Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8535

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
200.169.910/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoeming mentor en bewindvoerder. Afwijking van het wettelijk uitgangspunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.169.910/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3633942 MT VERZ 14-6287 3634140 MT VERZ 14-6294)

beschikking van de familiekamer van 10 november 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] of dochter [verzoekster] ,

advocaat: mr. K. Spaargaren, kantoorhoudend te [C] .

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [B] ,

wonende te [C] ,

hierna te noemen: de betrokkene of de moeder,

2 [D] ,

wonende te [E] ,

hierna te noemen: dochter [D] ,

3 [F] ,

wonende te [C] ,

hierna te noemen: dochter [F] ,

4 De stichting [G] , Verpleeghuis [H] ,

kantoorhoudende te [C] ,

verder te noemen: [G] ,

advocaat: mr. M. Bödicker, kantoorhoudend te Utrecht,

5. [I] handelend onder de naam [J] ,

kantoorhoudende te [K] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder en mentor.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 3 februari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 1 mei 2015, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende haar te benoemen tot bewindvoerder en mentor over de betrokkene, met vaststelling van beloning volgens vaste tarieven.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 juli 2015, heeft [G] het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] bestreden. [G] verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 3 juni 2015 een journaalbericht van mr. Spaargaren d.d. 3 juni 2015;

- op 9 juni 2015 een brief van mr. Spaargaren d.d. 8 juni 2015 met als bijlagen de ontbrekende stukken uit de procedure in eerste aanleg;

- op 10 september 2015 een faxbericht van mr. Bödicker;

- op 2 oktober 2015 een journaalbericht van mr. Bödicker d.d. 1 oktober 2015 met als bijlagen.

2.4

Het hof stelt vast dat het journaalbericht van 1 oktober 2015 met bijlagen van

mr. Bödicker niet tijdig voor de mondelinge behandeling in het geding is ingediend nu artikel 1.4.4. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven voorschrijft dat nadere stukken zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen worden overgelegd. Niettemin heeft het hof, zoals het hof ter zitting al heeft meegedeeld, besloten om kennis te nemen van genoemde producties nu deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en mr. Spaargaren ter zitting heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen kennisname door het hof.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 7 oktober 2015 plaatsgevonden. Dochter [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Spaargaren en haar echtgenoot.

Namens [G] zijn verschenen mevrouw [L] en mevrouw [M] , bijgestaan door mr. Bödicker.

3 De vaststaande feiten

3.1

Betrokkene is geboren [in] 1944 te [N] . Zij is de moeder van appellante, de onder 2 en 3 genoemde belanghebbenden.

3.2

De betrokkene verblijft in Verpleeghuis [H] te [C] , een expertisecentrum voor mensen met gerontopsychiatrische problematiek, behorende tot de Stichting [G] .

Tot augustus 2014 werden haar zaken behartigd door dochter [O] , die [in] 2014 is overleden.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 28 november 2014, heeft [G] , in deze vertegenwoordigd door mevrouw [P] , manager expertisecentrum Verpleeghuis [H] , verzocht een mentorschap in te stellen ten behoeve van betrokkene en verzocht de goederen van betrokkene onder bewind te stellen, met benoeming van [I] , handelend onder de naam [J] , tot bewindvoerder en mentor.

Dochter [verzoekster] heeft verweer gevoerd. Ook zij heeft bij de kantonrechter ten behoeve van haar moeder een verzoekschrift d.d. 15 januari 2015 ingediend tot instelling van bewind en mentorschap, maar dan met benoeming van haar tot bewindvoerder en mentor.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van [G] toegewezen en - voor zover hier van belang - [I] , handelend onder de naam [J] , tot bewindvoerder en mentor benoemd.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Dochter [verzoekster] is het niet eens met de benoeming van een derde, tot bewindvoerder en mentor over haar moeder.

Zij is de oudste dochter uit het gezin en wil graag meer betrokken worden bij de verzorging van haar moeder. Zij stelt tot ongeveer vier jaar geleden altijd nauw contact met haar moeder te hebben onderhouden, totdat zij zelf enige tijd door ziekte uit de roulatie is geweest. Thans is ze weer bereid en in staat om haar moeder te helpen met bewindvoering en mentorschap. Zij stelt dat zij in het verleden langere tijd alle zaken voor haar moeder heeft geregeld, en daarom ook het beste kan inschatten wat haar moeder nog wil en wat haar wensen zijn. Dat er in het verleden binnen de familie wel eens onenigheid is geweest, doet hier volgens haar niet aan af en weegt minder zwaar dan het belang en de wens van haar moeder en haarzelf om haar als de oudste dochter de bewindvoerder en mentor te laten zijn. Zij merkt daarbij op dat zij de moeder een keer per twee/drie weken in de instelling bezoekt en dat de moeder altijd blij is om haar te zien.

De verzorging in de instelling waar haar moeder thans verblijft is volgens [verzoekster] in veel opzichten niet optimaal. In het bijzonder maakt [verzoekster] zich zorgen over de gezondheid van haar moeder. De moeder heeft het volgens haar heel benauwd en het is gelet op de gezondheidsgeschiedenis van haar moeder en haar eigen ervaring als longpatiënt, voor de moeder nodig om een longarts te bezoeken. Het wordt echter door het verpleeghuis niet nodig geacht en dus gaat het ondanks haar verzoeken daartoe niet gebeuren. Zij ervaart veel tegenwerking vanuit het verpleeghuis en heeft daar grote moeite mee. Het enige wat zij wil is een goede plek voor haar moeder, met goede zorg en daar wil ze zich voor inzetten. Dat kan echter alleen als zij zeggenschap heeft. De samenwerking met de huidige mentor en bewindvoerder verloopt volgens [verzoekster] niet goed. Hoewel zij dat graag had gewild, is er geen contact.

Desgevraagd heeft zij aangegeven dat, mocht zij tot bewindvoerder en mentor worden benoemd, zij voor haar moeder, die sowieso moet gaan verhuizen, een nieuwe plek in [C] zal proberen te zoeken zodat ook de rest van de familie in de gelegenheid blijft om de moeder te blijven bezoeken. Ook zou zij met de moeder naar een longarts gaan en kijken hoe het verder met haar gezondheid is gesteld. Ook is zij doende om het contact met haar zusters te herstellen.

4.2

Uit de door [G] ingebrachte stukken, waaronder een brief aan de kantonrechter en een verklaring van dochter [D] van respectievelijk 23 januari 2015 en 17 september 2015, de verklaring van dochter [F] d.d. 8 juli 2015 en het verslag van de bewindvoerder en mentor d.d. 18 september 2015, blijkt dat de andere twee dochters [D] en [F] uitdrukkelijk en herhaald bezwaar maken tegen benoeming van hun zus [verzoekster] tot bewindvoerder en mentor over de moeder. De dochters [D] en [F] willen een externe/onafhankelijke bewindvoerder en mentor aangezien de onderlinge verhoudingen binnen de familie te ernstig zijn verstoord.

4.3

Ook [G] heeft de visie van appellante ten aanzien van de bewindvoering en het mentorschap ten behoeve van de betrokkene gemotiveerd bestreden en acht het in de onderhavige zaak, waar twee van de drie dochters bezwaar hebben tegen benoeming van hun zuster tot bewindvoerder en mentor over hun moeder, in het belang van de betrokkene om een externe/onafhankelijk derde te benoemen. Ook dient er volgens [G] in deze zaak rekening te worden gehouden met de verklaring van de kleinkinderen van bijna 15 en 16 jaar die de betrokkene regelmatig bezoeken en bezwaar maken tegen benoeming van hun tante [verzoekster] tot de bewindvoerder en mentor over hun grootmoeder.

[G] wijst verder erop dat de betrokkene op een professionele en bekende locatie verblijft met optimale (medische) verzorging. Waar nodig wordt er specialistisch onderzoek en/of specialistische verzorging ingezet.

De betrokkene verblijft momenteel in een expertisecentrum voor mensen met gerontopsychiatrische problematiek en [G] wijst erop dat het weghalen van de betrokkene uit de voor haar bekende omgeving, gelet op haar problematiek, niet in haar belang kan worden geacht. De bewegingsvrijheid is voor haar heel belangrijk, de betrokkene loopt in en uit, gaat haar eigen gang, heeft eigen plekjes en eigen bezigheden.

[G] geeft ook aan tevreden te zijn over de wijze waarop de huidige bewindvoerder en mentor in de praktijk uitvoering geeft aan de bewindvoering en het mentorschap ten behoeve van de betrokkene. De lijnen zijn heel kort en de samenwerking verloopt goed, terwijl de bewindvoerder en mentor de doelgroep kent. Het is gewenst, gelet op het onderlinge wantrouwen van de familieleden, dat ook het financiële traject in handen van de bewindvoerder ligt.

4.4

Niet in geschil is naar het oordeel van het hof de vaststelling door de kantonrechter dat betrokkene als gevolg van haar geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen van zowel vermogensrechtelijke als niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

In dit hoger beroep is aan de orde de vraag of er gegronde redenen aanwezig zijn om de dochter [verzoekster] niet tot bewindvoerder en mentor te benoemen.

4.5

Uitgangspunt is dat bij maatregelen als het instellen van een bewind en mentorschap de rechthebbende c.q. betrokkene wordt gehoord omdat dergelijke beslissingen een verstrekkend karakter hebben en haar belangen rechtstreeks raken. Op grond van 1:435 lid 3 en artikel 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder en de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Als de rechthebbende zelf geen uitdrukkelijke voorkeur heeft of als de rechter die voorkeur niet volgt, wordt bij voorkeur een van de in lid 4 genoemde personen benoemd: de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel en bij gebreke daarvan een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters. Verder geeft de wet in lid 5 van artikel 1:452 BW aan dat het de voorkeur verdient om de taak van bewindvoerder en de mentor zoveel mogelijk in één hand te leggen.

4.6

Het hof acht het niet aangewezen om de moeder te horen.

Samen met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de moeder niet in staat is haar mening kenbaar maken. De onafhankelijke arts van GGZ Centraal, psychiater i.o. [Q] , die de betrokkene bij de aanvraag van het bewind en mentorschap ter zake van haar wilsbekwaamheid heeft onderzocht, concludeert in het verslag d.d. 29 oktober 2014 (mede gezien door psychiater [R] ) dat de betrokkene, bekend met dementie NAO en complexe systeemproblematiek, niet wilsbekwaam is ter zake van de beslissing over mentorschap/bewind. De betrokkene kan geen keuze uitdrukken, ze zegt soms dat ze het best vindt en soms dat ze het er niet mee eens is en soms dat ze niet weet waar het om gaat. Ze begrijpt de situatie, waar ze toestemming voor moet geven, niet.

Het hof acht hiermee afdoende vast staan dat een gesprek met de moeder over de voorliggende vragen voor haar onnodig belastend zal zijn en geen toegevoegde waarde zal hebben omdat zij onvoldoende in staat is haar mening omtrent de in hoger beroep voorliggende vraag te verwoorden.

4.7

Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
Hoewel dochter [verzoekster] een kind van betrokkene is en als zodanig op grond van de wet ten opzichte van een onafhankelijke derde de voorkeur geniet om te worden benoemd als bewindvoerder en mentor en hoe zeer het ook gezien de specifieke taak van een mentor van praktisch belang is dat tot mentor wordt benoemd een persoon die uit de familiekring komt en aldus dicht bij de betrokkene staat, ziet het hof in het onderhavige geval gegronde redenen om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt. Deze gegronde redenen betreffen de verstoorde familieverhoudingen, het onderlinge wantrouwen en het gebrek aan communicatie binnen de familie, waardoor het in deze niet in het belang van betrokkene is om een persoon tot bewindvoerder en mentor te benoemen die tot haar familiekring behoort.

4.8

Het hof overweegt daartoe dat uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de verhoudingen tussen de dochters [verzoekster] , [F] en [D] verstoord zijn en dat er geen communicatie is tussen dochter [verzoekster] en haar beide zusters. Verder zijn er geen aanwijzingen dat hierin verbetering zal komen. Dochter [F] en dochter [D] vertrouwen dochter [verzoekster] de taken van bewindvoerder en mentor niet toe en te verwachten is dat door haar benoeming als zodanig de onderlinge strijd slechts zou verergeren. Los van de vraag of dochter [verzoekster] in staat zou zijn de taken van bewindvoerder en mentor onder deze omstandigheden naar behoren uit te voeren maakt het gegeven, dat er sprake is van genoemde strijd binnen de familie, dat het niet in het belang van de betrokkene is om dochter [verzoekster] tot bewindvoerder en mentor te benoemen.

Veelzeggend acht het hof op dit punt de verklaring d.d. 7 juli 2015 van de behandelend arts van de betrokkene, [M] , inhoudende dat de dochters en kleindochters elkaar verdenken van het stelen en/of vernielen van spullen op de kamer van de betrokkene. Daarbij wijst deze arts erop dat er geen toezicht is als het bezoek komt en dat de betrokkene zelf niet kan vertellen wat er gebeurd is, terwijl zij elke keer dat zij bezoek heeft gehad van haar familie dagenlang van streek, achterdochtig, boos en geagiteerd is en opstandig gedrag vertoont of intens verdrietig is en daardoor moeizaam te begeleiden.

4.9

Om verdere verdeeldheid tussen de familieleden in zowel vermogensrechtelijke als niet-vermogensrechtelijke kwesties te voorkomen, acht het hof het aangewezen om de financiële en immateriële belangen van de betrokkene te laten behartigen door een onafhankelijke en professionele bewindvoerder en mentor, niet zijnde een familielid. Van een neutrale persoon mag en kan verwacht worden dat deze zich inzet om het belang van betrokkene op een zo goed mogelijke wijze te behartigen, waarbij ook aandacht wordt besteed aan communicatie met de familie. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat er gegronde redenen zijn die zich tegen benoeming van dochter [verzoekster] tot bewindvoerder en mentor verzetten.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking

voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

5.2

Het hof ziet in de aard van de zaak aanleiding om de kosten van het hoger beroep te compenseren.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 3 februari 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. M.P. den Hollander en
mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 november 2015 in bijzijn van de griffier.