 contact had, de zgn. runner, wordt “ [runner] ” genoemd. Deze heeft in de loop van deze procedure verschillende verklaringen afgelegd en heeft volgehouden dat hij niet wist dat [medeverdachte 6] een initiërende en centrale rol had gespeeld bij de levering van de valse

€ 500,- biljetten.

6.7.1.8. [medeverdachte 6] is in 2004 en 2005 als burgerinformant in twee verschillende rayons en in meerdere zaken tegen betaling voor de CIE werkzaam geweest . Hij stond bij die dienst bekend als een initiatiefrijke, “pro-actieve” en ervaren informant. (Zie hierover de verklaringen van [betrokkene 1] , “ [runner] ” en [medeverdachte 6] zelf, waaronder in het bijzonder ook die, afgelegd op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 februari 2007 en 27 april 2007.)

6.7.1.9. Op 6 april 2005 informeerde [medeverdachte 6] zijn CIE-runner “ [runner] ” tussen 14.45 uur en 14.50 uur telefonisch over een partij van € 80.000.- aan valse € 500.- biljetten, waarmee “iemand rond rijdt” en het feit dat hij zelf in bezit is van een vals € 500-biljet en “een gedeelte” weet van "de identiteit”.

6.7.1.10. De door “ [runner] ” en [medeverdachte 6] met betrekking tot het valse € 500,- biljet gegeven verklaringen lopen uiteen over de inhoud van het advies c.q. de opdracht van de runner aan de informant met betrekking tot het valse biljet, maar komen in essentie hierin overeen dat [medeverdachte 6] zich zo spoedig mogelijk (“als de weerga”) van het valse biljet moest ontdoen. (Zie hierover de verklaringen van [betrokkene 1] , “ [runner] ” en [medeverdachte 6] , waaronder in het bijzonder die, afgelegd op de terechtzittingen van het hof van 14 februari 2007 en 27 april 2007, alsmede de inhoud van het CIE-journaal van 6 april 2005.)

6.7.1.11. Het CIE-journaal van 6 april 2005 bevat in zeven regels een weergave van het contact tussen runner en informant en eindigt met de woorden “Gezegd hierop terug te komen”. Het bevat geen specifieke vragen, nadere afspraken of opmerkingen van de runner over het feit dat [medeverdachte 6] in het bezit was van een vals

€ 500,- biljet, over de wijze waarop hij in het bezit daarvan was gekomen en zijn wetenschap over en/of betrokkenheid bij de partij van € 80.000,- aan valse euro’s.

6.7.1.12. Over de vraag of en hoe hierop later nog is teruggekomen en over de frequentie van het contact tussen de CIE-runner en zijn informant over deze kwestie verschillen de verklaringen van beiden aanzienlijk. [medeverdachte 6] verklaart dat tussen 6 april 14.50 uur en 8 april 2005 te 11.05 uur een aantal telefonische contacten tussen hen beiden hebben plaats gevonden, terwijl “ [runner] ” verklaart dat er in die periode geen contact (meer) is geweest.

6.7.1.13. In strijd met de binnen de CIE geldende regels ter waarborging van een rechtmatige gang van zaken en een adequate controleerbaarheid is [medeverdachte 6] met betrekking tot zijn inzet niet gerund door een koppel van twee runners, maar solo door “ [runner] ”. (Zie wederom de verklaringen van [betrokkene 1] , ' [runner] ' en [medeverdachte 6] , waaronder in het bijzonder die afgelegd op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 februari 2007 en 27 april 2007, alsmede de verklaring van runner 2, afgelegd bij de rechter-commissaris op 15 december 2005.)

6.7.1.14. Volgens het CIE-journaal van die dag lichtte [medeverdachte 6] zijn runner op 8 april 2005 om 11.05 uur telefonisch in over een overdracht van een partij vals geld van

€ 80.000.- op diezelfde dag om 13.45 uur bij een tankstation bij de Zeeburgerdijk te Amsterdam, waarbij een zekere “ [betrokkene 2] ” en een blauwe Opel Vectra, waarin zich het valse geld zou bevinden, zouden zijn betrokken.

6.7.1.15. De verklaringen van de runner en zijn informant lopen uiteen over het tijdstip van de overdracht, in het bijzonder over het verzetten/verlaten van dat tijdstip om voldoende tijd en gelegenheid te hebben voor het treffen van politiële maatregelen rond de overdracht van de partij vals geld en het ingrijpen daarbij door de politie.

6.7.1.16. Het journaal van de runner van 8 april 2005 bevat voorts de strofe: ”Op mijn vraag wat de rol van info (naar het Hof begrijpt: informant) is antwoordde hij hier geen enkele rol in te spelen”, en de opmerking van informant geen enkel gevaar te duchten te hebben, gevraagd naar zijn afscherming.

6.7.1.17. Op basis van deze informatie werd door [betrokkene 1] , die de coach was van runner “ [runner] ", en tevens fungerend chef van de CIE, en met wie op 8 april 2005 telefonisch voor het eerst over deze zaak is gesproken, “er op geinvesteerd”, een proces-verbaal opgemaakt en per fax verzonden aan de CIE van de afdeling Nationale Recherche Randstad Noord. (Zie wederom de verklaringen van [betrokkene 1] , ” [runner] ” en [medeverdachte 6] , waaronder in het bijzonder die, afgelegd op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 februari 2007 en 27 april 2007, alsmede de inhoud van het CIE-journaal van 8 april 2005.)

6.7.1.18. Volgens hetzelfde dag-journaal lichtte [medeverdachte 6] zijn runner “ [runner] ” om 14.15 uur telefonisch in - na een daaraan voorafgegaan SMS-bericht van [medeverdachte 6] - dat hij gebeld werd “dat men er al 45 minuten staat en dat er niemand is, dat de kopers de zaak niet vertrouwd hebben en door zijn gereden”.

6.7.1.19. Een (observatie)team van de politie, dat na het onder 5.7.1.17 genoemde proces-verbaal van [betrokkene 1] op de hoogte is gesteld van de vermoedelijke overdracht van een partij vals geld, observeerde diezelfde middag de ontmoeting bij bedoeld tankstation, waarbij [medeverdachte 6] niet aanwezig was, hield de verdachten aan, doorzocht de betrokken voertuigen en nam een partij van € 59.000.- aan valse biljetten van € 500,- in beslag. (Vindplaats: Ordner "onderzoek Binchois", de processen-verbaal onder 1.1, 2.1.1, 3.1 en 6.1.1)

6.7.1.20. Het CIE-journaal van 8 april 2005 vermeldt dat [medeverdachte 6] is gevraagd naar zijn rol en afscherming in deze zaak. Voorts vermeldt dit journaal (mutatie: 11.12 uur) dat na het telefoongesprek van 14.15 uur (?) informant “kennelijk meer er bij betrokken” is dan in het eerste gesprek werd gesuggereerd, waarop evenwel niet meer is teruggekomen in het gesprek dat op de avond van 8 april 2005 tussen [betrokkene 1] , [medeverdachte 6] en “ [runner] ” plaatsvond. In elk geval blijkt daarvan niet uit het journaal.

6.7.1.21. [medeverdachte 6] is vervolgens in de periode van april tot september 2005 ongewijzigd als informant voor de CIE werkzaam geweest, tot het moment van zijn aanhouding medio september 2005 in deze zaak op verdenking van betrokkenheid bij de handel in vals geld. (Zie hierover wederom de verklaringen van [betrokkene 1] , ” [runner] ” en [medeverdachte 6] , waaronder in het bijzonder die, afgelegd op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 februari 2007 en 27 april 2007, alsmede de verklaring van runner 2, afgelegd bij de rechter-commissaris op 15 december 2005.)

6.7.1.22. Het Openbaar Ministerie heeft de verdachten en de overige procesdeelnemers, onder wie ook de rechters die over de vrijheidsbeneming van de verdachten te beslissen hadden, in dat stadium van de strafrechtelijke procedure niet ingelicht over deze aan de aanhoudingen voorafgegane, met bijstand van een burgerinformant ondernomen, opsporingsactiviteiten noch anderszins in het strafdossier verslag gedaan van de in nauw overleg tussen de runner en de informant bepaalde gedragslijn die leidde tot de onderschepping van de partij vals geld, de aanhouding van verdachte en medeverdachten en tot het daarop gevolgde strafrechtelijk onderzoek.

6.7.1.23. Pas maanden na de aanhouding van de verdachte(n) en dankzij de proceshouding van [medeverdachte 6] is de in deze zaak gevolgde bijzondere opsporingsmethode bekend geworden aan (mede)verdachte(n) en hun raadslieden. De aangehouden verdachten zaten in dat stadium van de strafprocedure allemaal in voorlopige hechtenis.

6.8

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden heeft het Haagse hof in zijn arrest van 25 juni 2007 geconcludeerd dat, vanwege de grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en het publieke belang, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in zijn strafvervolging. Tot hetzelfde oordeel is dat hof in de zaken tegen de medeverdachten gekomen.

6.9

Door het Openbaar Ministerie is vervolgens in alle zaken cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft in deze zaken drie qua motivering inhoudelijk van elkaar verschillende arresten gewezen. Het hof geeft hierna een kort overzicht van de van belang zijnde uitspraken van de Hoge Raad in deze kwestie.

6.9.1

In het arrest tegen [medeverdachte 5]1 heeft de Hoge Raad de beslissing van het Haagse hof in stand gelaten en het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De beslissing van het hof hield in dat:

- de verdachte als gevolg van aan de overheid toe te rekenen omstandigheden is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht en dat alleen al om die reden geen veroordeling kan volgen.

en dat:

1. de gebrekkige controle van het CIE op het handelen van medeverdachte [medeverdachte 6] (waardoor verdachte werd uitgelokt de strafbare feiten te plegen),

2. de gebrekkige controle van het OM op de CIE waardoor, hoewel de feiten (mede door de verklaring van de verdachte) er lagen, pas op 13 september 2005 in volle omvang duidelijk werd dat de verdachte was uitgelokt door een informant en

3. het feit dat de verdachte niet zo spoedig mogelijk op de hoogte is gesteld van de door [medeverdachte 6] afgelegde verklaringen,

4. de schending van het publieke belang door het feit dat door financiële beloningen van de overheid en gebrekkige controle van de CIE strafbare feiten gepleegd worden (waarop de overheid geen zicht heeft) raakt de integriteit van de overheid;

er sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling.

De zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 5] is dus geëindigd in de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

6.9.2.

In de arresten tegen [verdachte]2 en [medeverdachte 4]3 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

2.3

Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (Vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376). Daarvan is sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht.

2.4.

In aanmerking genomen dat het Hof zijn beslissing mede heeft doen steunen op de omstandigheid dat de verdachte "niet tijdig [is] geïnformeerd door het OM over de handelwijze van [medeverdachte 6] en dat had wel gemoeten omdat die informatie (zoals blijkt uit het vonnis van de rechtbank) van invloed had kunnen zijn op de te nemen eindbeslissing en (daardoor) op beslissingen inzake de voorlopige hechtenis", en dat volgens het Hof niet gezegd kan worden dat de verdachte "door toedoen van de informant is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet gericht was", is 's Hofs oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, niet begrijpelijk. Daarbij verdient opmerking dat hetgeen het Hof voorts nog heeft overwogen en in het bijzonder zijn keuze van "de zwaarst mogelijke sanctie, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het OM" teneinde "zowel de CIE als het OM te doordringen van de ernst van de situatie", onvoldoende grond oplevert voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

6.9.3.

In de zaken tegen [medeverdachte 3]4, [medeverdachte 2]5 en [medeverdachte 1]6 heeft de Hoge Raad overwogen dat:

2.3.

Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376.) Daarvan is sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441).

‘s Hofs oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd.

6.10

Uit de arresten van de Hoge Raad leidt het hof in de eerste plaats af dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , (anders dan de verdachte [medeverdachte 5] ) naar het oordeel van de Hoge Raad niet door het optreden van de informant van de CIE zijn gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor zij worden vervolgd.

In het geval van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is daarbij van belang dat zij reeds eerder met soortgelijke feiten bezig waren.

Ten aanzien van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is de Hoge Raad kennelijk van oordeel dat zij niet rechtstreeks in hun belangen zijn getroffen door het handelen van de CIE-informant, omdat niet is vastgesteld dat zij door de informant tot hun criminele handelen zijn gebracht.

6.11

Tussenconclusie

De onder 6.10 weergegeven strekking van de uitspraken van de Hoge Raad brengt het hof tot de conclusie dat het verweer aangaande het optreden van de informant en de daaraan te verbinden gevolgen moeten worden verworpen, nu verdachte niet zelf is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.

In de tweede plaats leidt het hof uit de arresten van de Hoge Raad, gewezen in de zaken tegen de [medeverdachte 4] en [verdachte] (in het bijzonder de zin: “Daarbij verdient opmerking dat hetgeen het Hof voorts nog heeft overwogen en in het bijzonder zijn keuze van "de zwaarst mogelijke sanctie, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het OM" teneinde "zowel de CIE als het OM te doordringen van de ernst van de situatie", onvoldoende grond oplevert voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.”)

af, dat het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie in verband met het onrechtmatig overheidsoptreden en de schending van het publieke belang door de Hoge Raad een te zware sanctie wordt geoordeeld.

6.13

Het hof dient thans de vraag te beantwoorden of de onder 6.7.1.1 tot en met 6.7.1.23 weergegeven feiten en omstandigheden raken aan de rechtmatigheid van het overheidshandelen en zo ja, welke sanctie aan dit vormverzuim verbonden dient te worden.

Het Hof overweegt in dit verband dat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling met betrekking tot bijzondere opsporingsbevoegdheden een wettelijke grondslag biedt aan vormen van bewijsgaring, die een ernstige inbreuk kunnen betekenen op grondrechten en een risico kunnen vormen voor de integriteit van de autoriteiten die belast zijn met de opsporing en vervolging van strafbare feiten in de uitoefening van hun strafvorderlijke overheidstaak.

In deze regulering en normering van bijzondere opsporingsmethoden en bevoegdheden, die er mede toe strekken een eerlijk proces en het toezicht op integer handelen van de strafvorderlijke autoriteiten te bevorderen en te verzekeren, staan de controleerbaarheid van de aangewende methoden en bevoegdheden, ook als deze controle pas achteraf kan geschieden, centraal en berust de plicht tot een toetsing op rechtmatigheid van het overheidshandelen bij de zittingsrechter.

Zeker indien de overheid zich voor het stelselmatig inwinnen van strafrechtelijk relevante informatie voorziet van bijstand tegen betaling door een burger-informant met strafrechtelijke antecedenten, zoals in deze zaak met betrekking tot [medeverdachte 6] het geval was, zijn behoedzaamheid en terughoudendheid geboden en behoren deze regels, bij de afweging of tot strafvorderlijk handelen op basis van deze informatie kan worden overgegaan, een belangrijke rol te spelen in het kader van de toetsing aan beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het belang daarvan springt temeer in het oog indien de burgerinformant, zoals in deze zaak het geval was, zijn werkzaamheden tegen betaling placht te verrichten en reeds mogelijk strafwaardig had gehandeld met betrekking tot het voorhanden hebben van een vals € 500,- biljet.

Indachtig deze factoren mocht van de solerende runner “ [runner] ” reeds op 6 april 2005 een grotere waakzaamheid worden verwacht dan uit de daarop betrekking hebbende journaals en verklaringen naar voren komt en had hij het reële risico onder ogen moeten zien van een mogelijke betrokkenheid van [medeverdachte 6] bij de overdracht van het valse geld, welke betrokkenheid immers gelijkenis vertoont met die van de burger-pseudokoper ex art. 126ij Sv, zonder dat aan enige daaraan in dat artikel gestelde formele voorwaarde was voldaan.

Bovendien kon, nu [medeverdachte 6] binnen de CIE als een “pro-actieve” informant bekend stond, evenmin worden uitgesloten dat hij in het kader van die rol een persoon zou brengen of reeds had gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

6.13.3

Al deze factoren maakten naar het oordeel van het hof reeds na het eerste telefoongesprek tussen [medeverdachte 6] en “ [runner] ” op 6 april 2005, een op de CIE rustende verzwaarde onderzoeksplicht noodzakelijk naar de aard en de mate van betrokkenheid van [medeverdachte 6] bij de valse eurobiljettentransactie en de achtergronden daarvan.

“ [runner] ” had onder de gegeven omstandigheden geen genoegen mogen nemen met de summiere informatie van [medeverdachte 6] maar had - onder meer door nadere gesprekken met [medeverdachte 6] - een grondig onderzoek behoren te verrichten om uit te sluiten dat [medeverdachte 6] als koper of tussenpersoon bij de levering van de partij vals geld zou optreden of zich als zodanig zou voordoen en/of zich al dan niet bewust met schending van het zogenaamde Tallon-criterium aan strafbaar gedrag schuldig zou maken of reeds had gemaakt.

“ [runner] ” heeft dat ten onrechte nagelaten.

Nu de summiere informatie van [medeverdachte 6] objectief bezien niet voldoende duidelijkheid opleverde over diens feitelijke rol in deze transactie was de CIE weliswaar in beginsel vanwege het doorlatingsverbod gehouden het op handen zijnde transport van de valse bankbiljetten te (doen) onderscheppen, maar had de CIE daarna in verband met onder meer het bepaalde in artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering zo spoedig mogelijk het Openbaar Ministerie op de hoogte moeten stellen van de toegepaste opsporingsmethode, waarna het Openbaar Ministerie vervolgens de verdachten, hun raadslieden en de voorlopige hechtenis- c.q. de zittingsrechter had moeten informeren.

6.13.4

De waarborgen voor een eerlijk proces en de integriteit van het overheidshandelen, mede neergelegd in de artikelen 6 en 13 EVRM, dwingen de zittingsrechter tot een strikte toetsing van de rechtmatigheid van het handelen en nalaten van de met de opsporing en vervolging belaste autoriteiten. De mogelijkheid daartoe is evenwel in hoge mate afhankelijk van de controleerbaarheid van de aangewende opsporingsmethoden en -bevoegdheden. Daarin is het Openbaar Ministerie in deze zaak ernstig te kort geschoten door genoegen te nemen met de informatie van een solerende runner, de summiere journaals en de kennelijke tegenstrijdigheden in de door runner en informant gegeven lezing van de feiten. Daar komt nog bij de moeizame wijze waarop de bij tussenarrest van het Haagse hof van 16 mei 2007 verzochte journaals door de CIE-officier van justitie voor de Nationale Recherche zijn overgelegd. Anders dan was bevolen, zijn deze journaals niet ongeschoond in handen gesteld van de raadsheer-commissaris. Ook die omstandigheid heeft de transparantie en de controleerbaarheid achteraf van deze opsporingsmethode belemmerd.

In de zaak tegen [medeverdachte 5] deed het Haagse hof de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op twee pijlers steunen, te weten:

1. inhoudelijk: dat de verdachte als gevolg van aan de overheid toe te rekenen omstandigheden is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht (schending van het Tallon-criterium), en

2. processueel: dat de verdachte door het handelen van CIE en Openbaar Ministerie niet tijdig op de hoogte was van de gevolgde gang van zaken.

De Hoge Raad heeft dat oordeel in stand gelaten.

Alles overziende is het hof van oordeel dat ook in déze zaak sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de hiervoor genoemde tweede pijler ook in de zaak tegen verdachte opgeld doet. Hij is immers over de inzet van het (gebrekkig uitgevoerde) bijzondere opsporingsmiddel niet tijdig en naar behoren geïnformeerd.

Dat had wel gemoeten omdat die informatie van invloed had kunnen zijn op de duur, de inhoud en het verloop van zijn strafzaak, waaronder de beslissingen over de voorlopige hechtenis en de eindbeslissing.

Het hof is van oordeel dat er sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

6.15

Daarnaast is ook sprake van schending van het publieke belang.

Het feit dat enerzijds sprake is van financiële beloningen van de overheid aan een informant in combinatie met anderzijds een gebrekkige controle door de CIE op het handelen van die informant, raakt de integriteit van de overheid.

Dit in de visie van het hof ernstige probleem is in de totale loop van de onderhavige zaak noch door de CIE noch door het Openbaar Ministerie voldoende onderkend, althans: daar is het hof niet van gebleken.

De voormalig CIE-chef [betrokkene 1] heeft ter zitting van het Haagse hof van 14 februari 2007 immers volgehouden dat er door de CIE in deze kwestie geen fouten zijn gemaakt en ook van de kant van het Openbaar Ministerie is niet gebleken van een negatief oordeel over het functioneren van de CIE, welk beeld nog wordt versterkt door niet het niet ongeschoond aanleveren van de CIE-journaals, zoals door dat hof werd bevolen.

6.16

Ingeval sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Wetboek van Strafvordering en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Indien de rechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

Het hof toetst zijn oordeel in deze zaak aan het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2010 in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , waarin de Raad heeft geoordeeld dat het handelen van de CIE en het Openbaar Ministerie onvoldoende grond oplevert voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het hof overweegt dat door het onvoldoende controlerende en onvoldoende informatie verschaffende optreden van de CIE en het Openbaar Ministerie in aanzienlijke mate de waarborgen zijn geschonden die strekken tot verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zoals daaraan mede door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uitleg is gegeven.

Dit verzuim heeft tot gevolg gehad dat verdachte, die in verzekering was gesteld en in voorlopige hechtenis verbleef zonder dat hij of zijn raadsman op de hoogte was van (alle facetten van) het optreden van de informant, in ernstige mate in zijn verdediging is geschaad.

Daaraan doet niet af dat deze verdachte, zoals in de zaak tegen [medeverdachte 5] wél het geval was, door het optreden van de informant niet of niet rechtstreeks tot andere handelingen is gebracht dan die waarop zijn opzet reeds was gericht. Ondanks dat daarvan in deze zaak dus geen sprake is, is het hof van oordeel dat aan de gevolgde handelwijze ingrijpende gevolgen moeten worden verbonden.

Het hof acht het handelen van de informant, de CIE en het Openbaar Ministerie zodanig ernstig dat noch de enkele constatering noch strafvermindering recht doet aan de ernst van dit verzuim.

Het hof acht het optreden van de CIE en het OM in strijd met het in een rechtsstaat wezenlijke aspect dat vertegenwoordigers van de uitvoerende macht zich in verband met inbreuken op grondrechten van burgers in voorkomende gevallen onderwerpen aan de wettelijk bepaalde controle door een hogere autoriteit.

Derhalve kan met geen andere conclusie worden volstaan dan dat al het onderzoeksresultaat dat is verkregen door het handelen van de informant alsmede de vruchten daarvan van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Dat acht het hof ook noodzakelijk als middel om toekomstige vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben, te voorkomen en een krachtig signaal te geven tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm.

6.17

Ingeval van uitsluiting van bewijsmiddelen dient het bewijsmateriaal uitgesloten te worden voor zover de verdachte hierdoor is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Alleen dat bewijsmateriaal dat door het vormverzuim is verkregen, komt derhalve voor uitsluiting in aanmerking. Dit betekent dat zogenaamd secundair bewijsmateriaal niet behoeft te worden uitgesloten wanneer aannemelijk is dat er ook andere factoren aan de verkrijging daarvan hebben bijgedragen.

Nu de politieobservatie en de daar direct op gevolgde aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten het directe gevolg zijn geweest van het proces-verbaal van de CIE van 8 april 2005 is het hof van oordeel dat het proces-verbaal van observatie en de processen-verbaal van aanhouding van (mede-)verdachte(n) van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De verhoren van verdachte en zijn medeverdachten volgend op de aanhouding dienen naar het oordeel van het hof eveneens van het bewijs te worden uitgesloten. Hoewel verdachte en zijn medeverdachten zijn gewezen op hun recht om te zwijgen, is het hof van oordeel dat de afgelegde verklaringen dusdanig nauw samenhangen met de resultaten van de aanhoudingen en doorzoeking van de auto’s op 8 april 2005, dat gesteld kan worden dat ook deze verklaringen rechtstreeks door het verzuim zijn verkregen.

7 Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder parketnummer 09-862531-05 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan de orde en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 09-862531-06 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verwijst voor het overige naar hetgeen hiervoor onder het kopje “Omvang van het hoger beroep” is opgemerkt over de vaststaande straf met betrekking tot de onherroepelijk geworden uitspraak van het Haagse hof van 25 juni 2007.

Aldus gewezen door

mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr. C. Caminada en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.W. Jansink, griffier,

en op 17 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Gorkom is buiten staat dit arrest te tekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 november 2015.

Tegenwoordig:

mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr. J.J.T.M. Pieters, advocaat-generaal,

mr. G.W. Jansink, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Hoge Raad 29 juni 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL0655

2 Hoge Raad 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6784

3 Hoge Raad 29 juni 2010, ELI:NL:HR:2010:BL0656

4 Hoge Raad 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637

5 Hoge Raad, 11 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR3037

6 Hoge Raad, 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613