Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8221

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
200.172.635/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Spoedmachtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.172.635/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/155413 / JE RK 15-171)

beschikking van de familiekamer van 29 oktober 2015

inzake

[verzoeker1] & [verzoeker2] ,

wonende te [A] ,

verzoekers,

verder te noemen: de vader en de moeder dan wel de ouders,

advocaat: mr. J.D. Nijenhuis, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Stichting Nidos Jeugdbescherming voor Vluchtelingen,

(gecertificeerde instelling)
mede kantoorhoudend te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI dan wel Nidos.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 maart 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, is voor zover van belang machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend van de hierna genoemde minderjarigen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , met ingang van 25 maart 2015 voor de duur van vier weken.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 juni 2015, zijn de ouders in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De ouders verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van Nidos af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 september 2015, heeft de GI het verzoek van de ouders in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3

Het hof heeft de minderjarige [de minderjarige1] in de gelegenheid gesteld haar mening over de zaak te geven. Zij heeft bij brief van 29 augustus 2015 van de gelegenheid gebruik gemaakt.

2.4

De op 14 september 2015 geplande mondelinge behandeling van de zaak is aangehouden en heeft vervolgens plaatsgevonden op 30 september 2015, gezamenlijk met de hoger beroepen van de ouders bekend onder de zaaknummers 200.174.073, 200.174.841 en 200.175.926. Verschenen zijn de ouders, bijgestaan door hun advocaat mr. Nijenhuis en
dhr. [B] als tolk in de Tamil taal, namens de GI mw. [C] en mw. [D] en voorts zijn de pleegouders verschenen. Door de GI is een pleitnota overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn op 18 februari 2002 te Sneek met elkaar gehuwd. Zij hebben samen drie kinderen, namelijk:
- [de minderjarige1] , geboren te [A] [in] 2002 (verder te noemen: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren te [A] [in] 2008 (verder te noemen: [de minderjarige2] ); en
- [de minderjarige3] , geboren te [A] [in] 2014 (verder te noemen: [de minderjarige3] ).

3.2

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hun kinderen.

3.3

[de minderjarige1] heeft op 7 september 2014 via de kindertelefoon om hulp gevraagd omdat zij en haar broertje [de minderjarige2] stelselmatig fysiek worden gestraft dan wel mishandeld door hun ouders. Naar aanleiding daarvan heeft het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) op 8 september 2014 een gesprek met de ouders en de kinderen georganiseerd. Als uitkomst van dat gesprek zijn de ouders akkoord gegaan met een (tijdelijke) vrijwillige plaatsing van [de minderjarige1] in een pleeggezin.

3.4

Op 19 september 2014 is er een contactmoment geweest in aanwezigheid van Jeugdhulp Friesland en Pleegzorg bij de ouders thuis. [de minderjarige1] gaf na dat gesprek aan dat ze niet meer terug wil naar het pleeggezin en bij de ouders wilde blijven. Op 22 september 2014 gaven de ouders aan dat zij geen hulp meer wilden. Daarop heeft het AMK een zorgmelding bij de raad gedaan. De zorgen betroffen met name mishandeling van de kinderen, het gesloten gezinssysteem en de culturele achtergrond van de ouders waarin ‘eerwraak’ voor komt.

3.5

De raad is een beschermingsonderzoek gestart en heeft geconcludeerd in zijn rapport van bevindingen van 27 oktober 2014 dat ondertoezichtstelling van de kinderen is geïndiceerd. Redengevend is dat de ouders een belast verleden hebben (zij zijn als asielzoeker naar Nederland gekomen) en dat zij een van huis uit meegekregen opvoedingsstijl hanteren die onder meer meebrengt dat er fysieke correcties plaatsvinden met betrekking tot de kinderen. Dat maakt dat er spanningen zijn in het gezin. De raad vindt het daarbij opvallend dat de oudste twee kinderen spreken van structureel huiselijk geweld, terwijl de ouders het afdoen als incident. De ouders stellen zich sociaal wenselijk op, aldus de raad.

3.6

Bij beschikking van de kinderrechter van 26 november 2014 is op verzoek van de raad de ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken met ingang van de dag van die beschikking voor de duur van een jaar. Aan de gronden genoemd in het voormelde rapport van de raad, heeft de kinderrechter onder meer toegevoegd dat door de opstelling van de ouders de zorgen niet weggenomen kunnen worden. Het huiselijk geweld moet stoppen en de ouders dienen andere opvoedingsvaardigheden aan te leren en toe te passen. De kinderen hebben behoefte aan een stabiele, veilige omgeving en dus zonder fysieke correcties/huiselijk geweld, zodat zij zich zo optimaal mogelijk kunnen ontwikkelen. Daarvoor is hulpverlening nodig. Nu de ouders dat niet in een vrijwillig kader accepteren, is de ondertoezichtstelling nodig, aldus de kinderrechter in die beschikking.

3.7

Op 25 maart 2015 heeft er 's avonds (wederom) een incident van huiselijk geweld plaatsgevonden in de woning van de ouders waarbij de politie poolshoogte is gaan nemen na een melding van de buren.

3.8

De GI heeft daarop nog dezelfde dag mondeling verzocht om verlening van spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen. Dat verzoek is nadien schriftelijk bevestigd en uitgebreid, ingekomen bij de rechtbank op 31 maart 2015.

3.9

In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de verzochte spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verleend voor een periode van vier weken. Hiertegen richt zich het onderhavige hoger beroep van de ouders.
Het standpunt van de ouders

3.10

Het hoger beroep van de ouders strekt tot betoog dat de spoeduithuisplaatsing van de kinderen een te zwaar middel is geweest en dat de machtigingen dus niet verleend hadden mogen worden. Met name voor de twee jongste kinderen was er volgens de ouders geen noodzaak voor spoeduithuisplaatsing. Het lijkt erop dat Nidos na de melding op 25 maart 2015 vanuit een gevoel van paniek heeft gereageerd. Mede als gevolg van de taalbarrière hebben de ouders mogelijk het voorval op 25 maart 2015 niet goed uit kunnen leggen aan de politie. Niettemin had het voor Nidos duidelijk moeten zijn dat, mocht er al sprake zijn van een dreiging die direct ingrijpen vereiste, dit alleen de oudste van de kinderen ( [de minderjarige1] ) betrof en niet de twee jongste kinderen. Het was bij Nidos bekend dat er problemen waren met [de minderjarige1] en ook achteraf is gebleken dat de acute problemen met name [de minderjarige1] betreffen. De ouders hekelen de afweging die Nidos heeft gemaakt en benoemen in dit verband in het bijzonder de ernstige gevolgen van uithuisplaatsing van [de minderjarige3] gelet op haar (kwetsbare) nog zeer jonge leeftijd.

3.11

Nidos heeft in zijn verweerschrift en ter zitting het standpunt van de ouders weersproken en zich achter de bestreden beschikking geschaard.

4 De motivering van de beslissing

4.1

De duur van de in geschil zijnde machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen (met ingang van 25 maart 2015 voor de duur van vier weken) is inmiddels verstreken. Gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van hun gezinsleven, hebben de ouders niettemin nog een rechtens relevant belang bij een inhoudelijke toetsing van de maatregelen (vgl. HR 14 oktober 2011, NJ 2011/596 en HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6484). Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

4.2

Uit artikel 1:265b, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van een minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, op verzoek van de gecertificeerde instelling bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet die belast met de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

4.3

Ingevolge artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de machtiging tot uithuisplaatsing alleen dan aanstonds worden gegeven indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Zodanige spoedmachtiging verliest haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.

4.4

Vast staat dat in het onderhavige geval voldaan is aan de procedurele eis dat de belanghebbenden (en de minderjarige van twaalf jaar of ouder) binnen twee weken na verlening van de spoedmachtigingen in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.

4.5

Het hof beantwoordt de vraag of ten tijde van het verlenen van de spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] sprake was van onmiddellijk en ernstig gevaar voor hen, bevestigend. De kinderen zijn blijkens de stukken in de avond van 25 maart 2015 na een incident van huiselijk geweld met spoed uit huis geplaatst in verband met ernstige zorgen over hun veiligheid. Die avond is de politie poolshoogte gaan nemen bij de woning van de ouders na een melding van de buren van geschreeuw, gehuil en gekrijs in de woning van de ouders. De politie trof een zorgwekkende situatie aan. [de minderjarige1] gaf aan te worden geslagen door de vader, was zichtbaar bang voor hem en er was een wc-raam kapot geslagen. De dienstdoende agent heeft daarbij (onbetwist) geconstateerd dat de vader bloed aan zijn handen had. De agent heeft met betrokkenen (afzonderlijk) gesproken en vertrouwde de zaak niet. Hij vreesde onder meer voor represailles van de ouders richting de kinderen omdat zij met de politie hadden gepraat. Verder waren de verhalen over het incident niet eenduidig. [de minderjarige2] betwistte daarbij de uitleg van de vader en heeft tegen vader gezegd dat hij niet mag liegen in bijzijn van de agent. [de minderjarige2] werd vervolgens door de vader op bestraffende toon in de Tamil taal toegesproken en met een tik op de billen weggestuurd. Hoewel de verhalen van de aanwezigen over de precieze gang van zaken tijdens het incident uiteenlopen, was de zorg bij de politie, en in navolging daarvan bij de GI, over de veiligheid van de kinderen naar het oordeel van het hof op dat moment zeker gerechtvaardigd. Het incident staat niet op zichzelf.

4.6

Vast staat dat al geruime tijd zorgen bestonden over huiselijk geweld in het gezin van de ouders jegens de kinderen, met name richting [de minderjarige1] . De zorgen zijn daarbij van verschillende kanten onafhankelijk van elkaar geuit (en dus niet alleen van de zijde van een buurman die het op hen heeft voorzien, zoals de ouders hebben aangevoerd). Zo heeft [de minderjarige1] reeds op 7 september 2014 via de kindertelefoon aangegeven te worden mishandeld. Voorts is onder meer op 12 februari 2015 een anonieme zorgmelding binnengekomen bij het Regiecentrum Veilig Thuis en heeft [de minderjarige1] twee dagen vóór het incident, op 23 maart 2015, op school aangegeven fysiek te worden mishandeld en uit huis te willen. De school heeft daarvan melding gedaan bij Nidos. De stelling van de ouders dat de problemen voornamelijk [de minderjarige1] betroffen en deels te wijten zijn aan taalproblemen, miskent naar het oordeel van het hof de aard van de achterliggende problematiek waaronder de geslotenheid van het gezinssysteem en de hardhandige opvoedingsstijl van de ouders, die zoals uit het voorgaande volgt, uit verschillende bronnen is bevestigd.

4.7

Het hof oordeelt het voorts van algemene bekendheid dat huiselijk geweld alle leden van het gezin raakt, al dan niet rechtstreeks, en dat zulks met name voor kinderen zeer schadelijk is voor hun ontwikkeling. Dat de ouders de bij de kinderen na de uithuisplaatsing geconstateerde gedragsproblemen, waaronder bijvoorbeeld die van [de minderjarige3] die door gedragskundige(n) zijn geplaatst in het kader van hechtingsproblematiek, uitsluitend toeschrijven aan de uithuisplaatsing overtuigt geenszins. Voor alle kinderen was sprake van een acute dreiging die hun uithuisplaatsing rechtvaardigde. Uit hetgeen in 4.5 en 4.6 is overwogen volgt dat er over een langere periode zorgen waren omtrent de veiligheid van de kinderen binnen het gezin, dat de ouders deze zorgen hebben gebagatelliseerd en ontkend en dat na de escalatie op 25 maart 2015 verder ingrijpen onontkoombaar was.

4.8

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van de ouders faalt en het hof mitsdien de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van 25 maart 2015 waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. D.J. Buijs en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015 in bijzijn van de griffier.