Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8354

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
200.120.653
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kredietopzegging;

Spoedeisend belang

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2114
NJF 2015/519
JOR 2016/209 met annotatie van mr. M.L.C. Snoeks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.120.653

(zaaknummer rechtbank Arnhem 234364)

arrest in kort geding van 13 oktober 2015

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk: [appellant] c.s. ,

(ieder afzonderlijk: [appellant] en [appellante] ),

advocaat: mr. J.C.T. Papeveld,

tegen:

de naamloze vennootschap

Staalbankiers N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna: Staalbankiers,

advocaat: mr. J. Bedaux.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 5 november 2013 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van antwoord, met producties.

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 24 augustus 2015 door mr. Papeveld namens [appellant] c.s. zijn ingebracht, alsmede van de stukken die bij bericht van 25 augustus 2015 door mr. Brouwer namens Staalbankiers zijn ingebracht.

1.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.13 van het bestreden vonnis van 25 oktober 2012. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

Uit hoofde van een kredietovereenkomst van 2 september 2004 heeft Staalbankiers een bedrag in Zwitserse Franken aan [appellant] c.s. verstrekt als equivalent van € 2.000.000,=.

Als zekerheid voor de terugbetaling daarvan heeft [appellant] , als enig aandeelhouder van [X] ( [X] ’), zijn aandelen in die vennootschap aan Staalbankiers verpand. Het vermogen van [X] bestaat (vrijwel) uitsluitend uit een door [appellant] c.s. bewoond landgoed.

[appellant] c.s. heeft zich in de pandovereenkomst (artikel 4) verbonden om zich te onthouden van enige handeling die leidt of kan leiden tot een waardevermindering van de aandelen of die de afdwingbaarheid van de pandrechten kan bemoeilijken.

[appellant] heeft bij akte van 8 februari 2012 de statuten van [X] laten wijzigen. Daarbij is aan de statutaire doelstelling - die tot dat moment bestond in, kort gezegd, het verkrijgen, beheren, in stand houden en exploiteren van landgoederen - toegevoegd: ‘het ter leen opnemen en ter leen verstrekken van gelden en het stellen van zekerheid ook ten behoeve van derden, alles in de ruimste zin van het woord’. Twee dagen daarna heeft [appellant] ten behoeve van [Y] Group BV (‘ [Y] ’) een recht van hypotheek op het landgoed verstrekt, tot zekerheid van de terugbetaling van een geldlening ter hoogte van € 2.500.000,= alsmede van de aan [Y] verschuldigde rente en kosten. Staalbankiers heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] c.s. daarmee in strijd heeft gehandeld met zijn contractuele verplichtingen jegens de bank. Zij heeft om die reden het krediet opgeëist.

3 De procedure tot aan het hoger beroep in de hoofdzaak

3.1

In dit kort geding heeft Staalbankiers - kort gezegd - terugbetaling gevorderd van het geleende bedrag, met rente en kosten, alsmede een veroordeling van [appellant] c.s. om op straffe van verbeurte van dwangsommen inzicht te verschaffen in haar voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen. [appellant] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De voorzieningenrechter heeft de vordering van Staalbankiers - uitvoerbaar bij voorraad - toegewezen. [appellant] c.s. komt in dit hoger beroep daartegen op.

3.2

Na het vonnis in kort geding heeft Staalbankiers - onder andere - op 8 juli 2013 executoriaal beslag gelegd op de aandelen die [appellant] houdt in [Z] BV (‘ [Z] ’), van welke vennootschap [appellant] naast 75% aandeelhouder ook bestuurder is. [appellant] c.s. heeft bij incidentele vordering schorsing gevraagd van de tenuitvoerlegging van het vonnis in eerste aanleg. Het hof heeft deze incidentele vordering afgewezen bij arrest in het incident van 5 november 2013.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellant] c.s. heeft diverse - niet afzonderlijk genummerde - grieven gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van Staalbankiers. Met de grieven maakt [appellant] c.s. in het bijzonder bezwaar tegen het oordeel van de voorzieningenrechter omtrent het spoedeisend belang van Staalbankiers bij haar vorderingen, alsmede het oordeel omtrent de geoorloofdheid van de kredietopzegging. [appellant] c.s. heeft bij memorie van grieven voorts verzocht om, voor het geval dat het hof het kortgedingvonnis mocht bekrachtigen, de dwangsomveroordeling te matigen.

4.2

Staalbankiers heeft aan haar vordering van - in hoofdsom - € 2.546.732,84 onder andere ten grondslag gelegd dat [appellant] c.s. niet heeft voldaan aan de in r.o. 2 hiervoor bedoelde verplichting uit artikel 4 van de pandakte, nu de hypotheekverlening ten behoeve van [Y] een aanzienlijke waardevermindering van de aandelen in [X] tot gevolg heeft gehad. Daarmee is de schuld van [appellant] c.s. volgens Staalbankiers terstond en geheel opeisbaar geworden (krachtens artikel 5 Algemene Bepalingen van Geldleningen) en was de bank bevoegd de lening op te zeggen (op grond van artikel 27 Algemene Bankvoorwaarden).

Staalbankiers heeft het spoedeisend belang bij haar vordering onderbouwd door aan te voeren dat zij een aanzienlijk kredietrisico loopt nu haar lening sinds de hypotheekverlening voor een aanzienlijk deel ongedekt is en [appellant] c.s. geen alternatieve zekerheid heeft aangeboden en er financieel niet goed voorstaat.

4.3

[appellant] c.s. heeft als verweer aangevoerd dat de kredietopzegging door Staalbankiers ongeoorloofd is, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zodat de geldvordering van Staalbankiers om die reden moet worden afgewezen. [appellant] c.s. heeft voorts betwist dat Staalbankiers bij haar vordering een spoedeisend belang heeft. Volgens [appellant] c.s. is de lening nog altijd voor het overgrote deel door het pandrecht op de aandelen in [X] gedekt en volgt uit de balanswaarde van het landgoed - die ook na de hypotheekverlening onveranderd € 3.500.000,= bedraagt - dat het landgoed en daarmee ook de aandelen niet in waarde zijn gedaald.

Daarnaast heeft [appellant] c.s. erop gewezen dat hij steeds stipt heeft voldaan (en nog immer stipt voldoet) aan de periodieke renteverplichtingen, zowel jegens Staalbankiers als jegens [Y] . Gelet daarop is volgens [appellant] c.s. niet te verwachten dat [Y] tot het opeisen van de lening en uitwinning van haar hypotheekrecht door executoriale verkoop van het landgoed zal overgaan.

Het hof begrijpt dat volgens [appellant] c.s. het ontbreken van spoedeisend belang niet alleen aan toewijzing in de weg staat omdat het hier een geldvordering in kort geding betreft, maar dat het ontbreken van spoedeisendheid bij de kredietopzegging bovendien een omstandigheid vormt die bijdraagt aan de conclusie dat de kredietopzegging niet geoorloofd was.

Het hof zal hierna allereerst de geoorloofdheid van de kredietopzegging beoordelen en op basis daarvan de toewijsbaarheid van de geldvordering van Staalbankiers. De grieven van [appellant] c.s. zullen daarbij zoveel mogelijk gezamenlijk worden besproken.

4.4

Een geldvordering als de onderhavige is in kort geding slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang daarvan in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

4.5

Of het bestaan van de geldvordering van Staalbankiers in voldoende mate aannemelijk is, is afhankelijk van de vraag of Staalbankiers het krediet rechtsgeldig heeft opgezegd. Tussen partijen is niet in geschil dat Staalbankiers gebruik heeft gemaakt van een overeengekomen opzeggingsmogelijkheid, zodat moet worden beoordeeld of er omstandigheden zijn die aan de geoorloofdheid daarvan in de weg staan. Anders dan [appellant] c.s. heeft betoogd, moet in dit verband worden getoetst aan de in het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2929) neergelegde maatstaf. Deze komt erop neer dat slechts in het geval waarin de gebruikmaking van een overeengekomen opzeggingsbevoegdheid gelet op de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de beëindiging van de kredietovereenkomst niet rechtsgeldig is. Naar het oordeel van het hof kunnen de door [appellant] genoemde feiten en omstandigheden die conclusie niet rechtvaardigen.

Het hof neemt in dit verband het volgende in aanmerking.

4.6

[appellant] c.s. heeft bij memorie van grieven aangevoerd dat van een waarde van het landgoed van € 4.000.000,= moet worden uitgegaan en derhalve van een overwaarde van € 1.500.000,= nu [appellant] c.s. aan [Y] hypothecaire zekerheid heeft verstrekt voor een bedrag van € 2.500.000,=. In termen van zekerheid komt Staalbankiers daarmee slechts een bedrag van € 1.000.000,= tekort, aldus [appellant] c.s.

Staalbankiers heeft in reactie daarop echter gemotiveerd en onderbouwd met een schriftelijk stuk (de als productie 8 bij inleidende dagvaarding overgelegde hypotheekakte) aangevoerd dat door [appellant] c.s. niet slechts voor laatstgenoemd bedrag, maar voor een bedrag van in totaal € 3.500.000,= ten behoeve van [Y] zekerheid is gesteld, namelijk niet alleen voor de geleende som, maar ook voor bijkomende rente en kosten. Staalbankiers heeft er verder op gewezen dat het landgoed in de jaarrekeningen van [X] is gewaardeerd op € 3.500.000,=. Het lag op de weg van [appellant] c.s. om op deze stellingen voldoende concreet te reageren. Nu [appellant] c.s. dat heeft nagelaten - en daarentegen bij pleidooi in hoger beroep kennelijk ook zelf van een waarde van € 3.500.000,= is uitgegaan - gaat het hof voorbij aan de stelling van [appellant] c.s. dat de lening van Staalbankiers ook na de hypotheekverlening nog altijd voor het overgrote deel door het pandrecht op de aandelen was gedekt. Nu het vermogen van [X] vrijwel uitsluitend uit het landgoed bestaat, is niet te verwachten dat in geval van een executoriale verkoop door [Y] nog enig bedrag voor Staalbankiers voor verhaal resteert, temeer niet gelet op de door Staalbankiers gestelde - door [appellant] c.s. op zichzelf niet betwiste - omstandigheid dat in geval van een executoriale verkoop doorgaans een lagere verkoopopbrengst wordt gerealiseerd.

Overigens acht het hof ook het door [appellant] c.s. genoemde tekort aan zekerheid voor de terugbetaling ter hoogte van € 1.000.000,= voldoende substantieel om gebruik door de bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid - mede gelet op de overige omstandigheden - niet onaanvaardbaar te achten.

4.7

Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat de waarde van de aandelen als gevolg van het vestigen van het recht van hypotheek op het landgoed aanzienlijk is gedaald. Een en ander brengt mee dat sprake is van een aanmerkelijke toename van het kredietrisico als gevolg van het handelen van [appellant] c.s. Anders dan [appellant] c.s. heeft betoogd, betreft dit niet een beleggersrisico waarmee de bank rekening heeft kunnen houden. Staalbankiers mocht er immers bij het verstrekken van de lening van uitgaan dat [appellant] c.s. haar voor de volledige waarde van het landgoed zekerheid had verstrekt en - gelet op de overeengekomen verplichtingen - zou blijven verstrekken.

[appellant] c.s. kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat Staalbankiers niet is benadeeld nu [appellant] c.s. tegenover de hypotheekverstrekking een bedrag van € 2.500.000,= heeft ontvangen. Dit bedrag is immers kennelijk thans niet meer voor verhaal vatbaar en is in ieder geval door [appellant] c.s. niet aangewend voor het verstrekken van alternatieve zekerheid.

4.8

Aan de gebruikmaking van de opzeggingsbevoegdheid door Staalbankiers staat evenmin in de weg dat zij voorafgaand aan de kredietopzegging [appellant] c.s. niet heeft gewaarschuwd. De aard van het handelen van [appellant] c.s. brengt mee dat enige waarschuwing vóór de kredietopzegging hem niet in staat zou hebben gesteld om zijn tekortkoming te herstellen, terwijl [appellant] c.s. de bank voorafgaand aan die tekortkoming daarover niet heeft geïnformeerd, zodat evenmin een voorafgaande waarschuwing van de bank kon worden verwacht. Bovendien heeft Staalbankiers aan [appellant] c.s. na het gesprek op 3 september 2012 wel degelijk nog een periode van enkele dagen gegund om aan Staalbankiers voorstellen te doen om alternatieve zekerheid te verstrekken.

Anders dan [appellant] c.s. heeft aangevoerd kan de kredietopzegging voor [appellant] c.s. voorts niet onverwacht zijn gekomen, gelet op de strijdigheid van zijn handelen met hetgeen hij tevoren met de bank was overeengekomen. Zo [appellant] c.s. zich al niet bewust is geweest van het feit dat hij zich jegens Staalbankiers had verbonden zich van een dergelijke handelen te onthouden, moet voor hem in ieder geval duidelijk zijn geweest dat als gevolg daarvan onvoldoende zekerheid voor de bank zou resteren, terwijl de bank bij de kredietverlening het stellen van zekerheid als voorwaarde had gesteld. De handelwijze van [appellant] c.s. draagt aldus aan zijn betrouwbaarheid als kredietnemer niet bij. Een en ander brengt mee dat de bank [appellant] c.s. geen langere termijn behoefde te gunnen om tot herfinanciering of het stellen van alternatieve zekerheid over te gaan. Uit het feit dat [appellant] c.s. na verloop van een periode van drie jaar Staalbankiers nog immer geen adequate alternatieve zekerheid heeft aangeboden, lijkt overigens te volgen dat [appellant] c.s. ook niet in staat zou zijn geweest om de kredietopzegging te voorkomen indien hem na 3 september 2012 een langere termijn zou zijn gegund om tot een oplossing voor het gebrek aan zekerheid te komen.

4.9

Het hof volgt [appellant] c.s. niet in zijn betoog dat de bank genoegen had moeten nemen met zekerheid in de vorm van een pandrecht op de (75%) aandelen van [appellant] c.s. in [Z] BV. [appellant] c.s. heeft immers tegenover de gemotiveerde stellingen van de bank dat dit geen adequate zekerheid betrof, onvoldoende specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd die een tegengesteld oordeel rechtvaardigen. Onvoldoende acht het hof in dit verband de brief van de accountant van [Z] , waarin is te lezen dat [Z] een aanzienlijke lening aan een derde heeft verstrekt, die alleen door [appellant] in privé verrekend kan worden. [appellant] c.s. heeft bovendien geen inzicht gegeven in de onderliggende overeenkomst met deze derde. Desgevraagd heeft [appellant] ook ter zitting onvoldoende nadere informatie verstrekt met betrekking tot het vermogen van de vennootschap.

4.10

Aan het gebruikmaken van de opzeggingsbevoegdheid door Staalbankiers staat evenmin in de weg de stelling van [appellant] c.s. dat [Y] , anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet tot het opeisen van haar lening is overgegaan en dat mitsdien geen executoriale verkoop van het landgoed te verwachten is. Ook als [Y] thans nog niet tot het opeisen van de lening is overgegaan, neemt dit nog niet het risico weg dat zij daartoe op enig moment alsnog zal overgaan. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als [appellant] c.s. niet meer in staat is om jegens [Y] aan haar verplichting tot betaling van rente te voldoen. Nu [appellant] c.s. geen, althans slechts voor een - relatief - gering bedrag, betaald werk verricht en overigens geen verhaal biedt, terwijl ook bij navraag ter zitting in hoger beroep onhelder blijft wat de concrete bron is van de rentebetalingen die [appellant] c.s. tot nu toe heeft gedaan en op welke voorwaarden die - volgens [appellant] c.s. door een derde verrichte - betalingen blijven plaatsvinden, kan dit risico niet als denkbeeldig terzijde worden geschoven.

4.11

Ook de omstandigheid dat Staalbankiers de lening heeft opgezegd op een moment dat dit gelet op de koers van de Zwitserse frank voor [appellant] c.s. ongunstig was, kan - zo dit al zou moeten worden aangenomen (Staalbankiers heeft dit gemotiveerd betwist) - niet tot een ander oordeel leiden. Een negatieve of positieve ontwikkeling in de koersverhoudingen en een daarmee corresponderend effect op de hoogte van het terug te betalen bedrag is inherent aan de aard van de door [appellant] c.s. met de bank gesloten leningsovereenkomst.

De bank heeft kort na het kennisnemen van het handelen van [appellant] c.s. hem daarop aangesproken en heeft hem enkele dagen in de gelegenheid gesteld vervangende zekerheid te stellen. Het belang van de bank om de lening op te zeggen was groot, gelet op het - in ieder geval voor een belangrijk deel - ontbreken van zekerheid. Ook indien, zoals [appellant] c.s. stelt, het opzeggen door Staalbankiers op een dieptepunt van de koers heeft plaatsgevonden en Staalbankiers dit werkelijk had kunnen voorzien (hetgeen ook gemotiveerd is betwist en voorshands niet aannemelijk lijkt), brengt dit in de gegeven omstandigheden nog niet mee dat het voor Staalbankiers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om van haar opzeggingsbevoegdheid gebruik te maken. Ook in dat geval moet naar het oordeel van het hof, in het licht van de hiervoor reeds genoemde omstandigheden, aan het belang van de bank meer gewicht worden toegekend.

4.12

Dat voorts alleen [appellant] en niet [appellante] een lening met [Y] is aangegaan en een hypotheekrecht op het landgoed heeft verstrekt maakt niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Staalbankiers van haar opzeggingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt en voor het in verband daarmee verschuldigde geldbedrag ook [appellante] aansprakelijk houdt. Nu niet is onderbouwd dat Staalbankiers het handelen van [appellant] heeft kunnen voorzien, is onduidelijk hoe zij [appellante] daarvan op een eerder moment op de hoogte heeft kunnen stellen dan zij in de aan beide echtelieden gerichte correspondentie heeft gedaan, kort nadat zij zelf door middel van de brief van [Y] van 22 augustus 2012 (productie 10 inleidende dagvaarding) daarvan op de hoogte is geraakt.

4.13

Gelet op al het voorgaande acht het hof aannemelijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat Staalbankiers van haar opzeggingsbevoegdheid gebruik heeft mogen maken en dat mitsdien haar geldvordering toewijsbaar is.

4.14

[appellant] c.s. heeft bij memorie van grieven en het pleidooi in hoger beroep nog bezwaar gemaakt tegen het feit dat Staalbankiers in zijn visie een nieuwe rolloverlening heeft opgetuigd tegen slechtere voorwaarden dan [appellant] c.s. in de kredietovereenkomst met Staalbankiers was overeengekomen. Het hof heeft uit haar toelichting ter zitting begrepen dat Staalbankiers ook na opzegging weliswaar nog maandelijks rentebedragen over de - inmiddels opgeëiste - som incasseert, doch dat dit op haar vordering in de onderhavige procedure niet van invloed is. Staalbankiers maakt ook thans nog (slechts) aanspraak op de hoofdsom en rente (de 3-maands Libor + 1.30% opslag rente) zoals in de kredietovereenkomst was overeengekomen en op basis waarvan de voorzieningenrechter de vordering van Staalbankiers heeft toegewezen. Nu de vordering van Staalbankiers hetgeen door Staalbankiers is geïncasseerd in ruime mate overstijgt en de reeds geïncasseerde bedragen op de vordering van Staalbankiers in mindering worden gebracht, kan hetgeen [appellant] c.s. op dit punt heeft gesteld niet tot een ander oordeel leiden.

4.15

Het hof is voorts van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

Ter onderbouwing van het spoedeisend belang bij haar geldvordering heeft Staalbankiers met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd aangevoerd dat zij een groot kredietrisico loopt nu de aanvankelijk verstrekte zekerheid in feite is tenietgegaan, [appellant] c.s. geen alternatieve zekerheid heeft gesteld of zal stellen, [appellant] c.s. geen relevant inkomen geniet en evenmin voldoende duidelijkheid bestaat over zijn financiële positie.

De door [appellant] c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden leggen daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal. Tevergeefs heeft [appellant] c.s. in dit verband gewezen op de omstandigheid (i) dat [appellant] thans een baan als wethouder heeft en druk doende is met het ontwikkelen van nieuwe ondernemersactiviteiten, (ii) dat Staalbankiers in de onderhavige procedure niet voortvarend heeft geprocedeerd en de kortgedingprocedure in twee instanties reeds drie jaar duurt, (iii) dat het vonnis Staalbankiers niets heeft opgeleverd (iv) dat [appellant] c.s. tot nu toe stipt aan zijn periodieke rentebetalingen op grond van de kredietovereenkomst heeft voldaan en (v) dat Staalbankiers inmiddels via andere wegen tracht haar vordering op [appellant] c.s. te verhalen.

4.16

Het hof gaat voorbij aan de door [appellant] c.s. gestelde omstandigheid dat het vonnis niet wordt gebruikt om het aandelenbelang in [Z] uit te winnen, reeds nu uit hetgeen in r.o. 4.9 is overwogen volgt dat de mogelijkheid om deze aandelen op enige wijze te gelde te maken onvoldoende onderbouwd is gebleven. Hetzelfde heeft te gelden voor de door [appellant] c.s. ook in dit verband opgevoerde omstandigheid dat de waarde van het pandrecht van Staalbankiers als gevolg van de hypotheekverstrekking niet is uitgehold. Zoals in r.o. 4.7 reeds is overwogen acht het hof aannemelijk dat de waarde van dit pandrecht als gevolg van de hypothecaire belasting van het landgoed aanmerkelijk is gedaald.

4.17

Naar het oordeel van het hof bestaat voor Staalbankiers ook nog steeds een voldoende spoedeisend belang bij haar vordering jegens [appellant] c.s. om inzicht te verschaffen in haar voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen. Ook als zou worden aangenomen dat [appellant] c.s. op dit punt thans alle informatie zou hebben verstrekt, is de vermogenspositie van [appellant] c.s. naar zijn aard aan verandering onderhevig, zodat Staalbankiers zelfs in dat geval haar spoedeisend belang bij het ontvangen van die informatie behoudt zolang zij nog geen verhaal heeft gevonden voor het door [appellant] c.s. verschuldigde bedrag. Ook deze vordering - tegen de toewijzing waarvan voor het overige geen grieven zijn gericht - wordt daarom toegewezen.

4.18

Het hof begrijpt het verzoek van [appellant] c.s. tot matiging van dwangsommen aldus, dat hij daarmee heeft bedoeld een grief te richten tegen het aan de toegewezen dwangsomveroordeling verbonden maximum van € 2.500.000,=.

Ook deze grief faalt.

Gelet op de aard van de veroordeling en de hoogte van de verschuldigde som zal naar het oordeel van het hof slechts van een bedreiging met verbeurte van zeer hoge dwangsommen een voldoende preventieve werking kunnen uitgaan om een weerspannige debiteur ervan te weerhouden om mogelijk substantiële verhaalsbestanddelen verborgen te houden. In het geval waarin volledige openheid van zaken wordt gegeven, is zonder voldoende concrete verklaring de hoogte van het aan de dwangsomveroordeling verbonden maximum niet relevant. Het hof ziet daarom geen termen aanwezig om het door de voorzieningenrechter vastgestelde maximum te verlagen.

4.19

De vordering van [appellant] c.s. strekkende tot terugbetaling van hetgeen [appellant] c.s. ter voldoening aan het bestreden vonnis heeft voldaan, zal ten slotte, gelet op het voorgaande, eveneens worden afgewezen.

4.20

Als uitgangspunt geldt, gelet op de aard van het kort geding, dat in deze procedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering. Er is niet voldoende gesteld of gebleken dat er in deze zaak redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het bewijsaanbod van [appellant] c.s. voorbij.

5 De slotsom

5.1

Het hof komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5.2

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Staalbankiers zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 4.836,=

- salaris advocaat € 13.740,= (3 punten x tarief VIII)

Totaal € 18.576,=

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2012;

veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Staalbankiers vastgesteld op € 4.836,= voor verschotten en op € 13.740,= voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] c.s. in de nakosten, begroot op € 131,=, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,= in geval [appellant] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden,

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, H. Wattel en R.C. Moed en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.