Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8325

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
200.140.252/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om medegezag afgewezen. Recht op omgang ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.252/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/142944/FA RK 13-1935)

beschikking van de familiekamer van 29 oktober 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J. de Graaf, kantoorhoudend te Winschoten,

tegen

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. M. Hoekman-Haan, thans mr. J.T. Schlepers, beiden kantoorhoudend te Stadskanaal.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Jeugdbescherming Noord, (voorheen genaamd Bureau Jeugdzorg Groningen),

kantoorhoudend te Groningen,

de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 13 mei 2014 en 18 november 2014 (tussen)beschikkingen gegeven en neemt de inhoud van die beschikkingen hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord Nederland, locatie Groningen (hierna ook: de raad) van 21 november 2014 (bevestiging van de ontvangst van het verzoek tot een aanvullend onderzoek), ingekomen op 24 november 2014;

- een brief van de raad van 4 mei 2015, ingekomen op 6 mei 2015, met de mededeling dat het onderzoek nog niet volledig is afgerond, waarbij de raad het hof heeft verzocht de behandeling van de zaak met twee maanden aan te houden;

- een journaalbericht van mr. Schlepers van 13 mei 2015, ingekomen op 18 mei 2015, met als bijlage een reactie op/weergave van de zijde van de vrouw van hetgeen is gebeurd na 18 november 2014;

- een faxbericht van de GI van 18 mei 2015 met bijlagen betreffende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de stand van zaken op dat moment;

- een brief van de raad van 19 juni 2015, ingekomen op 22 juni 2015, met als bijlage een raadsrapport van 18 juni 2015.

1.3

Ter zitting van 29 september 2015 is de zaak verder behandeld.

Het zittingsrooster noodzaakt ertoe dat de onderhavige zaak verder wordt behandeld, en deze beschikking wordt gegeven door een andere samenstelling van het hof dan die welke de eerdere (tussen)beschikkingen heeft gegeven.

Verschenen zijn de vader, bijgestaan door mr. De Graaf, en de moeder, bijgestaan door
mr. M.R. van de Veen, kantoorgenoot van mr. Schlepers. Namens de raad, opgeroepen in het kader van zijn adviserende taak, is de heer [B] verschenen. Namens de GI is de gezinsvoogd mevrouw [C] , verschenen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

In de onderhavige procedure zijn tussen partijen in geschil het gezag over de minderjarige [de minderjarige] (roepnaam: [de minderjarige] ), geboren [in] 2011 in de gemeente [D] , en de contactregeling tussen [de minderjarige] en haar vader.

2.2

Bij de bestreden beschikking van 15 oktober 2013 heeft de rechtbank - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - de bij beschikking van 13 november 2012 vastgestelde contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] gewijzigd en het verzoek van de vader tot het wijzigen van het gezag afgewezen.

2.3

[de minderjarige] is op 16 september 2014 onder toezicht van de GI gesteld, welke maatregel
- zoals door de gezinsvoogd ter zitting van het hof is verklaard - bij beschikking van
8 september 2015 met een jaar is verlengd.

2.4

Gelet op hetgeen de ouders ter zitting van het hof van 14 oktober 2014 naar voren hebben gebracht, in het bijzonder op hun bereidheid om met inachtneming van de in het raadsrapport van 1 september 2014 gegeven adviezen de nodige hulp te aanvaarden, goed samen te werken met de gezinsvoogd van [de minderjarige] en, indien mogelijk, mee te werken aan herstel van de contactregeling onder begeleiding, heeft het hof in zijn beschikking van 18 november 2014 besloten de zaak nogmaals aan te houden, in afwachting van het verloop van het thans met instemming van de ouders ingeslagen traject, gericht op herstel van de contactregeling onder begeleiding, en op speltherapie voor [de minderjarige] . Daarbij heeft het hof het aan de gezinsvoogd overgelaten om, in overleg met de speltherapeut, te bepalen of het opstarten van een begeleide contactregeling mogelijk is en, zo ja, op welke wijze. Voorts heeft het hof bij die beschikking de raad verzocht uiterlijk zes maanden na de beschikking aanvullend te rapporteren en adviseren over het gezag en de mogelijkheden van een contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] .

2.5

Ter uitvoering van het bepaalde in de tussenbeschikking van 18 november 2014 heeft de raad een nader onderzoek verricht en ter zake een (aanvullend) rapport van 18 juni 2015 uitgebracht.

2.6

In tegenstelling tot hetgeen in de beschikking van het hof van 18 november 2014 is aangenomen, is de speltherapie (in verband met de wachtlijsten) niet tijdig gestart en heeft het opstarten van de begeleide contactregeling niet in overleg met de speltherapeut plaats gevonden.

Er hebben na de gegeven tussenbeschikking van 18 november 2014 tien door de gezinsvoogd begeleide contactmomenten plaatsgevonden, waarna is overgegaan tot contacten in aanwezigheid van vaders partner en/of grootouders vaderszijde. Dit contact tussen de vader en [de minderjarige] is daarna in februari 2015 wederom in zijn geheel gestopt. Enerzijds komt dit door het starten van de speltherapie, waarvoor omgang met vader als een contra-indicatie werd aangegeven, en anderzijds het feit dat de vader tegen de afspraken in toch een keer alleen is geweest met [de minderjarige] . Sindsdien heeft de vader geen contact meer gehad met [de minderjarige] .

2.7

De speltherapie is voor [de minderjarige] in februari 2015 van start gegaan met een observatieperiode. In de zomer 2015 is begonnen met de behandeling. Deze behandeling is nog niet afgerond.

2.8

Het verloop van de ondertoezichtstelling en voornoemd traject gericht op herstel van de contactregeling onder begeleiding en op speltherapie voor [de minderjarige] , alsmede de bij de ouders bestaande zorgen en emoties rond de contactregeling in het algemeen, zijn ter zitting van het hof uitvoerig besproken.

2.9

Uit de behandeling ter zitting en voormeld raadsonderzoek blijkt dat er, ondanks de ondertoezichtstelling en ondanks de opdracht van de raad aan de ouders om zich in te spannen voor verbetering van de communicatie, sprake is van een verder verslechterde verstandhouding tussen de ouders, waarbij een rol blijft spelen de verontrustende uitlatingen van [de minderjarige] die wijzen op mogelijk seksueel misbruik, waarvan onduidelijk blijft hoe deze moeten worden beoordeeld. Het hof realiseert zich dat het voor alle betrokken partijen een moeilijke situatie is, zeker als wordt gekeken naar de leeftijd van [de minderjarige] . Voor het hof staat vast dat [de minderjarige] ergens mee worstelt, maar naar alle waarschijnlijkheid zal, mede gelet op [de minderjarige] leeftijd, nooit duidelijkheid over de oorzaak van de zorgelijke uitlatingen van [de minderjarige] worden verkregen. Het thema seksueel misbruik blijft als het ware boven de zaak hangen, wat moeilijk is voor alle betrokkenen, zeker in deze periode, nu er met de nodige therapie voor [de minderjarige] is aangevangen.

2.10

De raad heeft ter zitting van het hof geconstateerd dat na het op 18 juni 2015 uitgebrachte raadsrapport, dat al somber van toon is, de verhouding tussen de ouders er niet beter op is geworden en dat de afstand tussen hen is vergroot. Er is op dit moment sprake van een impasse, waar de ouders niet uitkomen, ondanks de begeleiding van een gezinsvoogd, een laatste redmiddel. De raad merkt op dat alle betrokkenen zichtbaar behoefte hebben aan rust, ook de vader, die wil weten waar hij aan toe is. De raad acht het daarom van belang dat er nu een beslissing komt. De raad heeft in het raadsrapport van 18 juni 2015 gemeend geen advies te kunnen geven omtrent de gezagsvoorziening (zich “gerefereerd” aan het oordeel van het hof), maar heeft dat ter zitting bijgesteld. De raad heeft aldaar geadviseerd het eenhoofdig gezag van de moeder over [de minderjarige] in stand te laten en het verzoek van de vader strekkende tot omgang met [de minderjarige] af te wijzen.

De speltherapie voor [de minderjarige] en de daaraan gekoppelde ouderbegeleiding van de moeder dienen naar mening van de raad te worden voortgezet. Daarbij blijft de raad bij zijn standpunt dat het van belang is dat de vader eveneens - wellicht in aangepaste vorm, nu de ouderbegeleiding bij gebrek aan omgang niet zinvol is - betrokken wordt bij de therapie van [de minderjarige] . Voorts blijft de raad benadrukken dat het de verantwoordelijkheid van beide ouders blijft zich in te spannen voor een verbeterde communicatie en gezamenlijke vormgeving van de ouderschap. Nu lukt het niet, maar wellicht is dit in de toekomst anders.

2.11

De vader vindt het op dit moment lastig om zijn standpunt weer te geven. Hij heeft het gevoel dat hij in een soort nachtmerrie is beland. Hij is een buitenstaander geworden. De vader voelt zich onvoldoende geïnformeerd over en betrokken bij de hulpverlening voor [de minderjarige] . Hij is teleurgesteld en voelt zich geheel machteloos. De vader had na vierenhalf jaar lang vechten voor zijn dochter gehoopt dat dit nu onder begeleiding van een gezinsvoogd in goede banen zou worden geleid. Volgens hem heeft hij zich aan alles gehouden, maar het traject is - in zijn ogen door toedoen van de huidige gezinsvoogd - zeer ongelukkig en moeizaam verlopen.

De vader is onder meer van mening dat de speltherapie voor [de minderjarige] door de gezinsvoogd in een te laat stadium is aangevraagd. Ook wijst hij erop dat hij bij herhaling bij de gezinsvoogd heeft aangegeven behoefte te hebben aan ouderbegeleiding in het kader van de speltherapie van [de minderjarige] , maar dat daarop niet door de gezinsvoogd werd ingespeeld.

De verstandhouding tussen de vader en de gezinsvoogd en het vertrouwen van vader in de GI zijn dusdanig verstoord dat hij op dit moment niet meer persoonlijk in gesprek wil met de gezinsvoogd en heeft verzocht de communicatie via zijn advocaat te laten lopen.

De vader betwist zich dreigend te hebben uitgelaten naar de moeder en de gezinsvoogd toe. Het enige wat hij wilde was dat er actie zou worden ondernomen door de gezinsvoogd, dat er werd nagekomen wat hem is beloofd. Zijn actie zijn volgens de vader zowel door de moeder als de gezinsvoogd verkeerd geïnterpreteerd.

De vader begrijpt dat het op dit moment van belang is om de speltherapie af te wachten voordat nieuwe stappen worden gezet, maar hoopt, zoals reeds aangegeven, op meer informatie vanuit de hulpverlening. Hij beseft dat hij niet meer kan doen op dit moment. Ook de vader vindt het van belang dat [de minderjarige] op dit moment geen druk ervaart. Anders dan de raad thans adviseert, geeft de vader er echter de voorkeur aan - bij gebrek aan wetenschap of de speltherapie van [de minderjarige] inderdaad zo lang zal gaan duren - om de zaak betreffende de omgangsregeling voor een half jaar aan te houden in afwachting van de verdere informatie.

Wat betreft het gezag refereert de vader zich aan het oordeel van het hof.

Niettemin vindt hij alles erg confronterend. Hij mist [de minderjarige] en nu hij samen met zijn huidige partner een kind heeft gekregen, heeft alles des te meer impact.

2.12

De moeder ziet niet op welke wijze zij en de vader gezamenlijk invulling zouden kunnen geven aan het gezag over [de minderjarige] . De moeder wijst erop dat de situatie tussen hen inmiddels op een dieptepunt is gekomen, nu de vader zich meerdere malen dreigend over haar heeft uitgelaten. De moeder voelde zich daardoor zodanig onveilig dat zij verhuisd is naar een geheim adres. Het gedrag van [de minderjarige] is sindsdien in positieve zin veranderd. [de minderjarige] doet het goed op school en heeft het daar naar haar zin. Hoewel [de minderjarige] door de speltherapie wederom bozig werd, vindt zij de therapie in een frequentie van één keer per week op zich wel leuk, aldus de moeder.

De moeder maakt zich zorgen om [de minderjarige] . Zij is erg geschrokken van de uitspraken die [de minderjarige] tijdens de speltherapie heeft gedaan. De moeder heeft erop gewezen dat nu er een tijdje geen omgang is tussen de vader en [de minderjarige] , er rust is ontstaan. [de minderjarige] is zichtbaar minder gespannen. De moeder acht het opnieuw aanhouden van de zaak in afwachting van de speltherapie dan ook niet in het belang van [de minderjarige] . Zij verzoekt het hof de vader de omgang met [de minderjarige] te ontzeggen.

2.13

De gezinsvoogd heeft ter zitting aangegeven dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] in verband met de verwachte wachttijd voor de speltherapie welbewust is gestart met het risico dat het eventueel gestopt zou moeten worden en dat dit element wellicht tevoren te weinig met de vader is besproken. Er is wel degelijk bezien en besproken of omgang tijdens de speltherapie door kon gaan, maar er werd geadviseerd om te stoppen. Inmiddels is de observatieperiode afgelopen en na de zomervakantie is de behandeling begonnen. [de minderjarige] liet veel boosheid en angst zien jegens vader, en concrete signalen die wijzen op misbruik.

Het is de gezinsvoogd niet gelukt gezamenlijke gesprekken met beide ouders te organiseren om hen te begeleiden bij het verbeteren van de communicatie. Alleen al in verband met de angst van de moeder jegens de vader en de boosheid en frustratie van de vader over de gang van zaken was het moeilijk om ze samen aan de tafel te zetten, aldus de gezinsvoogd. Eenmaal heeft de vader zich zo dreigend uitgelaten over de moeder dat de gezinsvoogd zelf de politie heeft gebeld. De verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is door de GI verzocht omdat het nog niet duidelijk is of de vader mede het gezag over haar krijgt en of er een omgangsregeling wordt vastgesteld. In dat geval is het goed dat die door de gezinsvoogd wordt begeleid.

Ten aanzien van het gezag

2.14

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of

  2. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.15

Het in de wet verankerde uitgangspunt in zaken als de onderhavige is dus dat een verzoek om gezamenlijk gezag, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt toegewezen.

2.16

Het hof is van oordeel dat in dit geval het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten dient te worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat uit hetgeen naar voren is gebracht en uit de stukken blijkt dat de problemen tussen de ouders zodanig ernstig en structureel zijn dat aannemelijk is dat er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders indien zij het ouderlijk gezag gezamenlijk zouden uitoefenen. Verder is niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt.

2.17

Daartoe overweegt het hof het volgende:

Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van een ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag houdt een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind (zoals over de verblijfplaats, de school, medische zaken, geloofsbeleving, vrije tijdsbesteding) te nemen. In geval van gezamenlijk gezag worden dergelijke beslissingen samen met de andere gezaghebbende ouder genomen.

2.18

Voor gezamenlijk gezag is dan ook in het algemeen vereist dat de ouders feitelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Nodig is kortom, dat zij met elkaar hierover (kunnen) communiceren.

2.19

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat partijen niet in staat zijn tot de voor een adequate uitoefening van het gezamenlijk gezag noodzakelijke communicatie.

De communicatie tussen partijen en hun verstandhouding is tot op heden niet verbeterd, in tegendeel, gebleken is dat enig respect van partijen voor elkaar thans volledig ontbreekt en dat alle vertrouwen is weggevallen. Het hof is van oordeel dat het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] een gedwongen overlegsituatie zal creëren, waar partijen niet aan toe zijn en wat [de minderjarige] kan schaden. De spanningen en angstgevoelens bij de moeder staan aan de communicatie met vader in de weg en initiatieven daartoe zullen, gezien de kwetsbaarheid van de moeder én van [de minderjarige] , onmiskenbaar een negatieve invloed hebben op de rust en stabiliteit die [de minderjarige] in haar verzorgings- en opvoedingssituatie op dit moment nodig heeft. Verder zijn er geen aanwijzingen dat deze situatie zich op afzienbare termijn in positieve zin zal wijzigen.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat alleen de moeder met het gezag over haar is belast. Het hof zal de beschikking waarvan beroep betreffende het gezag bekrachtigen.

Ten aanzien van de omgangsregeling

2.20

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

Ingevolge 1:377a lid 3 van het BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

2.21

Het hof constateert dat de relatie tussen de vader en de gezinsvoogd moeizaam is, waardoor de ondertoezichtstelling, die voornamelijk gericht is geweest op het (begeleiden van het) contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] , spijtig genoeg niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.

Dat neemt niet weg dat er -wat de oorzaak daarvan ook zij- ernstige zorgen zijn over [de minderjarige] .

Tussen partijen is niet in geschil dat er gedurende de periode waarin de speltherapie gaande is geen omgang zal plaatsvinden. Verder is in redelijkheid aan te nemen dat de ingezette speltherapie lange tijd zal gaan duren.

2.22

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader tot het vaststellen van de omgangsregeling als genoemd in zijn beroepschrift, moet worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat hem het recht op omgang met [de minderjarige] vanaf heden moet worden ontzegd. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat het voor [de minderjarige] van belang is dat er wat betreft de omgang op dit moment rust en duidelijkheid komt, terwijl los daarvan ter zitting is gebleken dat niet alleen [de minderjarige] maar ook de vader en de moeder behoefte hebben aan rust.

2.23

Het feit dat de vader op dit moment in het belang van [de minderjarige] de omgang wordt ontzegd, hoeft naar het oordeel van het hof niet mee te brengen dat de vader niet op een meer actieve basis betrokken kan worden bij de speltherapie van [de minderjarige] , zoals door de raad geopperd is in zijn rapport van 18 juni 2015. De in het raadsrapport genoemde en de door de vader gewenste ouderbegeleiding is misschien op dit moment niet zinvol omdat er geen omgang is, maar de vader zou naar het oordeel van het hof frequenter terugkoppeling kunnen krijgen aangaande de speltherapie. Op die wijze kan hij voldoende worden geïnformeerd over het welzijn van zijn dochter en de vorderingen die zij maakt.

2.24

Het hof merkt bij het voorgaande op dat het de vader vrij staat later opnieuw te bekijken of er in de dan gegeven omstandigheden weer mogelijkheden zijn voor omgang met [de minderjarige] .

3 De slotsom

3.1

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover die het gezag over [de minderjarige] betreft en vernietigen voor zover daarin een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en vader is vastgesteld. Het recht op omgang met [de minderjarige] zal de vader worden ontzegd.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen,
van 15 oktober 2013, voor zover daarbij het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten, is afgewezen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen,
van 15 oktober 2013, voor wat betreft de daarin vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] ;

ontzegt de vader vanaf heden het recht op omgang met [de minderjarige] ;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en

mr. H. Lenters, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2015 in bijzijn van de griffier.