Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8231

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
21-002843-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:BY9608, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1071, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden wegens ontuchtig met zijn minderjarige dochter meermalen gepleegd (die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam) en ontucht met een aan zijn en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002843-13

Uitspraak d.d.: 4 november 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 25 januari 2013 met parketnummer 06-940377-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1959] ,

wonende te [woonplaats]

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 augustus 2013 en 21 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S. Weening, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 januari 2013 – tenlastegelegd dat:

1.
hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 maart 2000 tot

1 september 2001 te [plaats] en/of te [plaats] en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboortedatum [1987] , (buiten echt) één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en/of het betasten van haar billen, terwijl die [slachtoffer 1] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt;


2.
hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2001 tot

7 juli 2002 te [plaats] en/of te [plaats] en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboortedatum [1990] , een of meer handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en/of het likken van haar vagina en/of het betasten van haar billen en/of borsten, terwijl die [slachtoffer 2] toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;


3.
hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 7 juli 2002 tot

7 juli 2005 te [plaats] en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboortedatum [1990] , (zijnde verdachtes dochter), (buiten echt) één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en/of het likken van haar vagina en/of het betasten van haar billen en/of borsten, terwijl die [slachtoffer 2] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt;


4.
hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 7 juli 2005 te [plaats] en/of te [plaats] , in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn toen minderjarige dochters [slachtoffer 1] , geboortedatum [1987] en/of [slachtoffer 2] , geboortedatum [1990] , bestaande die ontucht hierin dat verdachte die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft betast aan hun beider vagina's en/of borsten en/of billen;


5.
hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999 te Frankrijk, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 3] , geboortedatum [1983] , te weten het vingeren, althans betasten, van haar vagina en/of het zich door die [slachtoffer 3] laten aftrekken en/of het tongzoenen van/met die [slachtoffer 3] , terwijl deze [slachtoffer 3] toen minderjarig was en aan verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;


6.
hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 augustus 2010 te [plaats] , en/of elders in Nederland en/of te Frankrijk, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 4] , geboortedatum [1992] , te weten het tonen van zijn stijve penis aan die [slachtoffer 4] en/of het betasten van de billen van die [slachtoffer 4] , terwijl die [slachtoffer 4] toen minderjarig was en aan verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

7.
hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 19 mei 2009 tot

19 mei 2010 te [plaats] , en/of elders in Nederland, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 5] , geboortedatum [1993] , door die [slachtoffer 5] te betasten aan haar borsten en/of haar billen, terwijl die [slachtoffer 5] toen minderjarig was en aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van de tenlastegelegde feiten onder 2, 3, en 4 (voor zover dit ziet op [slachtoffer 2] ), 6 en 7

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2, 3, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Dit geldt eveneens voor het tenlastegelegde onder 4 voor zover dit ziet op [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).

Het hof overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onder 2, 3, en 4 voor zover dit ziet op [slachtoffer 2] in het bijzonder het volgende. In het dossier bevindt zich een verslag van het informatief gesprek zeden van 30 januari 2012 tussen [slachtoffer 2] en twee verbalisanten van politie. In dit gesprek heeft [slachtoffer 2] aangegeven dat zij door haar vader stelselmatig seksueel is misbruikt van haar 11/12de tot haar 15de jaar. [slachtoffer 2] heeft verklaard door haar vader te zijn betast aan haar borsten en vagina. Voorts zou haar vader haar oraal hebben bevredigd en gevingerd. [slachtoffer 2] heeft geen aangifte van het seksueel misbruik willen doen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 2 november 2012 is er op een later moment door de politie contact gezocht met [slachtoffer 2] over de vraag hoe zij op dat moment tegenover het doen van aangifte stond. Zij heeft toen opnieuw aangegeven geen aangifte tegen haar vader te willen doen. Daarnaast bevinden zich verschillende de-auditu-verklaringen in het dossier.

In het dossier bevinden zich geen andere bewijsmiddelen dan de hierboven genoemde processen-verbaal. Dit bewijsmateriaal acht het hof onvoldoende om een bewezenverklaring op te baseren.

De advocaat-generaal heeft vrijspraak gevorderd van feit 7.

De raadsman heeft voor zowel feit 6 als feit 7 vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van de feiten 6 en 7, betreffende [slachtoffer 4] respectievelijk [slachtoffer 5] acht het hof het voorhanden bewijs evenmin voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Naast de respectieve aangiftes is er naar het oordeel van het hof telkens onvoldoende steunbewijs.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van de feiten onder 1, 4 (voor zover dit ziet op [slachtoffer 1] ) en 5

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van deze tenlastegelegde feiten, inhoudende – kort gezegd – plegen van ontucht met verdachtes minderjarige dochter [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam (feit 1), plegen van ontucht met zijn minderjarige dochter [slachtoffer 1] , bestaande uit het betasten van haar vagina en/of borsten en/of billen (feit 4) en het plegen van ontucht met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwd minderjarig meisje, te weten [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) (feit 5).

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten onder 1 en 4 voor zover dit laatste feit ziet op [slachtoffer 1] heeft de raadsman zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het bewijsminimum ex artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering nu de verklaring van [slachtoffer 1] onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Verdachte dient zodoende van het tenlastegelegde onder 1 en 4 (voor zover dit ziet op [slachtoffer 1] ) te worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman bepleit dat – mocht het hof wel tot een bewezenverklaring komen – dit niet het geval kan zijn voor de gehele tenlastegelegde periode.

Ten aanzien van het feit onder 5 heeft de raadsman zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer 3] onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Nu niet wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman bepleit dat niet bewezen kan worden dat [slachtoffer 3] aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd. De raadsman heeft betoogd dat er geen reden is aan te nemen dat verdachte enige zorgplicht had ten opzichte van [slachtoffer 3] .

Beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder ten aanzien van de feiten onder 1 en 4 voor zover dit ziet op [slachtoffer 1] het volgende. [slachtoffer 1] heeft bij de politie in detail verklaard dat zij door haar vader stelselmatig seksueel is misbruikt vanaf haar 12de jaar. Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard dat haar vader haar op haar slaapkamer op zolder wakker kwam maken en haar vingerde terwijl hij op het trapje van de hoogslaper stond. Voorts heeft ze verklaard over een incident na een judotoernooi waarbij zij was flauwgevallen en wakker werd op de slaapkamer van haar vader. Haar vader was zichzelf aan het bevredigen en vroeg haar hem hierbij te helpen. Het misbruik zou aanvankelijk dagelijks hebben plaatsgevonden, later zou dit zijn afgenomen tot 1 à 2 keer per week. De verklaring van [slachtoffer 1] zoals afgelegd bij de politie is door haar op hoofdlijnen herhaald bij de raadsheer-commissaris. Opvallend is dat [slachtoffer 1] op vragen van de raadsman expliciet heeft verklaard dat zij het eventuele misbruik door haar opa niet heeft verward met het misbruik door haar vader. Voorts is de ex partner van verdachte – [getuige 1] – bij de politie gehoord. Zij heeft verklaard dat zij de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] te close vond. Daarnaast vond zij het vreemd dat verdachte [slachtoffer 1] ’s ochtends wakker ging maken en dan enige tijd – “een kwartier of zo” – op de slaapkamer van [slachtoffer 1] bleef, terwijl zij al lang de leeftijd had om zelf wakker te worden. Blijkens de verklaring van [getuige 2] bij de politie heeft [getuige 1] ook tegenover haar verklaard dat zij het vreemd vond dat verdachte ’s ochtends zo lang op de kamer van [slachtoffer 1] bleef. Voorts bevindt zich in het dossier de verklaring van [getuige 3] . Uit deze verklaring blijkt dat zij van [slachtoffer 1] na afloop van een judotoernooi in België heeft gehoord dat [slachtoffer 1] door haar vader seksueel is misbruikt. De aangifte en verklaringen van [slachtoffer 1] vinden voorts steun in elementen uit het informatieve gesprek zeden van 30 januari 2012 van [slachtoffer 2] met twee verbalisanten van politie, waarin [slachtoffer 2] onafhankelijk van haar zus [slachtoffer 1] in detail vertelt over seksueel misbruik ten opzichte van haar door haar vader. Het hof heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de plaats, tijd en wijze van het misbruik, te weten op de slaapkamer, staand op het trapje van de hoogslaper, betasten van de borsten en het vingeren. Deze typerende elementen komen eveneens terug in de verklaringen van [slachtoffer 1] . Alle verklaringen in onderling verband bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder 1 en 4 voor zover dit ziet op [slachtoffer 1] heeft begaan. Het hof begrijpt het seksueel binnendringen zo dat verdachte bij het vingeren met zijn vinger(s) de vagina van [slachtoffer 1] is binnengedrongen.

Ten aanzien van het feit onder 5 overweegt het hof in het bijzonder als volgt. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘aan de zorg en/of waakzaamheid toevertrouwd’, is niet vereist dat de ouders of wettelijk vertegenwoordigers uitdrukkelijk toestemming hebben verleend dat de betreffende minderjarige bij de verdachte verbleef of dat zij bekend waren met de aanwezigheid van die minderjarige bij de verdachte. Voldoende is dat sprake is van een omstandigheid waarin geen directe bescherming door de ouder(s) geboden kan worden en een hoedanigheid ten opzichte van de betrokken minderjarige die telkens een min of meer grote mate van afhankelijkheid van de dader met zich meebrengt, en dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarige kan ontlenen. De strekking van de betreffende wetsbepaling is bescherming te verlenen aan minderjarigen, die als gevolg van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand aan de dader bieden dan anderen. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval sprake van een hoedanigheid zoals hierboven beschreven. Naar het oordeel van het hof was [slachtoffer 3] tijdens de bewuste vakantie aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte toevertrouwd. Dat verdachte [slachtoffer 3] niet in zijn hoedanigheid van haar judoleraar meenam naar Frankrijk doet daar niet aan af. Zij voelde zich overigens wel zijn leerling, wat naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden (ze reed met de familie van verdachte in diens bus (met logo van de Judoschool) mee naar de vakantielocatie en kampeerde in de directe nabijheid van verdachte en diens familie) eens temeer een zekere afhankelijkheid van de minderjarige aangeefster ten opzichte van de meerderjarige verdachte met zich bracht. Verder is het hof van oordeel dat er voldoende steunbewijs is bij de verklaring van aangeefster. Het hof wijst daarbij op de verklaringen ten overstaan van zowel de politie als de raadsheer-commissaris van zowel [getuige 2] als [getuige 4] .

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 4 (t.a.v. [slachtoffer 1] ) en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij ( op één of meer tijdstippen ) in of omstreeks de periode van 01 maart 2000 tot

1 september 2001 te [plaats] en/of te [plaats] en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboortedatum [1987] , ( buiten echt ) één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en /of het betasten van haar billen, terwijl die [slachtoffer 1] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt;

4.
hij ( op één of meerdere tijdstippen ) in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 7 juli 2005 te [plaats] en /of te [plaats] , in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn toen minderjarige dochter s [slachtoffer 1] , geboortedatum [1987] en/of [slachtoffer 2] , geboortedatum [1990] , bestaande die ontucht hierin dat verdachte die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft betast aan hun beider vagina 's en /of borsten en/of billen;


5.
hij ( op één of meer tijdstippen ) in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999 te Frankrijk, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 3] , geboortedatum [1983] , te weten het vingeren, althans betasten, van haar vagina en /of het zich door die [slachtoffer 3] laten aftrekken en /of het tongzoenen van/ met die [slachtoffer 3] , terwijl deze [slachtoffer 3] toen minderjarig was en aan verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Naar het oordeel van het hof valt het onder 1 en 4 bewezenverklaarde in twee strafbepalingen, te weten artikel 245 en artikel 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht. Gelet op de regeling met betrekking tot de eendaadse samenloop zal het hof bij de straftoemeting alleen de strafbepaling van artikel 245 Wetboek van Strafrecht toepassen, omdat daarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor de tenlastegelegde feiten onder 1 tot en met 6 tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren, waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren, onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte op te leggen straf gelijk dient te worden gesteld aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, al dan niet met daaraan te verbinden voorwaarden.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn minderjarige dochter [slachtoffer 1] , die toentertijd 12 à 13 jaar was. Verdachte heeft haar dagelijks en later wekelijks seksueel misbruikt door ontuchtige handelingen te verrichten die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Voorts heeft verdachte haar betast aan haar borsten, billen en vagina. Door zo te handelen heeft verdachte op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van zijn toentertijd minderjarige dochter.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 3] tijdens een vakantie in Frankrijk. [slachtoffer 3] was ten tijde van de feiten 16 jaar oud en aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwd Door zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen dat [slachtoffer 3] in hem mocht stellen op ernstige wijze beschaamd. Dat dit grote gevolgen heeft gehad voor het welzijn van [slachtoffer 3] staat naar het oordeel van het hof vast op grond van de door [slachtoffer 3] overgelegde slachtofferverklaring en de zich bij de vordering benadeelde partij bevindende bijlagen.

Verdachte heeft zich telkens laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. Hij heeft zich geen of onvoldoende rekenschap gegeven van de mogelijke consequenties voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en misbruik gemaakt van zijn positie en overwicht ten opzichte van hen.

Algemeen bekend is dat slachtoffers van dit soort feiten nog jarenlang fysieke en/of psychische schade (kunnen) ondervinden van het misbruik. Ook is het vertrouwen dat een kind in haar vader moet kunnen stellen door verdachte ernstig beschaamd. Datzelfde geldt voor het vertrouwen dat gesteld mag worden in iemand aan wiens zorg en/of waakzaamheid je als kind bent toevertrouwd. Verdachte heeft de fysieke en psychische grenzen van minderjarige meisjes, waaronder die van zijn dochter, niet gerespecteerd en opzettelijk veronachtzaamd.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

In het voordeel van verdachte weegt dat hij blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 23 september 2015 afgezien van een verkeersdelict niet eerder is veroordeeld. Voorts heeft het hof acht geslagen op het psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende verdachte.1 In dit rapport wordt verdachte omschreven als een man die een autoritaire en dwingende houding aanneemt tegenover anderen, opportunistisch van aard is en moeilijk in staat is zich in anderen te verplaatsen. Rapporteur komt tot de conclusie dat verdachte leidt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Gelet op de persoon van verdachte zoals hierboven beschreven, de ernst van de feiten en de duur en frequentie ervan kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan de duur die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (401dagen).

Het hof veroordeelt het hof verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Aan de voorwaardelijke strafcomponent zal het hof bijzondere voorwaarden verbinden die zien op behandeling en begeleiding.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.605,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.


De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering afgewezen dient te worden omdat niet gebleken is van een medische diagnose en de noodzaak van behandeling moeilijk kan worden vastgesteld.

Naar het oordeel van het hof is de vordering onvoldoende betwist en is die vordering voldoende onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 (ten aanzien van [slachtoffer 2] ), 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 4 ten aanzien van [slachtoffer 1] en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 4 (ten aanzien van [slachtoffer 1] ) en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie indien en voor zover de reclassering dit noodzakelijk acht, aangeboden bij een door de reclassering aan te wijzen instelling, waarbij veroordeelde zich in dat geval dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende die gedragsinterventie door of namens die nog aan te wijzen instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.605,00 (tweeduizend zeshonderdvijf euro) bestaande uit € 1.355,00 (duizend driehonderdvijfenvijftig euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.605,00 (tweeduizend zeshonderdvijf euro) bestaande uit € 1.355,00 (duizend driehonderdvijfenvijftig euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 (zesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Het hof schorst de voorlopige hechtenis tot de datum van het onherroepelijk worden van dit arrest, onder de volgende voorwaarden, te weten:

  • -

    Dat de verdachte, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;

  • -

    Dat de verdachte, in geval van veroordeling tot andere dan vervangende vrijheidsstraf wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging niet zal onttrekken;

  • -

    Dat de verdachte zich gedurende de schorsingsperiode niet schuldig zal maken aan enig strafbaar feit of zich op enige andere wijze zal misdragen;

  • -

    Dat de verdachte, voor zover aan de schorsing voorwaarden zijn verbonden betreffende het gedrag van verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    Dat de verdachte zich meldt bij de reclassering Nederland en zich houdt aan de aanwijzingen die hem door die instantie worden gegeven.


Aldus gewezen door

mr. J.I.M.W. Bartelds, voorzitter,

mr. M. Barels en mr. A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,

en op 4 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Psychologisch onderzoek pro Justitia betreffende verdachte van [naam] d.d. 15 december 2012.