Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8432

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
200.132.366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering van Belgische vennootschap op haar voormalige ‘zaakvoerder’ tot verhaal van de sociale bijdragen waarvoor zij onder de Belgische wet hoofdelijk aansprakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.132.366

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 326241)

arrest van 10 november 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats], België,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.M. Deveer,

tegen:

de vennootschap naar Belgisch recht [geïntimeerde] B.V.B.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats], België,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R. Mahler.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 juni 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte van [geïntimeerde] en de akte van [appellant] van 25 augustus 2015;

- de antwoordakte van [geïntimeerde] en de antwoordakte van [appellant] van 22 september 2015.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1.

Bij het tussenarrest heeft het hof bindende eindbeslissingen gegeven over de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de waarborgsom en de vordering van [appellant] tot betaling van een boete. Daarnaast heeft het de partijen in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken in verband met de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de sociale bijdragen. De partijen hebben daarop beiden een akte en een antwoordakte genomen. Thans dient dan ook op de vordering tot terugbetaling van de sociale bijdragen te worden beslist.

2.2.

Het gaat bij die vordering om het volgende. In juli 2010 hebben [geïntimeerde] en [appellant] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin zij afspraken hebben gemaakt over onder meer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en [A] B.V. en de beëindiging van het zaakvoerderschap van [appellant] bij [geïntimeerde], per 1 juli 2010. Op 27 oktober 2011 heeft [B] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld uit hoofde van haar ‘hoofdelijke aansprakelijkheid m.b.t. de onbetaalde bedragen op naam van’ [appellant]. Het gaat om bijdragen over het laatste kwartaal van 2007, de vier kwartalen van 2008 en het derde kwartaal van 2010. [geïntimeerde] heeft vervolgens een betalingsregeling met [B] getroffen, die door [B] aan haar is bevestigd bij brief van 7 december 2011. Uit de door [geïntimeerde] als productie 31 overgelegde bankafschriften blijkt dat [geïntimeerde] tussen 1 december 2011 en 15 januari 2013 uit hoofde van die betalingsregeling in totaal € 17.253,76 aan [B] heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft vervolgens bij brief van 28 maart 2012 [appellant] verzocht de sociale bijdragen aan haar te voldoen. Op 2 en 3 april 2012 heeft (de advocaat van) [appellant] aan [geïntimeerde] bericht dat hij sinds ruim een half jaar met [B] over de sociale bijdragen in discussie is en dat [appellant] de verschuldigdheid daarvan betwist (zie productie 18a bij conclusie van antwoord). Bij regularisatiebericht d.d. 17 augustus 2012 heeft [B] aan [appellant] bericht dat hij over de jaren 2009 en 2010 geen sociale bijdragen verschuldigd is. De achtergrond daarvan is, zo heeft [appellant] gesteld en [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd betwist, dat [B] tot het oordeel is gekomen dat [appellant] niet onder het sociaal statuut der zelfstandigen valt.

2.3.

[geïntimeerde] stelt dat [appellant] jegens haar gehouden is de sociale bijdrage te voldoen, aangezien [appellant] onder de Belgische wet als zelfstandige wordt beschouwd en als zodanig in persoon gehouden is tot betaling van de sociale bijdragen. Op [geïntimeerde] rust slechts een hoofdelijke aansprakelijkheid. Deze vordering valt volgens [geïntimeerde] verder niet onder de kwijting verleend in de vaststellingsovereenkomst, aangezien zij ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst er in het geheel niet mee bekend was dat zij door [B] aansprakelijk zou worden gesteld. [appellant] heeft de vordering betwist. Hij stelt dat hij ten onrechte door [B] als zelfstandige is aangemerkt en dat [B] dat inmiddels heeft rechtgezet door middel van het regularisatiebericht van 17 augustus 2012. [geïntimeerde] is volgens [appellant] zonder overleg overgegaan tot het betalen van de vordering van [B], zodat het mogelijk gevolg dat [B] niet meer wil terugbetalen voor haar eigen rekening komt. Voorts stelt hij dat de sociale bijdragen ten laste van de werkgeefster dienen te blijven en dat deze bovendien vallen onder de in de vaststellingsovereenkomst gegeven kwijting.

2.4.

Het hof overweegt hierover als volgt. De vordering van [geïntimeerde] is een regresvordering uit hoofdelijkheid, waarbij de hoofdelijkheid is gebaseerd op het bepaalde in artikel 15 § 1 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967. Zij stelt immers als hoofdelijk medeschuldenaar de schuld van [appellant] aan [B] te hebben voldaan en vordert (terug)betaling door [appellant] daarvan. De partijen hebben zich niet uitgelaten over de vraag welk recht op deze regresvordering van toepassing is, Belgisch recht of Nederlands recht. Naar het oordeel van het hof kan dat echter in het midden blijven, aangezien, zoals hierna zal blijken, zowel naar Belgisch als naar Nederlands recht de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. Ingevolge artikel 6:11 lid 1 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek kan [appellant] jegens [geïntimeerde] de verweermiddelen inroepen die hij op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen jegens [B] had. De verplichting tot bijdragen ontstond door de betalingen van [geïntimeerde] aan [B]. [appellant] had toen al het verweermiddel dat hij ten onrechte als zelfstandige is aangemerkt, welk verweermiddel nadien ook door [B] is gehonoreerd. Dat verweermiddel kan [appellant] ingevolge artikel 6:11 lid 1 BW ook aan [geïntimeerde] tegenwerpen. Hetzelfde geldt ingevolge artikel 1216 van het Belgische Burgerlijk Wetboek in samenhang met artikel 2031 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek naar Belgisch recht. [geïntimeerde] had dat kunnen voorkomen door voorafgaand aan het treffen en uitvoeren van een betalingsregeling zich daarover te verstaan met [appellant] en niet eerst daarna. [appellant] heeft zich er ook op beroepen dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen omdat [geïntimeerde] eigener beweging en zonder overleg heeft betaald, zonder enig voorbehoud te maken jegens [B], terwijl nadien is gebleken dat de bijdragen niet verschuldigd waren (zie conclusie van antwoord, pagina 27). Hierop stuit de vordering reeds af. De vraag of die vordering onder de in de vaststellingsovereenkomst gegeven finale kwijting valt, behoeft derhalve geen beantwoording.

3 De slotsom

3.1.

De grieven in het principaal hoger beroep slagen. De grieven in het incidenteel hoger beroep falen. Het bestreden vonnis, voorzover in conventie gewezen, zal worden vernietigd. Opnieuw recht doende, zal het hof de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie afwijzen. Het bestreden vonnis, voorzover in reconventie gewezen, zal worden bekrachtigd.

3.2.

De vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het vernietigde vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de rente daarover vanaf het moment van betaling, is toewijsbaar, aangezien thans vast staat dat deze betaling onverschuldigd heeft plaatsgevonden.

3.3.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 267,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2 punten x tarief € 579,00).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 92,82

- griffierecht € 683,00

subtotaal verschotten € 775,82

- salaris advocaat € 894,00 (1 punt x tarief € 894,00).

3.4.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep in de kosten veroordelen. De kosten voor de procedure in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 1.158,00 (0,5 x 2 punten x tarief € 1.158,00).

3.5.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juni 2013, voor zover in conventie gewezen, en wijst, opnieuw rechtdoende, de vorderingen in conventie af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] uit hoofde van het in conventie gewezen bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] aan [geïntimeerde] tot aan de dag van de algehele terugbetaling door [geïntimeerde] aan [appellant];

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 267,00 voor verschotten en op € 1.158,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 775,82 voor verschotten en op € 894,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

in het incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juni 2013, voor zover in reconventie gewezen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 1.158,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 205,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, A.E.B. ter Heide en G.J. Rijken en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.