Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8518

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
WAHV 200.160.507
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. De officier van justitie heeft het verzoek om te worden gehoord, gedaan door de gemachtigde, afgewezen. Daartoe is overwogen dat op grond van artikel 7, tweede lid, van de WAHV alleen de indiener van het beroep wordt gehoord. Voor zover bedoeld is te stellen dat de gemachtigde niet kan verzoeken om (als gemachtigde) zelf te worden gehoord, is deze opvatting onjuist. Sanctie ter zake van als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden terecht opgelegd. Gangbare werkwijze bij constatering van de gedraging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/174

Uitspraak

WAHV 200.160.507

11 november 2015

CJIB 179306827

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 30 oktober 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt R. de Nekker,

kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 28 oktober 2015. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.E. Joha.

Beoordeling

1. Allereerst overweegt het hof dat de door de gemachtigde opgeworpen klacht met betrekking tot de algemene informatieverstrekking door de griffier van het hof buiten beschouwing zal worden gelaten, nu deze klacht niet de aan het geschil ten grondslag liggende beschikking en de daarop volgende beslissingen van de officier van justitie en de kantonrechter regardeert. De door de gemachtigde bedoelde brief bevat geen enkele (voorlopige) standpuntbepaling van het hof inzake de onderhavige procedure.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat hij in de procedure bij de officier van justitie heeft aangegeven dat hij gehoord wilde worden, maar dat dit niet is gebeurd. De kantonrechter heeft weliswaar overwogen dat de beslissing van de officier van justitie dient te worden vernietigd, maar verklaart het beroep uiteindelijk ten onrechte ongegrond, aldus de gemachtigde.

3. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar van afzien, indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de betrokkene niet gehoord wil worden of de officier van justitie hem volledig gelijk geeft (artikel 7:17 van de Awb).

4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn beroepschrift bij de officier van justitie heeft verzocht om de betrokkene - eventueel bij monde van zijn gemachtigde - te horen. Daarbij heeft de gemachtigde een telefoonnummer verstrekt waarop hijzelf is te bereiken. In aanmerking genomen dat in de fase van het beroep bij de officier van justitie het bieden van gelegenheid voor het horen het uitgangspunt is, heeft de gemachtigde aldus voldoende kenbaar gemaakt dat hij wenste te worden gehoord door de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om te worden gehoord afgewezen. Daartoe is door de officier van justitie overwogen dat - op grond van artikel 7, tweede lid, van de WAHV - alleen de indiener van een beroep wordt gehoord.

5. Voor zover de officier van justitie heeft bedoeld te stellen dat de gemachtigde niet kan verzoeken om (als gemachtigde) zelf te worden gehoord, is deze opvatting onjuist. De gemachtigde is geen belanghebbende in de zin van artikel 7:16, eerste lid, van de Awb. De gemachtigde treedt in zoverre in de plaats van de betrokkene, dat (ook) de gemachtigde kan verzoeken (namens de betrokkene) te worden gehoord. Nu de gemachtigde heeft aangegeven dat de betrokkene wenste te worden gehoord, eventueel bij monde van zijn gemachtigde, en niet gebleken is dat het beroep kennelijk - dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is - ongegrond is, had de officier van justitie de (gemachtigde van de) betrokkene moeten horen.

6. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan worden gelaten. Weliswaar heeft de kantonrechter in zijn beslissing overwogen dat de beslissing van de officier van justitie dient te worden vernietigd, maar vervolgens heeft de kantonrechter het beroep ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en beoordelen of de onderliggende sanctiebeschikking in stand kan blijven. Nu de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie worden vernietigd behoeven de overige bezwaren van de gemachtigde tegen die beslissingen geen bespreking meer.

7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 februari 2014 om 10:30 uur op de Zweedsestraat te Deventer.

8. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Ten tijde van de gedraging heeft de betrokkene geen mobiele telefoon vastgehouden maar een notitieboekje, aldus de gemachtigde. Nu de verbalisant ook slechts heeft waargenomen dat de betrokkene een op een telefoon gelijkend voorwerp heeft vastgehouden, is de gemachtigde van mening dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden. Voorts heeft de gemachtigde in het beroepschrift de door de verbalisanten gehanteerde werkwijze aan de orde gesteld. De verbalisant die de betrokkene heeft staandegehouden, heeft de gedraging niet zelf waargenomen. Zonder nadere onderbouwing stelt de gemachtigde dat deze werkwijze in strijd is met de wet. Daarnaast heeft de gemachtigde ter zitting opgemerkt dat het hem niet duidelijk is op welk moment de verbalisant die de gedraging heeft geconstateerd met de betrokkene in gesprek is gegaan.

9. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

10. Bij de stukken bevindt zich een kopie van de aankondiging van beschikking d.d. 5 februari 2014. De hierin opgenomen ambtsedige verklaring van verbalisant [verbalisant] houdt in - zakelijk weergegeven - dat hij op 5 februari 2014 om 10.30 uur op de Zweedsestraat te Deventer heeft geconstateerd dat de betrokkene als bestuurder van een Renault met het kenteken [kenteken] een mobiele telefoon vasthield. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de betrokkene een Apple Iphone in het voertuig had liggen en dat de betrokkene die telefoon heeft getoond. Verder wordt in de aankondiging van beschikking verwezen naar een bijlage.

11. De in de bijlage opgenomen verklaring van verbalisant [verbalisant] luidt als volgt:

“Tijdens verkeerscontrole stond ik, verbalisant, naast de rijbaan van de Zweedsestraat. Mijn positie was een stuk hoger dan de rijbaan die onder mij lag. Ik controleerde namelijk het verkeer dat uit de tunnelbak kwam. Zodoende had ik goed zicht op de bestuurders en passagiers in de voertuigen. Ik lette hierbij met name op het dragen van de autogordel en het vasthouden van de mobiele telefoon. Ik zag dat naar later bleek betrokkene Van Kessel een mobiele telefoon vasthield. Ik kon duidelijk zien dat het een mobiele telefoon betrof. Betrokkene heeft mij naar later bleek ook niet zien staan. Hij werd door collega motorrijder [agent 2] overgebracht naar de plaats van controle. Hier werd hij staande gehouden door [agent 3] . Betrokkene was het niet eens met de bekeuring. Hij verklaarde dat hij niet aan het bellen was en dat hij geen telefoon vasthield. Ik vroeg aan betrokkene wat hij dan wel vasthield. Hij verklaarde in eerste instantie niets. Later zei hij dat hij dan misschien de versnellingspook vasthield. Ik, verbalisant, zei tegen hem dat ik duidelijk had gezien dat hij een telefoon vasthield en niet de versnellingspook. Vervolgens haalde betrokkene een soort notitieblokje uit zijn jaszak en zei dat hij die misschien vastgehouden had. Betrokkene was het niet eens met de bekeuring en zei dat hij het voor zou laten komen/bezwaar zou maken tegen de beschikking.”

12. In een op 28 april 2014 opgemaakt aanvullend proces-verbaal heeft [verbalisant] nog het volgende verklaard:

“Op 5 februari 2014 omstreeks 10:30 uur bevond ik mij, verbalisant, lans de rijbaan van de Zweedsestraat te Deventer, gemeente Deventer. Ik was samen met meerdere collega’s belast met verkeerstoezicht. Wij hielden met name toezicht op het niet handsfree telefoneren en het niet dragen van de autogordel. Om deze gedragingen op een goede manier te kunnen waarnemen, heb ik bewust een positie ingenomen langs de Zweedsestraat waarbij ik goed zicht had op de bestuurders die reden over de Zweedsestraat komende uit de richting van de Holterweg. (…).

Wanneer er door mij een gedraging werd geconstateerd, gaf ik mijn bevindingen middels de portofoon door aan een collega motorrijder die iets verderop met een als zodanig herkenbare politie-motorfiets positie had ingenomen. Deze motorrijder gaf vervolgens de betreffende bestuurder een volgteken en bracht de bestuurder over naar de plaats van controle en/of staandehouding. Weer een andere collega schreef vervolgens de aankondiging van beschikking uit. Rond vermeld tijdstip zag ik de bestuurder van een personenauto, merk Renault rijden over de Zweedsestraat. Ik zag dat de bestuurder een op een telefoon gelijkend voorwerp vast hield in zijn hand. Ik zag dat de bestuurder alleen in het voertuig zat. Ik gaf mijn bevindingen door aan collega motorrijder die de bestuurder, betrokkene [betrokkene] , overbracht naar de plaats van controle/staandehouding. Na enige tijd kreeg ik het verzoek om naar de controleplaats te gaan omdat de bestuurder het niet eens was met de bekeuring die hij kreeg voor het vasthouden van een telefoon. Ik zag dat de auto van betrokkene [betrokkene] dezelfde auto was waarvan ik had gezien dat de bestuurder een op een telefoon gelijkend voorwerp vasthield. Uit het gesprek met betrokkene bleek dat hij het niet eens was met de bekeuring. Hij verklaarde namelijk dat hij geen telefoon had vastgehouden. Het bleek ook dat de bestuurder geen idee had, wat mijn positie was toen ik de gedraging geconstateerd had. Dit heb ik vervolgens wel aan hem uitgelegd. Betrokkene verklaarde dat hij niet aan het telefoneren was en dat hij geen telefoon vastgehouden had. Er lag wel een telefoon in de auto van betrokkene. Op mijn verzoek toonde hij aan mij deze telefoon. Ik zag dat het een echte telefoon was van het merk Apple, type Iphone.

Ik vroeg de betrokkene wat hij dan wel in zijn hand vastgehouden had. In eerste instantie verklaarde hij dat hij niets vastgehouden had. Daarna zei hij dat hij misschien een versnellingspook vastgehouden had. Ik zei tegen de betrokkene dat ik duidelijk had gezien dat hij een telefoon vastgehouden had in zijn hand en zeker niet de versnellingspook. Vervolgens haalde betrokkene uit de binnenzak van zijn jas een soort notitieblokje. Ik hoorde vervolgens dat hij zei dat hij misschien dat voorwerp vastgehouden had, terwijl hij dat notitieblokje toonde. Dit notitieblokje leek overigens niet op een telefoon. Omdat ik nog steeds zeker was van mijn waarneming, ben ik bij mijn standpunt gebleven en heb ik de betrokkene aangegeven dat hij wel een bekeuring kreeg voor het vasthouden van een telefoon.”

13. Voor zover de gemachtigde heeft bestreden dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden ziet het hof in het daaromtrent aangevoerde geen aanleiding te twijfelen aan de ambtsedige verklaringen van verbalisant [verbalisant] . Weliswaar heeft de verbalisant in zijn op 28 april 2014 opgemaakte verklaring aangegeven dat hij een op een telefoon gelijkend voorwerp heeft waargenomen, maar dat doet niet af aan zijn verklaring zoals weergegeven in de bij de aankondiging van beschikking gevoegde bijlage. In die verklaring – die is opgemaakt kort nadat de gedraging is geconstateerd – verklaart de verbalisant dat hij duidelijk kon zien dat het een mobiele telefoon betrof. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat er sprake was van een gerichte verkeerscontrole en dat de verbalisant derhalve een positie had ingenomen waarbij hij goed zicht had op de bestuurders. De verklaring van de betrokkene dat hij geen mobiele telefoon heeft vastgehouden maar een notitieblokje, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de ambtsedige verklaring van de verbalisant terzijde te schuiven. Nu uit het dossier evenmin blijkt van feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

14. Bij het vaststellen van gedragingen als deze is het een gangbare werkwijze dat er twee (of meer) verbalisanten bezig zijn met een gerichte verkeerscontrole, waarbij de ene verbalisant de gedraging constateert en doorgeeft aan de andere verbalisant, die vervolgens de staandehouding verricht en (eventueel) de aankondiging van beschikking uitreikt. Deze werkwijze is door de verbalisanten in onderhavige zaak toegepast. Niet gebleken is dat hun politieoptreden niet conform de regels is geschied. Het niet nader onderbouwde verweer van de gemachtigde treft derhalve geen doel.

15. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift en het bijwonen van een zitting van het hof. Aan het indienen van een (hoger) beroepschrift en aan het bijwonen van een zitting dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 487,- (voor beroepschriften ingediend voor 1 januari 2015 zoals te dezen het geval). Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 730,50 (3 x € 487,- x 0,5).

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, beslist het hof als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 27 maart 2014 gegrond en vernietigt deze;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond:

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 730,50.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.