Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8326

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
200.166.668/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en inschrijving school. Partijen krijgen de gelegenheid zich uit te laten over het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.166.668/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/361823 / FL RK 14-196)

beschikking van de familiekamer van 29 oktober 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland, kantoorhoudend te Amstelveen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.H.H. Nauta, kantoorhoudend te Lelystad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank), van 30 september 2014 en 27 februari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 maart 2015, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 27 februari 2015. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

1. te bepalen dat de zoons van partijen hun lagere schooltijd op hun huidige school in

[A] zullen afmaken en derhalve het verzoek van de moeder om de zoons van

partijen in te schrijven op een school in [B] af te wijzen;

2 te bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten behoeve van de zoons van partijen zal worden vastgesteld als volgt:

Week 1:

De vader haalt de kinderen op vrijdagmiddag uit school (in [A] ) op en zij blijven tot en met dinsdag 8.30 uur. De vader brengt de kinderen dan weer naar school.

De moeder haalt de kinderen op uit de naschoolse opvang (welke zich ook in [A] bevindt) en neemt ze mee naar huis (in [B] ).

De moeder brengt en haalt de kinderen op woensdag naar en van school.

De moeder brengt de kinderen op donderdagmorgen naar school.

De vader haalt de kinderen van school of de naschoolse opvang en brengt ze vrijdagmorgen naar school.

Week 2:

De moeder haalt de kinderen op vrijdagmiddag van school en neemt ze mee naar [B] , waar ze vervolgens het weekend blijven.

De moeder brengt maandagmorgen de kinderen naar hun school (te [A] ).

De vader haalt de kinderen maandagmiddag uit school en zij blijven tot en met dinsdag 8.30 uur bij de vader. De vader brengt ze dan naar school.

De moeder haalt de kinderen dinsdagmiddag uit (de na)school(se opvang) en neemt ze mee naar huis.

De moeder brengt de kinderen woensdagmorgen naar school en haalt ze ook weer op.

De moeder brengt de kinderen donderdagmorgen naar school.

De vader haalt de kinderen op donderdagmiddag van (de na)school(se opvang) waarbij de kinderen tot en met dinsdagmorgen naar school bij de vader zullen verblijven.

3. indien zou blijken dat de zoons van partijen, na hun verhuizing naar [B] , niet hun huidige school te [A] zouden kunnen blijven bezoeken, te bepalen dat de zoons bij de vader zullen worden ingeschreven en aldaar hun officiële hoofdverblijfplaats zullen hebben, onder vaststelling van de voormelde zorgregeling;

4. voor het overige de bestreden beschikking in stand te laten ter zake van de te verdelen vakanties, vrije en feestdagen, verjaardagen, etcetera;

5. te bepalen dat de vader met ingang van de datum van indiening van zijn (eerste) verweerschrift d.d. 13 februari 2014 een bijdrage zal leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoons van partijen van € 236,- per kind per maand, althans een bedrag vast te stellen dat past in het kader van de op het moment van de mondelinge behandeling bestaande financiële situatie en draagkracht;

kosten rechtens.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 mei 2015, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder verzoekt het hof de verzoeken van de vader in het principaal hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen op de door de vader aangevallen onderdelen, kosten rechtens. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder het hof de beschikking van de rechtbank van 30 september 2014, dan wel de beschikking van de rechtbank van 27 februari 2015, partieel te vernietigen op het onderdeel van de ingangsdatum van de alimentatiebeslissing en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, ingaande 1 januari 2014, primair te bekrachtigen de overeenkomst van partijen met betrekking tot de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 350,- per kind per maand, subsidiair de bijdrage die de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen met ingang van 1 januari 2014 te bepalen op € 350,- per kind per maand en te bepalen dat de vader deze bijdrage per 1 januari 2014 aan de moeder dient te voldoen, kosten rechtens.

2.3

Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- op 9 april 2015 een journaalbericht van 8 april 2015 van mr. Ten Rouwelaar-Hoogland met bijlagen;

- op 24 juli 2015 een journaalbericht van 23 juli 2015 van mr. Nauta met bijlagen.

2.4

Bij beschikking van dit hof van 23 april 2015 is het verzoek van de vader tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank van 27 februari 2015 afgewezen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 6 augustus 2015 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de affectieve relatie die tussen de vader en de moeder heeft bestaan is [in] 2005 geboren de minderjarige [de minderjarige1] en [in] 2008 de minderjarige [de minderjarige2] (verder gezamenlijk ook te noemen: de kinderen). De vader heeft de kinderen erkend en partijen zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 29 januari 2014, heeft de moeder primair verzocht de overeenkomst van partijen te bekrachtigen voor zover het betreft de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (verder ook: de zorgregeling) en de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 350,- per kind per maand. Subsidiair heeft de moeder verzocht te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben, een zorgregeling vast te stellen zoals in het verzoekschrift weergegeven en te bepalen dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van
€ 350,- per kind per maand, althans een bijdrage die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.3

De vader heeft op 14 februari 2014 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij de verzoeken van de moeder bestreden. De vader heeft voorts zelfstandig verzocht, voor zover ten deze van belang, een zorgregeling vast te stellen zoals in het verweerschrift weergegeven en zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen op een bedrag dat lager is dan € 350,- per kind per maand.

3.4

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van de rechtbank van 30 september 2014 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald en is een voorlopige bijdrage van de vader in de kosten van de kinderen vastgesteld van € 350,- per kind per maand. De zaak is - in afwachting van inlichtingen door partijen met betrekking tot het verloop van de mediation en de gewenste voortgang van de procedure - voor het overige aangehouden.

3.5

Bij aanvullend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 29 december 2014, heeft de moeder, voor zover ten deze van belang, verzocht:

- aan haar toestemming te verlenen om de kinderen van partijen ingaande het

schooljaar 2015 op de basisschool [C] te [B] in te

schrijven;

- ten aanzien van de zorgregeling te bepalen zoals in het aanvullend verzoekschrift is

weergegeven.

3.6

De vader heeft zich tegen deze aanvullende verzoeken verweerd.

3.7

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 27 februari 2015 heeft de rechtbank, voor zover ten deze van belang:

- met ingang van de datum van de beschikking de volgende zorgregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld:

- de kinderen verblijven bij de vader:

- eenmaal per 14 dagen, telkens van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur;

- iedere woensdagmiddag uit school tot 19.00 uur;

- de helft van de schoolvakanties, gedurende de zomervakantie drie aaneengesloten weken, in onderling overleg tussen de vader en de moeder te verdelen;

- de helft van de feestdagen.

- de moeder haalt en brengt de kinderen van en naar de vader;

- de kinderen zijn tijdens de verjaardag van één van hun ouders telkens bij

deze ouder. Op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder en op Vaderdag
bij de vader. De verjaardagen van de kinderen worden gevierd bij de ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven.

- bepaald dat de vader met ingang van de datum van de beschikking een bedrag van

€ 350,- per kind per maand telkens bij vooruitbetaling aan de moeder voldoet als

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

- de moeder toestemming verleend om de kinderen in te schrijven op een school in [B] voor het schooljaar 2015/2016;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil:
- de door de rechtbank aan de moeder verleende toestemming om de kinderen voor het

schooljaar 2015/2016 in te schrijven op een school in [B] ;
- de zorgregeling;
- de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.


Artikel 1:253a BW

4.2

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voor komt.
* Inschrijving school [B]

4.3

Bij de bestreden beschikking van 27 februari 2015 heeft de rechtbank de moeder toestemming verleend om in de maand juli 2015 met de kinderen naar [B] te verhuizen. De vader is niet in hoger beroep gekomen van deze beslissing. Vast staat dat de moeder op 1 juli 2015 met de kinderen naar [B] is verhuisd.

4.4

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat nu de kinderen voortaan hun hoofdverblijfplaats in [B] hebben, het in hun belang is dat zij daar een sociaal leven opbouwen. Schoolgang van de kinderen in [B] vormt daarvan een belangrijk onderdeel. Ook de vader heeft ter zitting erkend dat het onder de gegeven omstandigheden, waarin de kinderen inmiddels ook in [B] op sportclubs zitten, in het belang van de kinderen moet worden geacht dat zij in [B] naar school gaan. Het hof sluit zich daarbij aan en zal de beschikking van 27 februari 2015 bekrachtigen voor zover daarbij aan de moeder toestemming is verleend om de kinderen in te schrijven op een school in [B] voor het schooljaar 2015/2016.
* De hoofdverblijfplaats

4.5

Voor zover de vader zijn subsidiaire verzoek sub 3., betreffende de hoofdverblijfplaats van de kinderen, heeft gehandhaafd, is het hof van oordeel dat dit verzoek dient te worden afgewezen. Bij beschikking van de rechtbank van 30 september 2014 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald en niet gesteld of gebleken is dat sindsdien sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan die beschikking dient te worden gewijzigd. Ook overigens acht het hof een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen onder de gegeven omstandigheden niet in het belang van de kinderen, zij zijn gebaat bij rust en stabiliteit.
* Zorgregeling

4.6

Het hof ziet geen aanleiding om een andere zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen dan die door de rechtbank is vastgesteld. Een regeling met meer wisselmomenten, zoals door de vader verzocht, vergt meer overleg tussen de ouders, terwijl gebleken is dat de communicatie tussen hen beperkt is. Het hof acht een dergelijke regeling ook voor de kinderen, mede gelet op de reisafstand, te onrustig en om die reden niet in hun belang. Verder is ter zitting vast komen te staan dat de vader ook buiten de omgangsmomenten om telefonisch contact heeft met de kinderen. Dit alles in aanmerking genomen, acht het hof de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, waarbij de moeder de kinderen haalt en brengt van en naar de vader, het meest in het belang van de kinderen. De beschikking van 27 februari 2015 zal daarom in zoverre worden bekrachtigd.

4.7

De vader heeft ter zitting verzocht de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor een periode van drie maanden om te bezien hoe de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling in die periode verloopt en of de moeder zich aan deze regeling houdt. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Door de vader is onvoldoende aangevoerd om in twijfel te trekken dat de moeder de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling correct zal nakomen. De moeder heeft ter zitting bovendien toegezegd dat zij de zorgregeling correct zal nakomen en gebleken is dat zij dit in het verleden ook altijd heeft gedaan. Het hof acht aanhouding ook anderszins niet in het belang van de kinderen, zodat het verzoek van de vader tot aanhouding zal worden afgewezen.
De kinderalimentatie

4.8

Op 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan omtrent de wijze waarop bij de vaststelling van kinderalimentatie rekening dient te worden gehouden met het door de alimentatiegerechtigde te ontvangen kindgebonden budget (ECLI:NL:HR:2015:3011).

4.9

Het hof zal partijen in verband hiermee in de gelegenheid stellen om uiterlijk op 26 november 2015 aan het hof - met kopie aan de wederpartij - te berichten of en in hoeverre de uitspraak aanleiding geeft tot aanpassing van de standpunt(en) en/of verzoek(en) ten aanzien van de kinderalimentatie in deze procedure.

4.10

Partijen worden voorts in de gelegenheid gesteld om na ommekomst van voormelde termijn binnen twee weken, derhalve uiterlijk op 10 december 2015, te reageren op de uitlatingen van de wederpartij en gemotiveerd aan te geven of zij een nadere mondelinge behandeling wensen.

4.11

In beginsel zal de zaak verder op de stukken worden afgedaan, tenzij het hof beslist dat een nadere mondelinge behandeling dient plaats te vinden.

De slotsom

4.12

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2015 voor zover het de daarbij vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) betreft;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2015 voor zover daarbij aan de moeder toestemming is verleend om de kinderen in te schrijven op een school in [B] voor het schooljaar 2015/2016;

wijst af het verzoek van de vader om te bepalen dat de kinderen bij hem zullen worden ingeschreven en aldaar hun officiële hoofdverblijfplaats zullen hebben;

stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk op 26 november 2015 aan het hof - met kopie aan de wederpartij - te berichten of en in hoeverre de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) aanleiding geeft tot aanpassing van de standpunt(en) en/of verzoek(en) ten aanzien van de kinderalimentatie in deze procedure;

stelt partijen in de gelegenheid gesteld om na ommekomst van voormelde termijn binnen twee weken, derhalve uiterlijk op 10 december 2015, te reageren op de uitlatingen van de wederpartij en gemotiveerd aan te geven of zij een nadere mondelinge behandeling wensen;

bepaalt dat de zaak in beginsel verder op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof beslist dat een nadere mondelinge behandeling dient plaats te vinden.

houdt iedere verdere beslissing over de kinderalimentatie aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. J.G. Idsardi en mr. B.J. Voerman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 oktober 2015 in bijzijn van de griffier.