Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8502

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
200.092.405/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoeming neuroloog tot deskundige. Vraagstelling en beslissing op geschil over de persoon van de deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.405/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 107861 / HA ZA 09-154)

arrest van de eerste kamer van 10 november 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. H.A.Th. Yspeert, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit,

tegen

1 [geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde],

2. Stichting Schoolbestuur voor primair en voortgezet onderwijs tussen Lauwers en Eems-stichting,

gevestigd te Eemsmond,

hierna: school,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. F.J. David, kantoorhoudend te Eindhoven, die ook heeft gepleit.

Het hof heeft op 3 juni 2014 een tussenarrest gewezen en verwijst hiernaar.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen dat het voornemens is een medisch deskundige, een neuroloog, in te schakelen en heeft het tevens aangegeven welke vragen het aan deze deskundige wil stellen. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over deze voornemens uit te laten.

1.2

Nadat partijen hadden aangegeven de mogelijkheden van een minnelijke regeling te onderzoeken, is de zaak aangehouden. Partijen hebben ruimschoots de tijd genomen te proberen een regeling te treffen, kennelijk zonder succes. [appellant] heeft daarop een akte (met producties) genomen. [geïntimeerden] hebben vervolgens een antwoordakte (met producties) genomen. [appellant] heeft daarna nog een antwoord akte (met een productie) genomen.

1.3

Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling
nieuwe samenstelling

2.1

Mr. Koene, die het tussenarrest mee heeft gewezen en ook aanwezig was ten tijde van het op 19 september 2012 - derhalve (ruim) voor 31 oktober 2014 - gehouden pleidooi, is niet meer aan het hof verbonden. Zij zal dan ook worden vervangen door een andere raadsheer.
nieuwe productie

2.2

[appellant] heeft in zijn laatste akte nog een productie ingediend. [geïntimeerden] hebben niet op die productie gereageerd. Het hof stelt vast dat de productie een brief van de medisch adviseur van [appellant] betreft, waarin wordt gereageerd op een brief van de medisch adviseur van [geïntimeerden] , overgelegd in de antwoordakte van [geïntimeerden] Partijen verwijzen in hun akten naar de respectieve adviezen van hun medisch adviseurs. De brieven van de medisch adviseurs hangen dan ook nauw samen met het in die akte gevoerde debat tussen partijen; de door partijen in dat kader aangevoerde argumenten zijn (groten)deels ontleend aan deze brieven. Om die reden zal het hof de brief van de medisch adviseur van [appellant] buiten beschouwing laten. [appellant] wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad; de inhoud van de brief van zijn medisch adviseur is immers al in zijn antwoordakte verwerkt.
deskundigenbericht

2.3

Het hof is in meergenoemd tussenarrest uitvoerig ingegaan op het geschil van partijen omtrent de toedracht van het incident. Het heeft in dat verband de afgelegde getuigenverklaringen en overgelegde schriftelijke verklaringen besproken. Op basis daarvan heeft het hof, in rechtsoverweging 2.12 van dat tussenarrest, geconcludeerd dat voldoende vast staat dat [appellant] over de stoelen in de bus is geklommen, daarbij ten val is gekomen en in het gangpad terecht is gekomen, maar dat niet aannemelijk is geworden dat hij over de kop is geslagen en evenmin dat hij hard is gevallen toen hij over de stoelleuningen klom.
In rechtsoverweging 2.14 heeft het hof geconcludeerd dat bewezen is dat [geïntimeerde] [appellant] toen [appellant] op de grond in de bus zat aan de kleding in de buurt van de nek omhoog heeft getrokken en vervolgens hardhandig door het gangpad de bus uit heeft getrokken.
In rechtsoverweging 2.15 heeft het hof het volgende overwogen:
"De slotsom is dat het hof uitgaat van de volgende toedracht:
- [appellant] is in de bus over twee stoelen geklommen, daarbij ten val gekomen en, zonder over de kop te slaan, in het gangpad van de bus terechtgekomen;
- [geïntimeerde] heeft [appellant] vervolgens aan de kleding bij de nek omhoog getrokken en heeft [appellant] terwijl hij hem aan de kleding bij de nek vasthad hardhandig door het gangpad naar buiten getrokken.
Bij die toedracht kan ervan worden uitgegaan dat bij de val in het gangpad geen sprake is geweest van een geweldsinwerking op de nek en bij het naar buiten trekken van [appellant] wel."
In de concept vraagstelling heeft het hof aansluiting gezocht bij dit oordeel over de feiten door het begrip ongeval in de vraagstelling te definiëren als
"de gebeurtenis op 16 januari 2006, waarbij de heer [geïntimeerde] betrokkene toen deze op de grond in het gangpad van de schoolbus zat, aan de kleding bij de nek omhoog heeft getrokken en hem vervolgens terwijl hij betrokkene aan de kleding bij de nek vasthad hardhandig door het gangpad van de bus naar buiten heeft getrokken."

2.4

In de antwoordakte gaan [geïntimeerden] in op hetgeen het hof in rechtsoverweging 2.12 en 2.15 heeft overwogen over de gevolgen van de val over de stoelleuningen van de bus. Volgens hen is wel sprake van een ernstige val en kan niet worden uitgesloten dat sprake was van een geweldsinwerking op de nek van [appellant] .
Het hof overweegt allereerst dat [geïntimeerden] zich ook hebben beroepen op een brief van de medisch adviseur van [appellant] . Volgens [appellant] berust de door [geïntimeerden] aangehaalde passage uit deze brief op een kennelijke verschrijving. Het hof acht dat ook aannemelijk, nu uit de passage volgt dat de medisch adviseur aansluit bij rechtsoverweging 2.15 van het hof en op basis van die rechtsoverweging concludeert dat het hof ook heeft vastgesteld dat bij de val van [appellant] sprake is van een geweldsinwerking op de nek. In rechtsoverweging 2.15 heeft het hof nu juist vastgesteld dat bij de val in het gangpad geen sprake is van een geweldsinwerking op de nek.
Het hof wijst er vervolgens op dat het aan het hof, en niet aan de medisch deskundige, is om de feitelijke toedracht van het incident vast te stellen op basis van het voorhanden bewijsmateriaal. In de vraagstelling aan de medisch deskundige dient de door het hof vastgestelde feitelijke toedracht uiteraard het uitgangspunt te zijn. Wanneer de deskundige
op basis van zijn onderzoek tot het oordeel komt dat de feitelijke toedracht en/of de impact daarvan (mogelijk) anders is dan het hof heeft vastgesteld, staat het hem uiteraard vrij daarvan melding te maken in zijn rapport. De slotvraag biedt daartoe alle ruimte. Het hof kan dan beoordelen of er reden is om terug te komen op zijn eerdere oordeel over de (impact van de) toedracht van het incident.

2.5

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof geen reden ziet terug te komen op hetgeen het heeft overwogen over de (gevolgen van de) val over de stoelleuningen en de consequenties daarvan voor de vraagstelling.

2.6

De medisch adviseur van [geïntimeerden] heeft een groot aantal opmerkingen gemaakt over de concept-vraagstelling. De medisch adviseur van [appellant] heeft enkele aanpassingen voorgesteld. In hun antwoordakte hebben [geïntimeerden] daarop aangegeven dat met deze aanpassingen een groot deel van de kritiek van hun medisch adviseur komt te vervallen, behoudens voor wat betreft de, hiervoor besproken en door het hof verworpen, kritiek betreffende de val in het gangpad.
Het hof zal de aanpassingen waarover partijen het eens zijn overnemen en enkele redactionele wijzigingen aanbrengen. Dat betekent dat het hof de deskundige de volgende vragen zal voorleggen:
a. Algemeen
Beschikt u met het procesdossier en de daarvan deel uitmakende medische stukken over voldoende gegevens om tot een afgewogen oordeel te komen over de gezondheidstoestand van de betrokkene, voor zover op uw vakgebied gelegen?
Zo niet, wilt u ontbrekende gegevens opvragen bij de behandelende sector na machtiging door betrokkene?


b. De situatie met ongeval
Toelichting: Onder “ongeval” wordt in deze vraagstelling gedoeld op de gebeurtenis op
16 januari 2006, waarbij de heer [geïntimeerde] betrokkene toen deze op de grond in het gangpad van de schoolbus zat, aan de kleding bij de nek omhoog heeft getrokken en hem vervolgens terwijl hij betrokkene aan de kleding bij de nek vasthad hardhandig door het gangpad van de bus naar buiten heeft getrokken.

1. Anamnese

Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop

van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen en de klachten die zich aansluitend aan het ongeval hebben voorgedaan op uw vakgebied?

Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte

aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL),

loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en

zelfwerkzaamheid?

2. Medische gegevens

Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven

van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

3. Medisch onderzoek

Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel

hulponderzoek?

4. Consistentie

Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? Vindt u aanwijzingen voor aggravatie, simulatie of dissimulatie?

Voor zover u deze vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

5. Diagnose

Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

6. Beperkingen

Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in

zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u

deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze

weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen

arbeidsdeskundige?

7. Medische eindsituatie

Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de

blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een

belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde beperkingen?
Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel

verslechtering verwacht?
Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben

voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 6)?
Heeft u nog therapeutische suggesties om het beloop te beïnvloeden?
8. Medische behandelingen
Acht u alle noodzakelijke behandelingen ingesteld en voldoende uitgevoerd. Zo niet, kunt u aangeven wat daarvoor de reden was? Indien deze reden bestond uit een weigering van betrokkene om deze behandeling te ondergaan, kunt u dan aangeven in hoeverre de behandeling naar verwachting tot een sneller of beter herstel zou hebben geleid?

9. Blijvende invaliditeit

Kunt u aangeven welke mate van functieverlies uit de door u op uw vakgebied geconstateerde beperkingen zou zijn voortgevloeid ?
Wilt u dit blijvende functieverlies ongeacht het beroep en uitgedrukt in

een percentage van de gehele mens aangeven, gebaseerd op de richtlijnen neergelegd in de AMA-guides, 6e editie, en eventueel aangevuld met die van de NVN?

c. De situatie zonder ongeval
Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name vraag 2)

met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel

wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt

geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u

op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

1. Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw

vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (als bedoeld in vraag b6) uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

2. Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

Zijn er op uw vakgebied klachten en beperkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
Wilt u in dat verband aandacht schenken aan de val van betrokkene meteen voorafgaand aan het ongeval (uitgaande van hetgeen het hof in het tussenarrest van 3 juni 2014 over deze val heeft vastgesteld)?

Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten en afwijkingen), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de in uw antwoord op deze vraag omschreven klachten en afwijkingen?

Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben

voor de beperkingen?
3 Klachten, afwijkingen en beperkingen buiten het vakgebied
Bestaan er naar uw mening ook klachten of afwijkingen buiten uw vakgebied en zo ja, welke klachten of afwijkingen zijn dit en tot welke beperkingen kunnen deze klachten leiden?
Zouden deze klachten of afwijkingen er ook zijn geweest of op enig moment zijn ontstaan, als het ongeval onderzochte niet was overkomen?

d. Overig

1. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

2. Acht u eventueel nog een expertise op een ander vakgebied geïndiceerd, bijvoorbeeld ten aanzien van de bekende latere letsels van betrokkene van de linker pink en het middenhandsbeentje van de rechter hand?
3. Acht u een onderzoek door een neuropsycholoog geïndiceerd?

2.7

Partijen hebben gediscussieerd over de persoon van de deskundige. Het hof leidt uit hun discussie af dat zij het er over eens zijn dat één deskundige kan worden benoemd. Over de persoon van de deskundige zijn ze het echter oneens. De door [geïntimeerden] voorgestelde deskundigen zijn voor [appellant] onaanvaardbaar terwijl, anderzijds, de door [appellant] voorgestelde deskundigen geen genade vinden in de ogen van [geïntimeerden] Het hof had deze, gelet op het gepolariseerde debat tussen (advocaten en medisch adviseurs van) verzekeraars en benadeelden voorstelbare, patstelling al voorzien en had partijen in het tussenarrest opgedragen concreet aan te geven waarom de door de andere partij voorgedragen deskundigen niet acceptabel zijn. Het hof stelt vast dat partijen (en hun medisch adviseurs) in hun toelichting vooral algemeenheden debiteren over de wijze van rapporteren van de door de andere partij voorgedragen deskundigen. [geïntimeerden] hebben in de kern betoogd dat voor elke door [appellant] aangedragen deskundige te gelden heeft dat de medisch adviseur van [geïntimeerden] herhaaldelijk rapportages onder ogen heeft gekregen waarin conclusies/bevindingen worden opgetekend die niet konden worden gedragen door de toegezonden medische informatie en evenmin aansloten bij datgene wat de onderzochte tijdens het onderzoek had verklaard/toegelicht. [geïntimeerden] hebben een en ander echter niet met concrete (geanonimiseerde) voorbeelden toegelicht, zodat deze stelling - die het hof vaak ziet in reactie op rapporten van deskundigen die een voor een partij onwelgevallige uitkomst hebben, ook indien het rapport wel consistent is - onvoldoende is toegelicht. Voor de stelling van [appellant] dat de door [geïntimeerden] voorgestelde deskundigen vaak eenzijdige rapporten schrijven geldt hetzelfde, ofschoon aan [appellant] wel kan worden toegegeven dat van een van de door [geïntimeerden] voorgestelde deskundigen geldt dat deze in aan het hof bekende publicaties een zeer geprononceerd standpunt heeft ingenomen over het (niet) in aanmerking nemen van - kort gezegd - niet objectiveerbare klachten.

2.8

Nu geen doorslaggevende argumenten zijn aangevoerd tegen de benoeming van de door partijen voorgedragen deskundigen, zal het hof een van hen benoemen, te weten
dr. R.J.E. van der Ploeg, verbonden aan het MEAC te Assen. Het hof merkt in dit verband op dat alle drie de aan het MEAC verbonden neurologen door partijen zijn genoemd (waarbij er twee door één van partijen zijn voorgedragen en de overblijvende door de andere partij). Het MEAC is kennelijk voor beide partijen een acceptabele organisatie. Dr. Van der Ploeg was van de drie neurologen beschikbaar, zodat de keuze van het hof op hem is gevallen. Hij heeft aangegeven een eventuele benoeming te zullen aanvaarden. Ook heeft hij opgave gedaan van de kosten die naar verwachting met het door hem te verrichten onderzoek zijn gemoeid.

2.9

Het hof zal, zoals aangegeven in het tussenarrest van 3 juni 2014, [geïntimeerden] belasten met het voorschot op de kosten van het deskundigenbericht.

3 De beslissing

Het gerechtshof,
alvorens nader te beslissen:


benoemt tot deskundige: dr. R.J.O. van der Ploeg, verbonden aan het MEAC, Noorderstaete 22, 9402XB Assen, telefoon 0582-343937, e-mail:info@meac-assen.nl,

teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de hiervoor in rechtsoverweging 2.6 omschreven vragen;

bepaalt dat de deskundige op de voet van het bepaalde in artikel 198 Rv bij zijn onderzoek partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat, indien schriftelijk rapport wordt uitgebracht, hij daarvan in zijn rapport melding dient te maken waarbij van de inhoud van de gemaakte opmerkingen en gedane verzoeken moet blijken;

bepaalt dat de deskundige zijn concept-rapport aan [appellant] zal doen toekomen, teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen zich op zijn blokkeringsrecht te benoemen;

bepaalt dat de deskundige nadat [appellant] heeft laten weten geen gebruik te zullen maken van zijn blokkeringsrecht, zijn concept-rapport aan (de advocaten van) partijen zal doen toekomen, partijen in de gelegenheid zal stellen op het concept-rapport te reageren en in zijn definitieve rapport de reacties van partijen zal bespreken;

bepaalt dat partij [appellant] aan de deskundige het volledige procesdossier ter inzage zal geven en beveelt partijen om aan de deskundige alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken;

bepaalt dat de deskundige het door hem uit te brengen rapport (ondertekend en met redenen omkleed) ter griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA te Leeuwarden) zal indienen vóór
1 mei 2016;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek eerst zal behoeven aan te vangen nadat door partij [geïntimeerden] bij wege van voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van € 3.600,-, inclusief btw, ter griffie van het hof zal zijn gedeponeerd conform de nota met betaalinstructies die [geïntimeerden] hiertoe zullen ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak en de griffie aan de deskundige heeft bericht dat het voorschot is voldaan, tenzij het hof op een binnen twee weken na heden bij de griffie van het hof in te dienen brief van (een van) partijen waarin gemotiveerd bezwaar wordt gemaakt tegen de hoogte van dit voorschot een nadere beslissing zal nemen over het voorschot;

bepaalt dat dit voorschot, tenzij door (een van partijen) binnen twee weken na heden schriftelijk bezwaar is gemaakt tegen het voorschot (in welk geval het hof bij de beslissing op dit bezwaar zal aangeven wanneer het uiteindelijk te bepalen voorschot dient te worden voldaan), uiterlijk op 15 december 2015 moet zijn voldaan;

bepaalt dat het onderzoek door de deskundige zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. H. de Hek en dat de deskundige zich voor vragen en/of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal verzenden;

bepaalt dat de zaak zal worden verwezen naar de roldatum 5 juli 2016 voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. R.E. Weening en mr. Verschuur en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

10 november 2015.