Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8538

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
200.162.560/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Uitleg niet-wijzigingsbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0339
FJR 2016/41.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.162.560/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/104230 / FA RK 14-821)

beschikking van de familiekamer van 10 november 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.U. van der Werff, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.F. Dirkzwager, kantoorhoudend te Meppel.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 oktober 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 7 januari 2015;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen op 19 februari 2015;

  • -

    een journaalbericht van 29 januari 2015 met bjilagen namens mr. Van der Werff;

  • -

    een journaalbericht van 13 april 2015 met bijlagen van mr. Dirkzwager;

  • -

    een journaalbericht van 14 april 2015 met bijlagen van mr. Dirkzwager;

  • -

    een journaalbericht van 16 april 2015 met bijlagen namens mr. Van der Werff;

  • -

    een journaalbericht van 22 april 2015 met bijlage namens mr. Van der Werff;

  • -

    een journaalbericht van 31 augustus 2015 met bijlagen namens mr. Van der Werff;

  • -

    een journaalbericht van 1 september 2015 met bijlage namens mr. Van der Werff.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 september 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1997 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is [in] 1999 [de jong-meerderjarige] en [in] 2002 [de minderjarige] geboren.

3.2

Het huwelijk van partijen is [in] 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 26 oktober 2005 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Partijen zijn bij echtscheidingsconvenant d.d. 3 augustus 2005 overeengekomen dat de man € 500,-- per kind per maand aan kinderalimentatie en € 3.500,-- bruto per maand aan partneralimentatie zal voldoen.

3.4

De man woont samen met zijn huidige partner [C] , met wie hij een dochter heeft (te weten: [D] , geboren [in] 2009).

4 De procedure in eerste aanleg

4.1

De man heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 3 maart 2014, verzocht om het convenant van 3 augustus 2005 en de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 oktober 2005 te wijzigen in die zin dat de man met ingang van 1 maart 2014 € 375,-- per kind per maand betaalt en dat de door de man voor de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van maart 2014 op nihil zal worden gesteld.

4.2

De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft zich bij beschikking van 3 april 2014 onbevoegd verklaard om van het verzoekschrift van de man kennis te nemen en heeft de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, verwezen.

4.3

De vrouw heeft verweer gevoerd bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 28 mei 2014.

4.4

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijn oorspronkelijke verzoek gewijzigd, in die zin dat de man een kinderalimentatie van € 500,-- per kind per maand zal blijven voldoen, de partneralimentatie met ingang van 1 maart 2014 op nihil dient te worden gesteld en de vrouw zal worden veroordeeld om het teveel ontvangen bedrag aan de man terug te betalen.

4.5

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking het verzoek van de man afgewezen.

5 Het verzoek in hoger beroep

5.1

De man verzoekt in zijn beroepschrift om de beschikking van 8 oktober 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende het convenant van 3 augustus 2005 en de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 oktober 2005 te wijzigen, in die zin dat de man met ingang van 1 maart 2014 € 375,-- per kind per maand betaalt, het te wijzigen in die zin dat de door de man voor de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 maart 2014 op nihil zal worden gesteld en de vrouw te veroordelen om terug te betalen hetgeen zij teveel ontvangen heeft.

6 De motivering van de beslissing

6.1

In het echtscheidingsconvenant d.d. 3 augustus 2005 is ten aanzien van de partner- en de kinderalimentatie onder meer het volgende opgenomen:

"Artikel 1. alimentatie vrouw

1. De ondergetekenden stellen vast dat zij met ingang van verkoop en levering van voormelde echtelijke woning duurzaam gescheiden zullen gaan leven. Vanaf die datum tot maximaal twaalf jaar daarna wordt er door de man een bedrag van drieduizend vijfhonderd euro (€ 3.500,00) bruto per maand aan alimentatie aan de vrouw betaald.

2. De hoogte van de alimentatie is gekoppeld aan de winst uit onderneming (tandartspraktijk) van de man en wordt van jaar tot jaar bepaald aan de hand van de jaarstukken per ultimo van elk jaar, geldend voor het daaropvolgend jaar, volgens de hierna onder punt 1.3 opgenomen formule, met dien verstande dat de alimentatie nooit minder zal zijn dan drieduizend vijfhonderd (€ 3.500,00) per maand. Investeringsbeslissingen in de onderneming zijn uitsluitend ter beoordeling van de man en worden alleen door hem genomen. Bij gehele of gedeeltelijke staking van zijn onderneming zal de regeling mutatis mutandis van toepassing zijn op het bruto jaarinkomen van de man. Bij voorgenomen staking van de onderneming zal de man de vrouw minimaal vier maanden tevoren informeren.

3. Met inachtneming van punt 1.2 wordt de alimentatie vastgesteld aldus: winst uit onderneming minus netto kinderalimentatie per jaar, minus eventuele kosten van kinderopvang (creche en naschoolse opvang), minus de netto-rentelasten van de man ter zake van de lening als bedoeld in artikel 6.4, gedeeld door twee, tot een maximum van vierduizend vijfhonderd euro (€ 4.500,00) per maand. Onder netto-rentelasten wordt verstaan de rente na eventuele belastingaftrek conform box 1.

(…)

Artikel 2. eigen inkomsten vrouw

1. Bij de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw is ervan uitgegaan dat de vrouw ten tijde van het ondertekenen van het convenant geen inkomsten uit arbeid heeft. De vrouw zal zich inspannen om in de komende jaren betaald werk te vinden, teneinde (tenminste ten dele) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Indien de vrouw inkomsten uit arbeid gaat genieten, zal dit inkomen voor dertig procent (30%) op de alimentatie worden gekort onder de verplichting voor de man om deze korting op de alimentatie van de vrouw aan te wenden voor de verhoging van de alimentatie voor de kinderen met tweehonderd vijftig euro (€ 250,00) per maand per kind casu quo tot het bedrag van inperking van de alimentatie van de vrouw voorzover deze minder is.

(…)

Artikel 5. gezagsvoorziening, omgangsregeling en alimentatie kinderen

(…)

4. Met ingang van de datum als bedoeld in artikel 1.1 en zolang de kinderen minderjarig zijn betaalt de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling, vóór de eerste van de maand, een alimentatie voor de kinderen van vijfhonderd euro (€ 500,00) per kind met inachtneming van het hiervoor in artikel 2 bepaalde. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek, voor het eerst per 1 januari 2006.

(…)"

6.2

Partijen zijn voor wat betreft de partneralimentatie in artikel 3 van voornoemd convenant het volgende overeengekomen:

"(…)

Artikel 3. niet-wijzigingsbeding

1. Het in de artikelen 1 en 2 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat degene die de wijziging verzoekt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 Burgerlijk Wetboek bepaald.

2. Onder ingrijpende wijziging van omstandigheden wordt ten deze in ieder geval begrepen indien de man ten gevolge van zijn lichamelijke of geestelijke situatie niet (meer) in staat is om aan zijn hiervoren omschreven alimentatieplicht te voldoen. Deze omstandigheden zullen door de man onder andere met medische attesten deugdelijk dienen te worden ondersteund.

3. Wanneer het niet-wijzigingsbeding zijn kracht verliest, blijven de alimentatieverplichtingen van de man jegens de vrouw zoals in dit convenant vastgesteld, ongewijzigd van kracht, totdat die verplichtingen in onderling overleg of door een rechterlijke uitspraak worden gewijzigd."

6.3

Uit de toelichting op de grieven begrijpt het hof dat de man, hoewel er in de grieven wordt verwezen naar artikel 2.3, een beroep doet op de in artikel 3.2 van het echtscheidingsconvenant opgenomen wijzigingsgrond.

6.4

Het hof stelt vast dat tussen partijen in hoger beroep niet zozeer ter discussie staat dat de man thans gedeeltelijk arbeidsongeschikt is ten gevolge van onder meer oogklachten, doch zij twisten in dit kader wel over de uitleg van artikel 3.2 van het convenant.

6.5

In een dergelijk geval dient de zogeheten Haviltex-formule (zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, NJ 1981/635) te worden toegepast, inhoudende dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract, maar dat het tevens aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis van deze bewoordingen in het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.

6.6

Het hof is van oordeel dat op grond van de tekst van artikel 3.2 van het convenant geen andere uitleg kan worden gegeven dan dat sprake dient te zijn van een lichamelijke of geestelijke situatie bij de man, die er voor zorgt dat de man niet langer in staat is om de partneralimentatie te betalen. Het dient derhalve niet enkel te gaan om (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van de man, zoals de man heeft aangevoerd, maar vanwege deze (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid dient de man - conform artikel 3.2 - niet langer in staat te zijn om de partneralimentatie aan de vrouw te blijven voldoen. In dit kader is tevens relevant dat - zoals de vrouw heeft aangevoerd - de man tijdens het sluiten van het echtscheidingsconvenant reeds een aantal lichamelijke klachten (waaronder diabetes en slaapapneu) had, die hij thans mede ten grondslag heeft gelegd aan zijn wijzigingsverzoek, zodat enkel de door de man gestelde lichamelijke situatie geen aanleiding geeft tot wijziging op grond van artikel 3.2 van het convenant. Omstandigheden die tot een andere uitleg zouden kunnen leiden zijn naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende, aangevoerd.

6.7

Derhalve dient te worden beoordeeld of, en in hoeverre, de door de man gestelde lichamelijke situatie tot gevolg heeft dat de man thans niet meer in staat is om de partneralimentatie te blijven voldoen.

6.8

Aangezien de man zijn inleidend verzoekschrift op 3 maart 2014 heeft ingediend, zal de ingangsdatum van de eventuele wijziging op 3 maart 2014 dienen te worden gesteld. Dit brengt met zich dat het hof bij de beoordeling van bovenstaande vraag zal uitgaan van de gegevens over het jaar 2014. Uit de aangifte IB 2014 van de man blijkt dat de man in 2014 een uitkering van [E] ter hoogte van bruto € 79.811,-- heeft ontvangen. Daarnaast drijft de man een onderneming, genaamd: [F] centrum voor mondzorg, in de vorm van een eenmanszaak. De fiscale winst uit onderneming bedroeg in 2014 - blijkens de aangifte IB - € 105.658,--. De man heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat in 2015 een met 2014 vergelijkbaar resultaat wordt verwacht. Het totale inkomen van de man over 2014 en 2015 komt derhalve zeer veel hoger uit dan het inkomen op basis waarvan de man zijn wijzigingsverzoeken in eerste aanleg heeft gebaseerd (€ 103.295,-- aan belastbaar loon). De man heeft verzuimd om met een berekening of anderszins zijn stelling, dat op basis van zijn inkomen van 2014 sprake is van een situatie zoals in artikel 3.2 van het convenant bedoeld, te onderbouwen. Het hof is van oordeel dat de man ook overigens niet heeft aangetoond dat er sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat hij naar redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden. Dit brengt met zich dat het hof het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie zal afwijzen.

6.9

Voor wat betreft de tussen partijen overeengekomen bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen geldt het volgende. Een dergelijke overeenkomst kan, voor zover hier van belang, op grond van artikel 1:401 lid 1 BW worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het hof is van oordeel dat de man ook zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen.

6.10

Aangezien het hof van oordeel is dat geen sprake is van een wijzigingsgrond ten aanzien van de partner- en de kinderalimentatie, kunnen de overige stellingen en weren van partijen onbesproken blijven.

6.11

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 oktober 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. I.A. Vermeulen, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 november 2015 in bijzijn van de griffier.