Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:856

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
200.141.668
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting arbeidsovereenkomst met advocaat-stagiaire na ommekomst van arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor de duur van de stageperiode)?

Goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/501
AR-Updates.nl 2015-0304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.668/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, kantonrechter, locatie Utrecht, 852950)

arrest van de derde kamer van 10 februari 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.J. Laatsman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.M. van Zelm.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 april 2014 hier over.

1.1.

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van 21 mei 2014;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties.

1.2.

Ter zitting van 19 december 2014 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. R.J. Laatsman, advocaat te Oss en [geïntimeerde] door mr. J. Witvoet, advocaat te De Bilt. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

1.3.

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

2.2.

[appellant] is op 1 december 2008 in dienst getreden van [geïntimeerde] als advocaat-stagiair, tegen een brutoloon van € 2.716,-- per maand. [appellant] ontving maandelijks een tegemoetkoming in zijn reiskosten ten bedrage van € 361,36 netto.

2.3.

In de op 19 november 2008 door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“2. Het dienstverband wordt aangegaan voor de duur van de stagetijd. Niettemin blijft tussentijdse opzegging mogelijk. Bij het verkrijgen van de stageverklaring eindigt het dienstverband, zonder dat opzegging vereist zal zijn. (…)

11. Gedurende het dienstverband is [appellant] gerechtigd en gehouden de door de Orde van Advocaten te Utrecht voorgeschreven beroepsopleiding en cursussen te volgen. De hieraan verbonden kosten worden gedragen door de vennootschap met dien verstande dat indien het dienstverband, om welke reden dan ook, eindigt gedurende de looptijd van deze overeenkomst, danwel eindigt door opzegging van [appellant] binnen één maand na het verkrijgen van de stageverklaring, [appellant] de kosten van de beroepsopleiding integraal aan de vennootschap zal terugbetalen zonder enige korting of schuldvergelijking. (…)”.

2.4.

Artikel 5.6. van het stagereglement in het arrondissement Utrecht luidt:

“De patroon zal bij voorkeur aan het einde van het tweede jaar van de stage, maar tenminste zes maanden voor het einde van de stageperiode, met de stagiaire bespreken of er voor de stagiaire al dan niet de mogelijkheid bestaat om na afloop van de stage op het kantoor van de patroon als advocaat werkzaam te blijven.”

2.5.

Op 27 februari 2009 is [appellant] beëdigd als advocaat en is de drie jaar durende stage aangevangen.

2.6.

In februari 2012 hebben partijen gesproken over voortzetting van het dienstverband na het verkrijgen van de stageverklaring. Bij brief van 15 februari 2012 heeft [geïntimeerde] [appellant] hierover het volgende bericht:

“Hierbij bevestig ik nog even dat wij naar aanleiding van het verkrijgen van jouw stageverklaring in ieder geval het dienstverband met 6 maanden zullen verlengen op nader te bespreken voorwaarden.

Voorts spraken wij af dat je zodra je een nieuw kantoor hebt gevonden in ieder geval een langere opzegtermijn in acht zult nemen.”

2.7.

Op 29 maart 2012 is de stageverklaring aan [appellant] uitgereikt. [appellant] heeft zijn werkzaamheden bij [geïntimeerde] voortgezet.

2.8.

Op 2 en 3 april 2012 hebben er wederom gesprekken plaatsgevonden tussen partijen over voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Op 3 april 2012 heeft [geïntimeerde] [appellant] op non-actief gesteld.

2.9.

Bij brief van 4 april 2012 heeft [geïntimeerde] [appellant] het volgende meegedeeld:

“Hierbij bevestig ik nog even dat je dienstverband zal eindigen ultimo april. Met de in de afgelopen tijd door je opgenomen vrije dagen resteren geen vakantiedagen meer. Voor het overige heb ik je ontslagen van de verplichting tot het verrichten van arbeid. (…)”

2.10.

[appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 17 april 2012 onder meer het volgende bericht:

“Het dienstverband is ingevolge artikel 2 van de stageovereenkomst c.q. arbeidsovereenkomst d.d. 19 november 2008 van rechtswege eind maart 2012 geëindigd bij het verkrijgen van de stageverklaring. Nadien hebben er weliswaar onderhandelingen plaatsgevonden over een nieuwe aansluitende arbeidsovereenkomst, maar die hebben niet geleid tot een nieuwe arbeidsovereenkomst. Gezien het feit dat er onderhandelingen hebben plaatsgevonden is de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege verlengd in de zin van artikel 7:668 BW; de arbeidsovereenkomst is immers niet zonder tegenspraak voortgezet.”

2.11.

Bij brief van 1 mei 2012 heeft [appellant] [geïntimeerde] het volgende meegedeeld:

“Afgelopen donderdag 29 maart 2012 is de stageverklaring aan mij uitgereikt en is het dienstverband van rechtswege geëindigd. Daarvóór heb ik na jouw brief van 15 februari 2012 (…) binnen enkele dagen aangegeven dat ik niet voornemens was een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd voor de duur van 6 maanden aan te gaan, omdat ik een lange zomervakantie wilde houden en uiterlijk 1 juni 2012 wilde stoppen. Ook gaf je in jouw brief van 15 februari 2012 aan dat ik jou moest berichten indien ik een nieuwe werkgever had gevonden. Daarop gaf ik te kennen sowieso te willen stoppen, ongeacht of ik een nieuwe werkgever had gevonden. Kortom, ik was het niet eens met de uitgangspunten van jouw brief van 15 februari 2012. Hoe het ook zij, daarover moesten wij nog praten (…).

In maart 2012 heb ik je meerdere malen aan herinnerd dat we nog moesten praten over een nieuwe aansluitende arbeidsovereenkomst. (…) Pas nadat ik een afspraak in jouw agenda heb laten zetten voor 2 april 2012, hebben we kunnen praten. (…)

Gezien het voorgaande is jouw stelling dat ik het dienstverband heb opgezegd, onjuist. Ten eerste is hier geen nieuwe arbeidsovereenkomst overeengekomen. (…) Ten tweede heb jij besloten het dienstverband niet te verlengen. Dit leid ik af uit jouw brief van 4 april 2012.”

2.12.

Bij brief van 8 mei 2012 heeft [geïntimeerde] [appellant] een eindafrekening doen toekomen. [geïntimeerde] heeft blijkens de eindafrekening te betalen netto loonbedrag ad € 3.233,72 verrekend met de kosten van de beroepsopleiding ad € 4.500,--. In de brief van 8 mei 2012 staat onder meer het volgende:

“Ten tijde van het opmaken van het stagerapport, heb je aangegeven nog in dienst te zullen blijven, doch niet “voor eeuwig”. Aan de Orde werd dan ook bericht dat het dienstverband zou voortduren. Kort nadien heb je aangegeven niet precies te weten wat je wilde. Je overwoog in de advocatuur te blijven, een lange vakantie te nemen, danwel de advocatuur te verlaten, of te verruilen voor een functie bij een groter kantoor e.d. Daarop heb ik aangegeven het dienstverband in afwachting van de voor jou niet eenvoudige keuze met een half jaar te zullen verlengen. Dat heb ik ook schriftelijk bevestigd.”

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd:

a. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van het loon over april 2012 ad € 2.716,00, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf 1 mei 2012;

b. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de vakantiebijslag en vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf 1 mei 2012;

c. voor recht te verklaren dat het gegeven ontslag onregelmatig is in de zin van artikel 7:677 BW;

d. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding over de maanden mei, juni en juli 2012 ad € 8.148,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2012;

e. primair, [geïntimeerde] te veroordelen tot (terug)betaling van de verrekende studiekosten ad € 4.500,00, voor zover [geïntimeerde] niet reeds gehouden is tot betaling van het loon zoals hiervoor gevorderd waarmee de studiekosten verrekend zijn;

f. subsidiair, te verklaren voor recht dat [appellant] niet verplicht is studiekosten (terug) te betalen aan [geïntimeerde], althans dat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op terugbetaling van de studiekosten door [appellant];

g. [geïntimeerde] te veroordelen om [appellant] een deugdelijke eindspecificatie te verstrekken, op straffe van de verbeurte van een dwangsom;

h. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de reiskosten ad € 650,91 met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2012;

i. [geïntimeerde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad € 847,00, alsmede in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat tussen partijen daadwerkelijk een voortzetting van de arbeidsovereenkomst na 29 maart 2012 is overeengekomen en evenmin dat [geïntimeerde] uit de gedragingen van [appellant] vlak voor en na 29 maart 2012 mocht afleiden dat [appellant] stilzwijgend heeft ingestemd met voortzetting van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst op 29 maart 2012 van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter heeft de vordering tot verklaring voor recht dat het ontslag onregelmatig is gegeven afgewezen, evenals de vorderingen tot betaling van het loon over april 2012, de gefixeerde schadevergoeding over de maanden mei, juni en juli 2012 en de reiskosten. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] wel veroordeeld tot het verstrekken van de eindafrekening, op straffe van een dwangsom. Ook heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [appellant] niet verplicht is studiekosten (terug) te betalen aan [geïntimeerde].

3.3.

[appellant] heeft bij memorie van grieven vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden. Hij heeft vernietiging gevorderd van de vonnissen van 3 april 2013 en 13 november 2013, en gevorderd, samengevat, dat het hof, opnieuw rechtdoend, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de vorderingen genoemd in 3.1. onder a, b, c, d, g en h zal toewijzen, te vermeerderen met proceskosten en nakosten. Daarnaast heeft [appellant] betaling gevorderd van het loon over 30 maart 2012 ad € 64,21 netto. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] in zijn hoger beroep niet ontvankelijk zal verklaren dan wel zijn grieven zal verwerpen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

3.4.

[appellant] zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep tegen het comparitievonnis van 3 april 2013, aangezien daartegen op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen hogere voorziening openstaat.

3.5.

De grieven 1 tot en met 4 richten zich alle tegen het oordeel van de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 4.4. en 4.5 van het vonnis van 13 november 2013 dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is beëindigd. [appellant] voert aan dat de arbeidsovereenkomst, die op 1 december 2008 is aangevangen, op grond van artikel 7:668a lid 1 sub a BW op 1 december 2011 van rechtswege is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

3.6.

Het hof volgt [appellant] daarin niet. Artikel 7:668a lid 1 sub a BW bepaalt, voorzover van belang, dat vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, met ingang van die laatste dag de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is tussen 1 december 2008 en 1 december 2011 echter geen sprake geweest van meer dan één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [appellant] en [geïntimeerde] zijn één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, namelijk ‘voor de duur van de stagetijd’, zoals is bepaald in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst. In zoverre verschilt de situatie dan ook op een cruciaal punt van de zaak die heeft geleid tot het door [appellant] aangehaalde arrest HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1081, JAR 2013, 299. In die zaak was immers sprake van verschillende opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Artikel 7:668a lid 1 sub a BW staat er, anders dan [appellant] lijkt te bepleiten, niet aan in de weg dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van meer dan drie jaar wordt overeengekomen, hetgeen ook al blijkt uit artikel 7:668a lid 3 BW.

3.7.

Voorzover [appellant] tevens heeft aangevoerd dat het oordeel van de kantonrechter, dat de partijen niet daadwerkelijk een voortzetting van de arbeidsovereenkomst na 29 maart 2012 zijn overeengekomen, onjuist is, wordt dat betoog als onvoldoende onderbouwd verworpen. Tussen de partijen staat vast dat over de essentialia van de overeenkomst, waaronder het loon, geen overeenstemming bestond. Het hof verenigt zich met hetgeen de kantonrechter daaromtrent in rechtsoverweging 4.4. van het bestreden vonnis heeft overwogen en maakt dat oordeel tot het zijne. [appellant] heeft niets aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt.

3.8.

Op grond van het voorgaande falen de grieven 1 en 2, voorzover zij gericht zijn tegen het oordeel van de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 29 maart 2012. Grief 3 faalt omdat [appellant] belang mist bij deze grief, aangezien de vraag of de arbeidsovereenkomst op 29 maart 2012 van rechtswege is geëindigd zonder dat sprake is van een voortzetting zonder tegenspraak, in hoger beroep in ieder geval wél onderdeel uitmaakt van de rechtsstrijd. Grief 4 ten slotte faalt omdat [appellant] niet uiteenzet op welke grond hij - in de situatie die zich voordoet, te weten dat de arbeidsovereenkomst op 29 maart 2012 van rechtswege is geëindigd - aanspraak heeft op betaling van loon over de dagen 30 maart, 2 april en 3 april.

3.9.

[appellant] heeft nog aangevoerd (onder 18.4 van de memorie van grieven) dat de kantonrechter ten onrechte de vordering tot betaling van wettelijke verhoging heeft afgewezen. Ook deze grief wordt verworpen. Aangezien [appellant] rond 29 maart 2012 en in de periode daarna wisselende stellingen heeft betrokken en zelf daardoor heeft bijgedragen aan het ontstaan van een onduidelijke situatie, ziet het hof onvoldoende grond voor toekenning van de wettelijke verhoging over het saldo van de eindafrekening.

3.10.

In onderdeel 19 van de memorie van grieven ligt een grief besloten tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering tot betaling van reiskosten wordt afgewezen aangezien [appellant] er voor heeft gekozen zijn ov-jaarkaart niet (tijdig) op te zeggen. [appellant] heeft aangevoerd dat het voor rekening en risico van [geïntimeerde] komt dat deze plots op 4 april 2012 de arbeidsovereenkomst opzegt, alsmede dat deze pas zo laat besluit om het contract te beëindigen, terwijl het de keuze van [geïntimeerde] was de reiskosten via een gespreide maandelijkse betaling te voldoen.

Hierover wordt als volgt overwogen. Op grond van artikel 5.6. van het stagereglement rustte op [geïntimeerde] de verplichting om zes maanden voor het einde van de stage met [appellant] in gesprek te gaan over eventuele voortzetting van de arbeidsverhouding. Ook uit artikel 7:611 BW vloeit voort dat [geïntimeerde] tijdig voorafgaand aan het einde van de overeengekomen bepaalde tijd met [appellant] over een eventuele voortzetting in gesprek diende te gaan. [geïntimeerde] heeft dat nagelaten. Weliswaar heeft [geïntimeerde] half februari 2012 daarover met [appellant] gesproken (en bij brief van 15 februari 2012 aan [appellant] bevestigd dat het dienstverband met zes maanden zou worden verlengd op nader te bespreken voorwaarden), maar zij heeft dit gesprek niet afgemaakt en is niet tijdig teruggekomen op de kwestie onder welke voorwaarden het dienstverband zou worden verlengd. Daardoor heeft [geïntimeerde] [appellant] de mogelijkheid onthouden tijdig zijn ov-jaarkaart op te zeggen en zich daarmee onnodige kosten te besparen. Artikel 7:611 BW brengt dan ook mee dat [geïntimeerde] die kosten voor haar rekening dient te nemen. De grief slaagt.

3.11.

[appellant] heeft gespecificeerd bewijs aangeboden van de stelling dat hij nimmer heeft ingestemd met het ontslag zoals wordt gesteld door [geïntimeerde], van de stelling dat er vakantiedagen openstonden en van de stelling dat hij niet eerder dan op 1 augustus 2013 (bedoeld zal zijn: 2012) in dienst kon treden bij Sleutels Advocaten. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat deze stellingen, indien juist, niet tot een ander oordeel leiden.

3.12.

Met grief 5 voert [appellant] aan dat [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg had moeten worden veroordeeld, aangezien de kantonrechter de vorderingen had moeten toewijzen. Het hof zal de compensatie van de proceskosten van de procedure in eerste aanleg in stand laten, nu de toewijzing van de reiskosten in de afweging met betrekking tot de kostenveroordeling geen wezenlijk verschil maakt. Voor het overige mist deze grief zelfstandige betekenis. Zij wordt dus verworpen.

4 Slotsom

4.1.

De grief die besloten ligt in onderdeel 19 van de memorie van grieven slaagt. De overige grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behoudens voorzover daarbij de gevorderde reiskosten (met rente daarover) zijn afgewezen. Voor wat betreft dit laatste zal het vonnis worden vernietigd, waarna de vordering tot vergoeding van de reiskosten met rente zal worden toegewezen.

4.2.

Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 1.920,00 wegens griffierecht en € 2.682,00 wegens salaris advocaat (3 punten x tarief II).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 3 april 2013;

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Utrecht) van 13 november 2013, behoudens voor zover daarbij de door [appellant] gevorderde reiskosten ad € 650,91 met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2012 zijn afgewezen, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 650,91, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2012 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.920,00 voor verschotten en op € 2.682,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.B. ter Heide, L.F. Wiggers-Rust en J.P. Fokker en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2015.