Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8295

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
28-01-2016
Zaaknummer
200.169.334
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie. Behoefte. Vermogen alimentatiegerechtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/41.11

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.169.334

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 266654)

beschikking van de familiekamer van 3 november 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P.A.W. Eskens te Arnhem,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats], Denemarken,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 februari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 mei 2015;

- het verweerschrift, ingekomen op 10 juni 2015;

- een journaalbericht van mr. Eskens van 3 september 2015 met bijlagen, ingekomen op

4 september 2015;

- een journaalbericht van mr. Eskens van 8 september 2015 met bijlage, ingekomen op

9 september 2015;

- een journaalbericht van mr. Eskens van 14 september 2015 met bijlagen, ingekomen op 15

september 2015;

- een journaalbericht van mr. Eskens van 21 september 2015 met bijlagen, ingekomen op

diezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 september 2015 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De advocaat van de vrouw is verschenen. De vrouw is niet verschenen.

2.3

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.4

Desgevraagd heeft mr. Ekholm ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brieven van mr. Eskens van respectievelijk 14 en 21 september 2015 met bijlagen aangezien die niet tijdig zijn ingebracht en niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn, in het bijzonder de op 21 september 2015 ingediende bijlage met een Deense tekst. Het hof heeft daarop beslist dat op de bij journaalbericht van 14 september 2015 ingediende bijlage acht wordt geslagen, omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden is en mr. Ekholm zonder nadere maatregel van het hof in redelijkheid voldoende moet hebben kunnen kennisnemen van die bijlage en zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. De bij journaalbericht van 21 september 2015 overgelegde bijlage laat het hof als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing, omdat deze in de Deense taal is opgesteld en daardoor niet eenvoudig te doorgronden is en zonder noodzaak pas een dag voor de mondelinge behandeling is ingekomen ter griffie van het hof.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 22 juli 2010 ontbonden door echtscheiding. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw heeft de Deense nationaliteit.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1997;

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1999 en

- [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2001,

hierna gezamenlijk te noemen “de kinderen”, over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van 6 juli 2010 heeft de rechtbank Groningen bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen van € 1.300,- (bruto) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en dat hij aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 400,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat partijen verder zijn overeengekomen als in de tussen partijen gesloten overeenkomst van 25 maart 2010, die deel uitmaakt van die beschikking, is vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 1 juni 2014 afgewezen.

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de behoefte van de vrouw en zijn draagkracht. De man verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zijn verzoek alsnog toe te wijzen, althans het alimentatiebedrag ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 juni 2014 vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, kosten rechtens

4.3

De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, althans deze af te wijzen en hem te veroordelen in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen aangaande de absolute en relatieve bevoegdheid en het toepasselijke recht en maakt die overwegingen tot de zijne.

5.2

Vervolgens is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De man stelt dat zijn draagkracht vanwege negatieve bedrijfsresultaten vanaf 2010 in negatieve zin is gewijzigd. Hoewel de vrouw dit betwist, heeft de man met de door hem overgelegde jaarstukken van de commanditaire vennootschap voldoende aannemelijk gemaakt dat het resultaat van de onderneming in de jaren 2010-2014 negatief was en aanzienlijk was gedaald ten opzichte van de daaraan voorafgaande jaren. Reeds hierom is er naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

5.3

De man stelt in grief II de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie. Hij stelt dat zij conform het echtscheidingsconvenant een bedrag van € 400.000,- uitgekeerd heeft gekregen, dat zij dit gehele bedrag heeft geïnvesteerd in een woning in Denemarken, dat zij geen woonlasten heeft en dat zij geen herinrichtingskosten heeft gehad. Voorts heeft de vrouw de vakantiewoning in Denemarken vrij van lasten toebedeeld gekregen. Met het vermogen dat aldus aan de vrouw is toegekomen moet zij, aldus de man, zelf in staat worden geacht in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw betwist dat en stelt dat haar niet tegengeworpen kan worden dat zij geld uit de verdeling heeft ontvangen en evenmin dat zij van dat geld een woning voor haar en de kinderen heeft gekocht.

5.4

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.5

Het door de vrouw ontvangen bedrag van € 400.000,- wegens overbedeling betreft de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Naast dit bedrag wegens overbedeling is in de overeenkomst van 25 maart 2010 de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man op basis van het netto gezinsinkomen van € 4.000,- na aftrek van de kosten van de kinderen op € 2.851,- vastgesteld. Dat de vrouw behoefte heeft aan deze bijdrage stond in 2010 tussen partijen vast. Met zijn stelling dat, in afwijking van de afspraken in het echtscheidingsconvenant, thans ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw met het aan haar uitgekeerde vermogen zelf in haar levensonderhoud dient te voorzien, miskent de man dat de vrouw recht heeft op de helft van de huwelijksgoederengemeenschap zoals in 2010 is overeengekomen en dat hij daarnaast, met inachtneming van zijn draagkracht, aan de vrouw partneralimentatie dient te voldoen. Nu tussen partijen vaststaat dat de vrouw wegens ziekte niet in staat is inkomen uit arbeid te verwerven en zij met een werkende ex-echtgenoot die in de kosten van haar levensonderhoud dient te voorzien, niet voor een bijstandsuitkering in Denemarken in aanmerking komt, moet het ervoor worden gehouden dat de vrouw nog steeds behoefte heeft aan een bijdrage van de man zoals in 2010 overeengekomen. Grief II faalt.

5.6

De man stelt in grief I en grief III dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.

5.7

De man, geboren op 22 maart 1964, heeft de volgende inkomsten:

De man is beherend vennoot (25%) van [A] C.V. (verder: de CV). Zijn broer is met een aandeel van 25% ook beherend vennoot. Als commanditaire vennoten treden op [B] B.V. en [C] B.V. (hierna gezamenlijk: [C c.s.]), ieder voor een aandeel van 25%. Uit de overgelegde jaarstukken van de CV van de afgelopen vier jaren blijken de volgende cijfers (in euro’s):

2011 2012 2013 2014

Omzet 2.752.347 2.565.824 2.578.960 2.093.630

Bedrijfskosten 2.980.690 2.878.615 2.795.347. 2.460.483

Eigen vermogen 6.303.175 5.999.858 5.415.761 5.784.669

Bedrijfsresultaat -/- 228.348 -/- 303.318 -/- 215.186 -/-368.908

Rekening houdend met de ontwikkelingen van de orderportefeuille/verplichtingen jegens derden/voorzienbare investeringen is voor 2015 voorzien een omzet van € 2.082.500 en een bedrijfsresultaat van € 411.354 negatief.

De man ontvangt jaarlijks een beloning uit de onderneming van € 25.000,- en een vaarvergoeding van € 57.600,- in 2014. Van dit totale jaarinkomen van € 82.600,- wordt blijkens de rekening-courantrekening maandelijks € 5.000,- als inkomen aan de man overgemaakt (de maandbrieven). Het belastbaar inkomen van de man valt fiscaal onder de “tonnageregeling”, hetgeen betekent dat zijn bruto inkomen gelijk is aan zijn netto inkomen.

5.8

De man is op 21 maart 2014 gehuwd met [D]. Met haar en haar twee kinderen:

- [kind 4], geboren op [geboortedatum] 2000, en

- [kind 5], geboren op [geboortedatum] 1997,

uit een eerder huwelijk vormt hij een gezin.

5.9

Het hof stelt voorop dat op de man een wettelijke plicht rust bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Indien de man, zoals hij stelt, over onvoldoende draagkracht beschikt, dan is het aan hem met voldoende overtuigend bewijs te komen dat hij onvoldoende draagkrachtig is (zie onder meer HR 2 februari 1996, NJ 1996, 569). Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende overtuigend bewijs geleverd voor zijn stelling dat zijn draagkracht ontoereikend is om de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te voldoen. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

De man stelt dat ING-bank heeft bedongen dat de rekening-courantpositie van de beherende vennoten het bedrag van € 100.000,- niet mag overschrijden, dat hij genoodzaakt zal zijn de onttrekkingen aan het bedrijf vanwege de slechte resultaten te verlagen en dat dit tot gevolg heeft dat de partneralimentatie op nihil moet worden vastgesteld dan wel moet worden verlaagd. Volgens hem bestaat het positieve ondernemingsvermogen slechts op papier; op het schip zal blijkens een taxatierapport bij verkoop een verlies van € 5.336.184,- worden geleden, zodat de kapitaalpositie van de man in feite € 450.306,- negatief is.

Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling onvoldoende met feiten onderbouwd. Zo ontbreekt een brief van ING-bank, waaruit blijkt dat de rekening-courantrekening het bedrag van € 100.000,- niet mag overschrijden. Het enkele feit dat [C c.s.] heeft geadviseerd om de beloningen in verband met de slechte bedrijfsresultaten op nihil vast te stellen acht het hof niet toereikend. Het zijn immers de man en zijn broer als beherende vennoten die hun eigen vergoeding vaststellen. Nu de man zichzelf in 2014 nog steeds een netto inkomen van € 5.000,- per maand heeft toegekend en laten uitbetalen, welk inkomen in 2015 niet verlaagd is, en ondanks de slechte bedrijfsresultaten in 2010 in 2011 nog besloten is tot een loonsverhoging van € 1.000,- per maand, moet het ervoor worden gehouden dat dit ondanks de slechte bedrijfsresultaten bedrijfseconomisch verantwoord is. Het hof zal dan ook uitgaan van een netto maandinkomen van € 5.000,-.

5.10

De man stelt dat op zijn inkomen jaarlijks de volgende kosten in mindering strekken:

- rente hypotheek woning [woonplaats] € 4.104,-

- premie levensverzekering € 1.524,-

- WOZ-belasting € 1.100,-

- premie arbeidsongeschiktheidsverzekering € 5.300,-

- verzekering ziektekosten € 1.440,-

- alimentatie kinderen Denemarken € 4.096,77,- (gebaseerd op nieuwe bijdrage).

Daarnaast dient volgens de man rekening te worden gehouden met de kosten van de verzorging en opvoeding van de stiefkinderen.

5.11

Het hof houdt geen rekening met de kosten voor de stiefkinderen, nu de man heeft nagelaten inkomensgegevens van zijn huidige partner te verschaffen en ook geen inzicht heeft verschaft in het aandeel dat de biologische vader van de kinderen (mogelijk) bijdraagt in de kosten van de kinderen.

5.12

Zelfs indien voor het overige met de door de man opgegeven lasten, zoals hiervoor in 5.10 is vermeld, rekening wordt gehouden, kan hij de overeengekomen partneralimentatie van € 1.300,- bruto per maand blijven voldoen. Ook de grieven I en III falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.13

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft. Hoewel de man niet in het gelijk is gesteld heeft hij recht op een herbeoordeling van zijn draagkracht en ziet het hof in tegenstelling tot de vrouw onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat hij haar met het instellen van deze procedure onnodig op kosten heeft gejaagd.

6 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
20 februari 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T.M. Blankestijn, K.J. Haarhuis en M.S. van Gaalen, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 3 november 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.