Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:842

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
200.113.693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevrijdend verweer, verslechterde bewijspositie door handelen van geïntimeerde, andere bewijslastverdeling op grond van de redelijkheid en billijkheid, bewijsrisico blijft op appellant liggen, tegenbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.113.693

(zaaknummer rechtbank Almelo, locatie Enschede, 390882)

arrest van de derde kamer van 10 februari 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. K. Boukema,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.C. de Kanter (onttrokken).

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 5 juni 2012 dat de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede) tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[appellant] heeft bij exploot van 8 augustus 2012, hersteld bij exploot van 17 september 2012, [geïntimeerde] aangezegd van voormeld vonnis van 5 juni 2012 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2

Op de roldatum 25 september 2012 is tegen [geïntimeerde] verstek verleend. Op de roldatum

23 oktober 2012 heeft mr. A.C. de Kanter zich voor [geïntimeerde] gesteld en het verleende verstek gezuiverd.

2.3

Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [geïntimeerde] alsnog de vordering tot veroordeling van [appellant] tot betaling van de huurpenningen tot 1 mei 2011 alsmede de wettelijke rente daarover en de buitengerechtelijke kosten zal ontzeggen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.4

Op de roldatum 13 mei 2014 heeft de advocaat van [geïntimeerde] zich onttrokken.

2.5

[geïntimeerde] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om een nieuwe advocaat te stellen.

2.6

Op de roldatum 4 november 2014 heeft [appellant] arrest gevraagd. Op dezelfde roldatum heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In hoger beroep is - kort gezegd - alleen nog aan de orde of [appellant] gehouden is de in eerste aanleg (na vermindering van eis) gevorderde en toegewezen huurtermijnen ten bedrage van € 2.650,--, vermeerderd met de wettelijke rente, te betalen. De kantonrechter heeft in eerste aanleg deze huurachterstand toegewezen, omdat [appellant] niet, althans niet voldoende gemotiveerd had bestreden dat hij de tot en met april 2011 gevorderde huurtermijnen onbetaald had gelaten. Met zijn eerste grief klaagt [appellant] dat de kantonrechter hem heeft veroordeeld tot betaling van de gevorderde huurtermijnen.

3.2

In hoger beroep betoogt [appellant] dat hij alle huurtermijnen heeft voldaan. In de regel werden de huurtermijnen contant aan [geïntimeerde] dan wel de huismeester gedaan, aldus [appellant]. Verder stelt hij dat hij in een onmogelijke bewijspositie is geraakt door onrechtmatig handelen van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft namelijk zonder medeweten van [appellant] de door [appellant] gehuurde ruimte geleegd, alle aan [appellant] toebehorende zaken, waaronder de volledige administratie (onder andere bestaande uit kwitanties van de huur), in vuilniszakken gestopt en op straat gezet.

3.3

Het hof overweegt als volgt. Het betoog van [appellant] dat hij alle huurtermijnen heeft voldaan, in de regel contant aan [geïntimeerde] dan wel de huismeester, betreft een bevrijdend verweer ter zake waarvan de bewijslast ingevolge artikel 150 Rv in beginsel op [appellant] rust. Nu [appellant] daarbij stelt dat hij door het handelen van [geïntimeerde] in een verslechterde bewijspositie is geraakt en [geïntimeerde] in eerste aanleg en hoger beroep deze stelling niet gemotiveerd heeft weersproken, ziet het hof aanleiding op grond van de redelijkheid en billijkheid de bewijslast anders te verdelen in die zin dat de bewijsleveringslast op [geïntimeerde] wordt gelegd terwijl het bewijsrisico op [appellant] blijft rusten. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat [appellant] de gevorderde huurtermijnen heeft betaald behoudens daartegen door [geïntimeerde] te leveren tegenbewijs. [geïntimeerde] kan dit tegenbewijs echter niet leveren, nu zijn advocaat zich heeft onttrokken en [geïntimeerde] als gevolg daarvan geen proceshandelingen kan verrichten.

3.4

De eerste grief slaagt. De tweede grief die ziet op de wettelijke rente over de huurtermijnen deelt hetzelfde lot. Het hof zal de vordering tot betaling van de huurtermijnen en de wettelijke rente daarover dus afwijzen. Nu [appellant] niet heeft gegriefd tegen de veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, laat het hof deze veroordeling in stand.

4 Slotsom

4.1

De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd, behoudens voor zover de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zijn afgewezen en de buitengerechtelijke kosten zijn toegewezen. Omwille van de duidelijkheid zal het hof het bestreden vonnis geheel vernietigen en een nieuw dictum formuleren.

4.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 202,--

- salaris advocaat € 350,-- (twee punten x tarief € 175,--)

Totaal € 552,--.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 96,59

- griffierecht € 291,--

subtotaal verschotten € 387,59

- salaris advocaat € 632,-- (één punt x tarief I)

Totaal € 1.019,59.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede) van 5 juni 2012 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [geïntimeerde] te betalen, een bedrag van € 558,70 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 202,-- voor verschotten en op € 350,-- voor salaris en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 387,59 voor verschotten en op € 632,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest, uitsluitend voor zover het de hierin vermelde veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke kosten betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.F.Wiggers-Rust, Th.C.M. Willemse en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2015.