Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8428

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
20-11-2015
Zaaknummer
15/00114
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:7971, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. ROW genoten? Bewijs. Vereiste aangifte niet gedaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2817
V-N Vandaag 2015/2476
V-N 2016/11.5

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00114

uitspraakdatum: 10 november 2015

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 30 december 2014, nummer AWB 14/2404,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Apeldoorn (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen opgelegd onder verrekening van een verlies uit voorgaande jaren. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikkingen. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de heffingsrente verminderd en – naar het Hof begrijpt de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 6 februari 2015 ter griffie ingekomen.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft 10 april 2015 een nader stuk ingediend en op 30 juni 2015 een conclusie van repliek. De Inspecteur heeft op 9 juli 2015 een conclusie van dupliek ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. [A] . Namens de Inspecteur is verschenen [B] , bijgestaan door [C] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

In het onderhavige jaar houdt belanghebbende alle aandelen in [D] B.V. (hierna ook: [D] BV) en in [E] B.V. (hierna ook: [E] BV). [D] BV houdt alle aandelen in [F] B.V.

2.2.

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een inkomen uit werk en woning van € 13.592, als volgt gespecificeerd:

Loon [D] BV

€ 15.564

Resultaat uit overige werkzaamheden

€ 15.520

Inkomsten uit eigen woning

-/- € 14.383

Levensonderhoud kinderen

€ 2.500

Specifieke zorgkosten

€ 609

Persoonsgebonden aftrek

-/- € 3.109

Inkomen uit werk en woning

€ 13.592

2.3.

Na een boekenonderzoek heeft de Inspecteur een aanslag opgelegd, berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 117.606.

2.4.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd, tot een berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 81.606, als volgt gespecificeerd:

Loon [D] BV

€ 5.000

Loon [F] B.V.

€ 35.269

Loon [E] BV

€ 42.700

Resultaat uit overige werkzaamheden

€ 15.520

Inkomsten uit eigen woning

-/- € 14.383

Levensonderhoud kinderen

€ 2.500

Specifieke zorgkosten

€ 0

Persoonsgebonden aftrek

-/- € 2.500

Inkomen uit werk en woning

€ 81.606

Te verrekenen verliezen

€ 57.502

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 24.554

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of het in de aangifte vermelde bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) betrekking heeft op door belanghebbende genoten gebruikelijk loon.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en – naar het Hof begrijpt – vermindering van de aanslag tot een berekend naar een inkomen uit werk en woning van (€ 81.606 – € 15.520 =) € 66.086. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ter zitting is namens belanghebbende verklaard dat hij uitsluitend nog opkomt tegen de bijtelling van een bedrag als ROW, aangezien hij dit in de aangifte vermelde bedrag heeft genoten als gebruikelijk loon als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) en dit bedrag daarom is begrepen in de correcties ter zake van gebruikelijk loon, genoten van de onder 2.1 vermelde besloten vennootschappen.

4.2.

De Inspecteur stelt, en belanghebbende betwist, dat belanghebbende in het onderhavige jaar € 15.520 heeft genoten als ROW. De Inspecteur voert daartoe aan dat belanghebbende in zijn aangifte dit bedrag heeft vermeld als ROW en hij in voorafgaande jaren ongeveer gelijke bedragen heeft vermeld. Belanghebbende stelt dat dit bedrag in zijn aangifte betrekking heeft op gebruikelijk loon en dat hij naast zijn werkzaamheden voor de onder 2.1 vermelde besloten vennootschappen geen andere werkzaamheden heeft verricht waarmee hij inkomen heeft verworven.

4.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in het onderhavige jaar ROW heeft genoten. Weliswaar heeft belanghebbende ROW in zijn aangifte vermeld en kan hij niet verklaren waarom juist dit bedrag is vermeld, maar daar staat tegenover dat belanghebbende voor die vermelding wel een verklaring heeft gegeven, die inhoudt dat het vermelde bedrag behoort tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning en in die zin terecht in de aangifte is vermeld. Ook is van belang dat de Inspecteur niet heeft kunnen aangeven op welke werkzaamheden het resultaat betrekking zou kunnen hebben. Hij heeft zelfs de aard van die werkzaamheden niet kunnen aangeven. Ook overigens zijn er geen aanwijzingen dat belanghebbende ROW zou hebben genoten. Onder deze omstandigheden heeft de Inspecteur zijn stelling niet aannemelijk gemaakt.

4.4.

Uit het vorengaande volgt dat aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast niet kan worden geoordeeld dat het inkomen uit werk en woning van belanghebbende hoger was dan (€ 81.606 – € 15.520 =) € 66.086.

4.5.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in zijn aangifte een aanzienlijk te laag belastbaar inkomen uit werk en woning heeft vermeld, dat hij dusdoende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

4.6.

Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden in dit verband slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (HR 11 april 2003, nr. 36.822, ECLI:NL:HR:2003:AE3220). Kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, moeten daarom in dit verband aan die belastingplichtige worden toegerekend (HR 22 juni 2012, nr. 11/03007, ECLI:NL:HR:2012:BV0663). Dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

4.7.

De gebreken in de aangifte houden in dat belanghebbende ter zake van zijn dienstbetrekkingen bij de onder 2.1 vermelde besloten vennootschappen een te laag gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen en dat belanghebbende ten onrechte een bedrag aan te verrekenen loonbelasting heeft vermeld.

4.8.

Over de wetenschap van belanghebbende heeft de Inspecteur gewezen op de absolute en relatieve omvang van de correcties. Deze omvang brengt op zichzelf niet mee dat belanghebbende of zijn adviseur zich ten tijde van het doen van aangifte van de onjuistheid daarvan bewust was. Ook uit de overigens vaststaande feiten volgt een dergelijke bewustheid niet. De meest omvangrijke correcties betreffen gebruikelijk loon. Dat is een onderwerp waarover naar zijn aard verschillende opvattingen pleitbaar zijn. In aanmerking genomen dat belanghebbende in zijn aangifte in verband met gebruikelijk loon al een bedrag van € 15.520 heeft vermeld, hoefde belanghebbende of de door hem ingeschakelde adviseur zich naar het oordeel van het Hof niet bewust te zijn van de onjuistheid van dit onderdeel van de aangifte. Over de in de aangifte vermelde loonbelasting is niet meer gesteld dan dat de inhoudingsplichtige deze niet heeft afgedragen. Die enkele omstandigheid hoeft niet te betekenen dat belanghebbende zich ervan bewust was dat die loonbelasting niet als voorheffing in aanmerking kon worden genomen, ook al was belanghebbende directeur van de inhoudingsplichtige.

4.9.

Uit het vorenoverwogene volgt dat niet aannemelijk is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Voor omkering en verzwaring van de bewijslast is dus geen aanleiding.

4.10.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen is het hoger beroep gegrond en moet de aanslag worden verminderd tot een berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 66.086. Niet in geschil is dat daarmee € 57.052 verlies uit voorafgaande kalenderjaren moet worden verrekend. Het belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt (€ 66.086 - € 57.052 =) € 9.034.

4.11.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de in geding zijnde aanslag betreft.

5 Kosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor de Rechtbank en het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 4,5 punten (beroepschrift, hogerberoepschrift, conclusie van repliek (in hoger beroep) en verschijnen ter zitting van de Rechtbank en van het Hof) × 1 (gewicht van de zaak) × € 490, ofwel op € 2.205. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond voor zover het betrekking heeft op de aanslag en de heffingsrentebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en met betrekking tot de daarmee verband houdende heffingsrentebeschikking;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.034;

  • -

    vermindert dienovereenkomstig de in rekening gebrachte heffingsrente;

  • -

    verklaart het beroep bij de Rechtbank ongegrond voor zover het betrekking heeft op de verliesverrekeningsbeschikking;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 2.205; en

  • -

    gelast de Inspecteur het griffierecht ad (€ 44 + € 123 =) € 167 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 10 november 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 november 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.