Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8509

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
200.165.649/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advocaat appellant heeft zich aan de zaak onttrokken. Voor appellant heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. Het recht om van grieven te dienen is daardoor komen te vervallen. Volgt verwerping van het beroep met veroordeling van appellant in de kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.165.649/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2090756 MC EXPL 13-5641)

arrest van 10 november 2015

in de zaak van

[de appellant],

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [de appellant] ,

advocaat: voorheen mr. N.J. Margetson, kantoorhoudend te Rotterdam, die zich heeft onttrokken,

tegen

[de geïntimeerde],

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [de geïntimeerde],

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is overwogen en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 12 februari 2014 en 17 september 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Almere (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 15 december 2014 is door [de appellant] hoger beroep ingesteld van het eindvonnis van de kantonrechter van 17 september 2014 met dagvaarding van [de geïntimeerde] tegen de zitting van 3 maart 2015. In de appeldagvaarding wordt geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [de geïntimeerde] in conventie en tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van [de appellant] in reconventie, met veroordeling van [de geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

2.2

Op de eerst dienende dag is tegen [de geïntimeerde] verstek verleend.

2.3

Ter rolle van 19 mei 2015 heeft [de appellant] niet van grieven gediend en heeft zich voor [de geïntimeerde] een advocaat gesteld, waardoor het verstek is gezuiverd. [de appellant] heeft vervolgens uitstel gekregen voor het nemen van de memorie van grieven tot 30 juni 2015 en daarna tot

28 juli 2015. Op laatstgenoemde roldatum heeft [de appellant] niet van grieven gediend, waarna voor deze proceshandeling uitstel is verleend met 53 weken tot 2 augustus 2016, ambtshalve peremptoir.

2.4

De zaak is ambtshalve eerder opgebracht. Ter rolle van 18 augustus 2015 heeft [de appellant] geen memorie van grieven genomen en heeft mr. Margetson zich onttrokken aan de zaak en zijn cliënt schriftelijk gewezen op de gevolgen daarvan.

2.5

Voor het opnieuw stellen van een advocaat is aan [de appellant] een uitstel van twee weken verleend tot 1 september 2015.

2.7

Op laatstgenoemde roldatum heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [de appellant] .

2.8

[de geïntimeerde] heeft op de rol van 1 september 2015 arrest gevraagd en daartoe de stukken overgelegd.

3 De beoordeling

3.1

Aangezien zich namens [de appellant] ter rolle van 1 september 2015 geen nieuwe advocaat heeft gesteld, heeft [de appellant] op laatstgenoemde roldatum niet (alsnog) van grieven gediend. [de appellant] heeft aldus de hem door het hof gestelde termijnen voor het nemen van de memorie van grieven ongebruikt laten verstrijken. Conform art. 6.4 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de hoven (Lpr) is hierdoor het recht van [de appellant] om alsnog van grieven te dienen, komen te vervallen.

3.2

Nu [de appellant] geen grieven heeft ontwikkeld tegen het vonnis waarvan beroep, en in aanmerking nemend dat het bestreden vonnis van de kantonrechter niet in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal het hoger beroep van [de appellant] worden verworpen.

3.3

[de appellant] moet in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal [de appellant] dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: ½ punt in tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het hoger beroep van [de appellant] ;

veroordeelt [de appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van [de geïntimeerde] tot aan deze uitspraak vast op € 308,- aan verschotten en op € 447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. L. Groefsema en mr. D.H. de Witte, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 november 2015.