Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8686

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
200.157.250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daad van vader op zoon tot terugbetaling van gesteld zonder toestemming overboeken van bedrag van bankrekening van de vader naar de bankrekening van de zoon. Stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.157.250/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2331131 UC EXPL 13-14211 PK/1097)

arrest van 17 november 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant jr.].,

advocaat: mr. J.F.W. Veraar,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde sr.],

advocaat: mr. S. Ilkdogan.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 7 juli 2014 dat de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 september 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Ook de stukken die bij bericht van 29 september 2015 door mr. Ilkdogan namens [geïntimeerde sr.] zijn ingebracht, behoren tot de stukken van het geding.

2.2.

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

2.3.

[appellant jr.]. vordert in het hoger beroep, samengevat, dat het hof het bestreden vonnis bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde sr.] alsnog afwijst, onder veroordeling van [geïntimeerde sr.] in de kosten van beide instanties alsmede onder veroordeling van [geïntimeerde sr.] tot terugbetaling van datgene wat [appellant jr.]. uit hoofde van het bestreden vonnis heeft voldaan, met rente.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.2.

[geïntimeerde sr.] en [appellant jr.]. zijn vader en zoon. [geïntimeerde sr.] heeft op 24 november 2008 de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) in eigendom verkregen.

3.3.

Op enig moment heeft [geïntimeerde sr.] in overleg met [appellant jr.]. besloten de woning in kamers te verhuren om zo de kosten daarvan te dekken. [geïntimeerde sr.] woonde zelf in een huurwoning elders in [plaats]. [geïntimeerde sr.] en [appellant jr.]. hebben de maandelijkse kosten van de woning op een rijtje gezet, waaronder de hypotheeklasten bij de ABN AMRO Bank (ad € 1.278,66) en de premie van een verzekering bij Avéro Achmea (ad € 500,00). [geïntimeerde sr.] en [appellant jr.]. hebben afgesproken dat [appellant jr.]. het beheer en de verhuur op zich zou nemen en dat hij wat van de huur na aftrek van de kosten overbleef, mocht houden als compensatie voor zijn inspanning. Ten behoeve van de verhuur van de woning heeft [geïntimeerde sr.] bij de ABN AMRO Bank een bankrekening geopend met rekeningnummer [rekeningnummer] (hierna: de ABN AMRO-rekening). Van die rekening werden aanvankelijk de betalingen gedaan en op die rekening kwam de huur aanvankelijk binnen.

3.4.

Vanaf enig moment in 2010 heeft [appellant jr.]. op deze wijze kamers in de woning verhuurd aan studenten.

3.5.

In maart 2012 is door een schuldeiser van [geïntimeerde sr.] conservatoir beslag gelegd onder de ABN AMRO Bank ten laste van [geïntimeerde sr.], waardoor de ABN AMRO-rekening werd geblokkeerd.

3.6.

Omdat de verhuur moeilijk kostendekkend te krijgen was, heeft [appellant jr.]. op enig moment in 2012 aan zijn vader voorgesteld de verzekering bij Avéro premievrij te maken. [geïntimeerde sr.] heeft daarin toegestemd. Bij brief van 23 november 2012 (abusievelijk gedateerd 23 november 2013) heeft [geïntimeerde sr.] aan Avéro verzocht een afkoopvoorstel te doen voor de afkoop van de verzekering, een pensioenplan.

3.7.

Uit hoofde van de afkoop van het pensioenplan heeft Avéro op 19 januari 2013 een bedrag van € 9.006,50 op de ABN AMRO-rekening gestort. Op 19 januari 2013 is vervolgens een bedrag van € 9.000,00 van de ABN AMRO-rekening overgeboekt naar de bankrekening van [appellant jr.].

3.8.

In februari 2013 heeft [geïntimeerde sr.] de machtigingen aan [appellant jr.]. met betrekking tot de verhuur van de woning ingetrokken en de sleutel teruggevraagd en teruggekregen. Sindsdien regelt hij de verhuur van de woning zelf.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellant jr.]. heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd (afgezien van een in hoger beroep niet meer ter zake doende vordering met betrekking tot de door de huurders betaalde waarborgsommen) dat [appellant jr.]. wordt veroordeeld tot betaling van € 9.000,00 vermeerderd met rente en kosten. Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [appellant jr.]. zich het bedrag van € 9.000,00 dat Avéro uit hoofde van de afkoop van de verzekering had betaald, onrechtmatig heeft toegeëigend. Hij heeft ter onderbouwing daarvan kort gezegd gesteld dat [geïntimeerde sr.] het aanvraagformulier met betrekking tot de afkoop van de verzekering op het adres [adres] had ontvangen, dat hij dit met een valse handtekening heeft ondertekend en dat hij het door Avéro overgeboekte bedrag meteen met behulp van de bankpas die hij voor de verhuur van de woning onder zich had, heeft doorgeboekt naar zijn eigen rekening, zonder toestemming van [geïntimeerde sr.]

4.2.

[appellant jr.]. heeft daartegen verweer gevoerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij met zijn vader heeft afgesproken, dit om zijn vader te helpen, dat hij de woning zou verhuren en dat hij zou mogen houden wat er van de huur na aftrek van de woonlasten overbleef. Verder heeft hij gesteld dat hij er eind 2012 achter is gekomen dat de premie van € 500,00 geen aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering betrof, maar een pensioenvoorziening en dat hij daar boos over was. Ten slotte heeft hij gesteld dat zijn vader in januari 2013 bij hem aan de deur kwam en hem aanbood het bedrag van € 9.000,00 als verdiende loon aan hem over te maken, hetgeen ook is gebeurd.

4.3.

De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis geoordeeld dat als [geïntimeerde sr.] het bedrag van € 9.000,- heeft overgeboekt, hij dient te bewijzen dat dat onverschuldigd is geschied. Als [appellant jr.]. het bedrag heeft overgemaakt (buiten [geïntimeerde sr.] om), dient [appellant jr.]. echter te bewijzen dat hij niettemin recht heeft op dit bedrag (rov. 3.3.). Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant jr.]., naar het hof dit oordeel begrijpt: gelet op hetgeen [geïntimeerde sr.] heeft aangevoerd, onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet over het bankpasje beschikte, aangezien [appellant jr.]. alles voor de verhuur van de woning regelde. Hij heeft geen verklaring gegeven hoe hij zonder over het pasje te beschikken betalingen heeft kunnen doen. De kantonrechter is er dan ook van uit gegaan dat [appellant jr.]. het bedrag van € 9.000,00 naar zichzelf heeft overgemaakt. Hij diende daarom, volgens de kantonrechter, te bewijzen dat hij niettemin recht heeft op deze betaling. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant jr.]. heeft gesteld dat hij als beloning mocht behouden hetgeen aan huuropbrengsten overbleef na betaling van de vaste lasten, maar dat [appellant jr.]. geen opstelling heeft gegeven van de inkomsten en uitgaven in de periode waarin hij het beheer over de woning had. Daarom kan volgens de kantonrechter niet worden vastgesteld dat hij recht had op betaling van € 9.000,00. De kantonrechter heeft vervolgens ook het beroep van [appellant jr.]. op een natuurlijke verbintenis en een schenking verworpen en de vordering toegewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1.

[appellant jr.]. is van dit vonnis in hoger beroep gekomen onder aanvoering van één grief. Hij voert aan dat de kantonrechter hem ten onrechte niet heeft toegelaten tot bewijslevering. Verder klaagt hij dat de kantonrechter er ten onrechte van uit is gegaan dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in het bezit was van het pasje van de ABN AMRO-rekening. Volgens [appellant jr.]. heeft hij het pasje van zijn vader nooit in zijn bezit gehad en heeft zijn vader zelf het bedrag van € 9.000,00 aan hem overgemaakt. Ten slotte heeft hij een overzicht van de inkomsten en uitgaven van de woning in het geding gebracht, aan de hand waarvan hij stelt te hebben aangetoond dat hij - de € 9.000,00 buiten beschouwing gelaten -, niets aan de verhuur heeft overgehouden.

5.2.

Het hof overweegt het volgende. [geïntimeerde sr.] heeft zijn vordering tot betaling van € 9.000,00 gebaseerd op onrechtmatige daad, bestaande in het zich zonder toestemming toe-eigenen van € 9.000,00 door het geld van de bankrekening van [geïntimeerde sr.] naar de eigen rekening over te maken. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van feiten en omstandigheden waaruit dat blijkt, rusten op [geïntimeerde sr.]

5.3.

Ook de kantonrechter is daar, zij het enigszins impliciet, van uit gegaan. Hij heeft immers overwogen dat indien [appellant jr.]. de betaling heeft gedaan (buiten [geïntimeerde sr.] om), [appellant jr.]. dient te bewijzen dat hij niettemin recht heeft op dit bedrag. Het hof vat dit zo op, dat als vast zou komen te staan dat [appellant jr.]. zonder toestemming van zijn vader het geld heeft overgemaakt, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat hij geen recht heeft op dit bedrag, en dat hij door het naar zichzelf over te boeken onrechtmatig heeft gehandeld, in welk geval hij dient te bewijzen dat hij wel aanspraak had op een bedrag van € 9.000,00. Dat laat onverlet, zo begrijpt het hof de overwegingen van de kantonrechter, dat de bewijslast van de stelling dat [appellant jr.]. buiten zijn toestemming het geld heeft overgemaakt naar zijn eigen bankrekening, bij [geïntimeerde sr.] ligt. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat [appellant jr.]. de stelling van [geïntimeerde sr.] dat hij over de bankpas beschikte onvoldoende heeft weersproken.

5.4.

[geïntimeerde sr.] heeft naar voren gebracht dat niet hij maar zijn zoon over de bankpas van de ABN AMRO-rekening beschikte. [appellant jr.]. heeft dat betwist en aangevoerd dat juist zijn vader over de bankpas beschikte. [appellant jr.]. heeft daaromtrent bewijs aangeboden. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellant jr.]. voldoende heeft gesteld ter betwisting van de stelling van [geïntimeerde sr.] dat [appellant jr.]. over het bankpasje van de ABN AMRO-rekening beschikte. [appellant jr.]. heeft gesteld dat de betalingen via automatische overschrijving werden gedaan en dat hij zo nu en dan bij zijn vader kwam en dan ook via internetbankieren de rekening checkte. Het hof ziet aanleiding om de partijen eerst toe te laten tot (getuigen)bewijslevering alvorens verder te beslissen. Conform de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zal aan [geïntimeerde sr.] bewijs worden opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [appellant jr.]. zonder toestemming van [geïntimeerde sr.] € 9.000,00 van de ABN AMRO-rekening heeft overgemaakt naar zijn eigen rekening. De bewijswaardering, ook ten aanzien van de reeds in het geding gebrachte stukken, zal na de bewijslevering plaatsvinden.

5.5.

Als [geïntimeerde sr.] in het bewijs slaagt dat [appellant jr.]. het geld zonder toestemming heeft overgemaakt, resteert de vraag of [appellant jr.]. uit hoofde van de afspraak dat hij de woning zou verhuren en (na aftrek van de lasten) zou mogen behouden wat hij over zou houden, aanspraak kan maken op de afkoopsom van de - naar hem later bleek - pensioenverzekering. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, heeft [appellant jr.]. immers een tegenvordering op [geïntimeerde sr.] die hij in verrekening kan brengen en moet de vordering van [geïntimeerde sr.] daarom alsnog worden afgewezen.

5.6.

De partijen zijn het erover eens dat zij voorafgaand aan de afspraak dat [appellant jr.]. voor [geïntimeerde sr.] de woning zou gaan verhuren, hebben doorgenomen wat de kosten waren en dat daarbij aan de orde is geweest dat er een premie van € 500,00 per maand voor een levensverzekering moest worden betaald. Bij het tot stand komen van de afspraak gingen de partijen er beiden vanuit dat die premie ook door de huuropbrengst zou moeten worden gedekt en dat [appellant jr.]. mocht houden wat hij na dekking van de kosten, waaronder die premie, zou overhouden. In het licht van deze onbetwiste omstandigheid rechtvaardigen de door [appellant jr.]. aangevoerde feiten en omstandigheden niet een uitleg van de overeenkomst die erop neerkomt dat de besproken bedragen alsnog aan [appellant jr.]. zouden toekomen voor zover mocht blijken dat partijen deze bij aanvang ten onrechte als lasten zouden hebben gekwalificeerd. Waar het de door [appellant jr.]. gestelde uitleg van de overeenkomst betreft wordt aan bewijslevering dus niet toegekomen.

De afspraak moet naar het oordeel van het hof aldus worden uitgelegd, dat [appellant jr.]. mocht houden wat hij na de aan beide partijen bekend zijnde kosten, waaronder de premie, overhield. Thans doet zich de situatie voor dat sprake blijkt te zijn van een pensioenvoorziening en niet van een, naar [appellant jr.]. dacht, aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering. Dat de partijen, althans [appellant jr.], in een onjuiste veronderstelling verkeerden over het karakter van de verzekering, brengt gelet op het voorgaande nog niet mee dat [appellant jr.]. uit hoofde van die afspraak alsnog het overgespaarde kapitaal kan vorderen. Dat betekent dat het - impliciete - beroep op verrekening faalt.

5.7.

Als [geïntimeerde sr.] niet in het bewijs slaagt van zijn stelling dat [appellant jr.]. het geld zonder toestemming heeft overgemaakt, zal het hof ervan uitgaan dat het geld met toestemming van [geïntimeerde sr.] is overgemaakt. Van een onrechtmatige daad is dan geen sprake. De vordering zal dan worden afgewezen.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [geïntimeerde sr.] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [appellant jr.]. zonder de toestemming van [geïntimeerde sr.] op 19 januari 2013 het bedrag van € 9.000,00 van de ABN AMRO-rekening heeft overgeboekt naar de bankrekening van [appellant jr.].;

bepaalt dat, indien [geïntimeerde sr.] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken op de roldatum 15 december 2015 in het geding dient brengen,

bepaalt dat, indien [geïntimeerde sr.] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. A.E.B. ter Heide, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [geïntimeerde sr.] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden januari tot en met maart 2016 zal opgeven op de roldatum 1 december 2015, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde sr.] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.B. ter Heide, H. de Hek en M.B. Beekhoven van den Boezem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.