Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8559

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
04-02-2016
Zaaknummer
200.165.796
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag mentor. Gewichtige redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.165.796

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 3359146)

beschikking van de familiekamer van 12 november 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de dochter van betrokkene,
advocaat: mr. R.P. Adema te Apeldoorn,

en

Stichting Warande,

(Wooncentrum Heereweegen),

gevestigd te Zeist,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: Stichting Warande,

advocaat: mr. E.L.M. Louwen te Utrecht.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[betrokkene],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: betrokkene,


en

Stichting Mentorschap Midden Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verder te noemen: Stichting MMN.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht) van 20 november 2014 en
24 december 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 18 februari 2015;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen op 29 april 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Adema van 3 september 2015 met bijlagen, ingekomen op

4 september 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 september 2015 plaatsgevonden. De dochter van betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens Stichting Warande zijn verschenen [… 1] en [… 2], bijgestaan door hun advocaat.
Namens Stichting MMN zijn verschenen [… 3] (mentor) en [… 4].

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft bij beschikking van 14 oktober 2013 over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene een bewind ingesteld en de dochter van betrokkene tot bewindvoerder benoemd, alsmede een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene en de dochter van betrokkene tot mentor benoemd.

3.2

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 20 november 2014 heeft de kantonrechter de dochter van betrokkene met ingang van die datum ontslagen als mentor en de zaak voor het overige aangehouden tot 10 december 2014, in afwachting van de bereidverklaring van een nieuwe mentor.

3.3

Bij de bestreden beschikking van 24 december 2014 heeft de kantonrechter met ingang van 1 januari 2015 Stichting MMN tot mentor van betrokkene benoemd en voorts bepaald dat de mentor voor zijn/haar werkzaamheden en voor de met het mentorschap gemoeide kosten de door het Landelijk Overleg Voorzitters Civiel en Kanton (LOVCK) vastgestelde forfaitaire tarieven dan wel door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van de betrokkene mag brengen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is het ontslag van de dochter van betrokkene als mentor.

4.2

De dochter van betrokkene is met één grief in hoger beroep gekomen tegen de beschikkingen van 20 november 2014 en 24 december 2015. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De dochter van betrokkene verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikkingen van
20 november 2014 en 24 december 2014 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van Stichting Warande tot haar ontslag als mentor en tot benoeming van een nieuwe (professionele) mentor, alsnog af te wijzen.

4.3

Stichting Warande voert verweer. Zij verzoekt het hof het beroep van de dochter van betrokkene ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:461 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) wordt een mentor ontslag verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 451, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.

5.2

In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of er gewichtige redenen zijn om de dochter van betrokkene (ambtshalve) ontslag te verlenen.

5.3

De dochter van betrokkene stelt in haar grief dat de kantonrechter haar ten onrechte heeft ontslagen als mentor over betrokkene en dat hij - eveneens ten onrechte - MMN tot mentor heeft benoemd. Zij betwist dat zij niet geschikt is om de niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene te behartigen. Volgens haar heeft Stichting Warande wel degelijk steken laten vallen in de zorg voor betrokkene, zoals zij bij herhaling naar voren heeft gebracht. Zo heeft Stichting Warande verzuimd betrokkene te laten revalideren en is fysiotherapie nauwelijks van de grond gekomen. Al snel heeft Stichting Warande teruggegrepen op het gebruik van een zogeheten plukpak. Voorts heeft betrokkene anderhalf jaar een urinekatheder gehad daar waar de uroloog een minder pijnlijk alternatief had geadviseerd. Betrokkene heeft de eerste veertien maanden van zijn verblijf bij Stichting Warande geen tandheelkundige zorg ontvangen en er werd niets gedaan met zijn diarreeklachten.
Betrokkene kreeg verder - aldus zijn dochter - nauwelijks ruimte om dagelijks terugkerende handelingen te blijven verrichten, waarmee de weg terug naar zelfstandigheid praktisch werd afgesneden. Afspraken met specialistische zorgverleners werden door Stichting Warande afgezegd, input van haar werd genegeerd. Er is onnodig dwang op betrokkene toegepast. De zorg voor betrokkene bij Stichting Warande is ver onder de maat. Het stond Stichting Warande niet vrij zonder haar instemming of zonder overleg met haar als mentor ingrijpende maatregelen te treffen.
Op 21 juli 2014 zijn afspraken gemaakt tussen Stichting Warande en haar over de zorg aan betrokkene. De afspraken zijn echter niet of niet volledig opgenomen in het zorgleefplan.
Het zorgleefplan voldeed niet aan de regels van Inspectie Gezondheidszorg en was niet volledig. De dochter van betrokkene betwist de stelling van Stichting Warande, dat door haar toedoen sprake was van een onwerkbare situatie; in ieder geval bestrijdt de dochter van betrokkene dat haar daarvan verwijt kan worden gemaakt en dat dit zou moeten leiden tot haar ontslag. Zij stelt verder dat zij door de zorginstelling als mentor in staat moet worden gesteld haar taken te vervullen. Zij stelt voorts dat zij vanuit haar betrokkenheid bij betrokkene Stichting Warande veelvuldig kritische vragen heeft gesteld over de aan hem verleende zorg, maar dat adequate antwoorden zijn uitgebleven. De inmiddels ontstane situatie kan aan de dochter van betrokkene niet worden toegerekend; juist aan de zijde van Stichting Warande moeten veranderingen worden doorgevoerd om goede zorg aan betrokkene te kunnen leveren. Haar ontslag als mentor is geen oplossing. De dochter van betrokkene acht zich zelf heel goed in staat de belangen van betrokkene te vertegenwoordigen.

Het is volgens de dochter van betrokkene is het Stichting Warande die niet vatbaar is gebleken voor overleg. De dochter van betrokkene is op haar beurt er van overtuigd dat zij, weliswaar vanuit een kritische opstelling, constructief overleg met Stichting Warande voerde. Benoeming van Stichting MMN als nieuwe mentor acht zij niet in het belang van betrokkene. Zij heeft geconstateerd dat Stichting MMN zich niet voldoende op de hoogte stelt van voorkeuren en medische achtergrond van betrokkene, aldus nog steeds de dochter van betrokkene.

5.4

Stichting Warande voert op haar beurt aan dat de samenwerking tussen haar en de dochter van betrokkene is vastgelopen en dat hierdoor een onwerkbare en onhoudbare situatie is ontstaan. De zorg voor betrokkene staat voorop en Stichting Warande kan met de dochter als mentor de belangen van betrokkene niet langer optimaal dienen. De stichting blijft bij haar standpunt dat de dochter ongeschikt is als mentor. De handelwijze van de dochter is, hoezeer ook goed bedoeld, niet in het belang van betrokkene. De stichting heeft lange tijd getracht de communicatie met de dochter van betrokkene open te houden, maar dat is niet gelukt. De dochter van betrokkene is moeilijk bereikbaar. Voor zover er wel contact was deed zij dit op een zodanig confronterende manier dat het personeel van Stichting Warende zich daarover zeer ongemakkelijk voelde. De dochter van betrokkene ziet haar eigen aandeel in de verstoord geraakte verstandhouding niet. Zij heeft geen vertrouwen in de oprechte bedoelingen en zorg van Stichting Warande. Dit maakt communicatie met haar over het zoeken naar goede zorg voor betrokkene onmogelijk.
Stichting Warande heeft de klachten van de dochter altijd serieus genomen en steeds met haar gezocht naar oplossingen. Een gezond kritische houding is in het geval van de dochter van betrokkene ontaard in achterdocht. Daarbij heeft de dochter van betrokkene fatsoensnormen overschreden. Als gevolg daarvan is de relatie tussen haar en het personeel van Stichting Warande ernstig verstoord geraakt. Ook betrokkene blijkt die spanning te voelen. De houding van de dochter van betrokkene is niet in het belang van betrokkene. Stichting Warande heeft al het mogelijke gedaan om tot constructief overleg met de dochter van betrokkene te komen, maar dit is niet gelukt. De situatie is in augustus 2014 onhoudbaar geworden. Betrokkene leed onder de spanning tussen de dochter en de zorgverleners. Om die reden heeft Stichting Warande naar dit laatste redmiddel gegrepen. Benoeming van de nieuwe mentor was als eerste gericht op herstel van het vertrouwen met betrokkene.
Wijziging van de mentor heeft volgens Stichting Warande geleid tot verbetering van het welzijn van betrokkene. Het contact met Stichting MMN verloopt goed, aldus nog steeds Stichting Warande.

5.5

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gebracht is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de dochter van betrokkene op grond van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 1:461 lid 2 BW uit haar functie van mentor dient te worden ontslagen. Het hof verwijst naar de motivering van de kantonrechter in de bestreden beschikking, neemt deze na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne. Hieraan voegt het hof nog het volgende toe.
Het hof oordeelt dat de norm van artikel 6:2 BW analogisch moet worden toegepast, hetgeen betekent dat redelijkheid en billijkheid leidend moeten zijn in de verhouding tussen de dochter en Stichting Warande. De invulling van het mentorschap door de dochter gaat de aldus getrokken grenzen te buiten, zoals blijkt uit de door het hof overgenomen motivering van de kantonrechter, die het hof nog als volgt aanvult.

Ook in hoger beroep is niet gebleken dat de dochter haar houding ten opzichte van Stichting Warande heeft gewijzigd. Het hof acht het in het belang van betrokkene noodzakelijk dat op vruchtbare wijze kan worden gecommuniceerd en afspraken kunnen worden gemaakt tussen de mentor en de zorginstelling over de zorgverlening aan betrokkene. Gebleken is echter dat het Stichting Warande en de dochter van betrokkene niet is gelukt gezamenlijke afspraken te maken over welke zorg betrokkene nodig heeft. Het wantrouwen van de dochter van betrokkene jegens Stichting Warande is dermate groot dat het niet mogelijk is gebleken constructief met elkaar te communiceren. Ook ter mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de dochter zich niet over haar wantrouwen jegens Stichting Warande heen kan zetten om op een positieve manier invulling te geven aan haar taak als mentor en dat zij niet in staat is om een aandeel te leveren in het creëren en in stand te houden van een werkbare verstandhouding. Stichting Warande heeft naar het oordeel van het hof al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was gedaan om tot constructief overleg met de dochter te komen, maar dit is niet gelukt. De voorbeelden die Stichting Warande daarvan ter mondelinge behandeling heeft gegeven, hebben het hof daarvan overtuigd.
Gebleken is verder dat betrokkene signalen heeft afgegeven waaruit blijkt dat hij beseft dat er spanningen zijn tussen de mentor en de zorginstelling. Indien de dochter van betrokkene het mentorschap blijft uitvoeren, is de kans groot dat de spanningen blijven voortbestaan, hetgeen het hof strijdig acht met het belang van betrokkene. Hoewel de dochter een groot en gerechtvaardigd belang heeft om betrokken te zijn bij de zorg van betrokkene, acht het hof haar, gelet op de ontstane onwerkbare situatie in haar verhouding tot Stichting Warande, niet langer geschikt om de niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene te behartigen en het mentorschap naar behoren te kunnen uitvoeren. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om de dochter van betrokkene te ontslaan als mentor en een onafhankelijke mentor te benoemen.

6
6. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht) van 20 november 2014 en 24 december 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.P.M. van den Dungen, C.J. Laurentius-Kooter en B.F. Keulen, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 12 november 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.