Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8118

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
200.150.179/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op vordering van de verhuurder heeft de kantonrechter de ontbinding van de huurovereenkomst uitgesproken en de huurder veroordeeld tot ontruiming van de woning. Tevens is de huurder veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur. De ontruiming heeft niet plaatsgevonden omdat de huurder zich onder budgetbegeleiding heeft gesteld, zoals de verhuurder als voorwaarde had gesteld. Op een later moment heeft de verhuurder opnieuw de ontruiming aangezegd. In eerste aanleg is de huurder vervolgens een executiegeschil gestart. De kantonrechter heeft de verhuurder in kort geding verboden om het veroordelend vonnis ten uitvoer te leggen, omdat de huurder zich (weer) onder budgetbegeleiding had gesteld en beschermingsbewind heeft aangevraagd.

In appel blijkt de huurder onder bewind te staan. Bij tussenarrest heeft het hof de verhuurder in de gelegenheid gesteld om de bewindvoerder in het geding te roepen. Hieraan heeft de verhuurder gevolg gegeven, maar de bewindvoerder is niet in het geding verschenen. De zaak is voortgezet op naam van de huurder. Het hof heeft het oordeel van de kantonrechter bevestigd dat de verhuurder bij ontruiming van de woning geen in redelijkheid te respecteren belang heeft. Dat ligt echter anders ten aanzien van de achterstallige huur: in zoverre wordt de tenuitvoerlegging van het veroordelend vonnis niet verboden. Het hof vernietigt daarom het vonnis in eerste aanleg, maar ziet geen aanleiding om de huurder alsnog in de proceskosten van de eerste aanleg te veroordelen omdat de achterstallige huur in eerste aanleg geen rol heeft gespeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.150.179/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/151936 / KG ZA 14-48)

arrest van 27 oktober 2015 in de zaak van

[appellante] ,

gevestigd te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.M. Pol, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

Het tussenarrest van 14 juli 2015 wordt hier overgenomen.

1 Het verdere procesverloop in hoger beroep

1.1

Naar aanleiding van voormeld tussenarrest heeft [appellante] de bewindvoerder bij aangetekend schrijven van 16 juli 2015 opgeroepen om op de rol van 11 augustus 2015 in het geding te verschijnen en de procedure als formele procespartij van [geïntimeerde] over te nemen.

1.2

Aangezien de bewindvoerder niet in het geding is verschenen, wordt de procedure voortgezet op naam van [geïntimeerde] .

1.3

Partijen hebben arrest gevraagd en [appellante] heeft hiertoe aanvullend gedingstukken gefourneerd.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1

In aanvulling op de feitenweergave in het tussenarrest van 14 juli 2015, stelt het hof vast dat [geïntimeerde] bij verstekvonnis van 13 december 2012 van de kantonrechter van de toenmalige rechtbank Oost-Nederland, locatie Deventer, is veroordeeld tot betaling van achterstallige huur (€ 1.343,26), verschenen rente tot datum dagvaarding (€ 10,96), buitengerechtelijke incassokosten (€ 182,38), tot betaling van € 256,50 (met inbegrip van de eventuele indexering van de huurprijs) voor elke maand na 30 november 2012 totdat de woning is ontruimd, en tot betaling van de wettelijke rente over € 1.343,26 vanaf 9 november 2012 tot de dag van algehele voldoening. Tevens is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden en is [geïntimeerde] veroordeeld tot ontruiming van de woning op een termijn van twee weken na betekening van het vonnis van de kantonrechter van 13 december 2012. Naar dit vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zal hierna worden verwezen als: het verstekvonnis.

2.2

Het hof stelt voorop dat [appellante] in beginsel bevoegd is om tot executie over te gaan van het verstekvonnis. In een executiegeschil kunnen geen inhoudelijke bezwaren tegen de te executeren uitspraak worden aangevoerd. De executierechter kan slechts in de executie ingrijpen indien (a) door de geëxecuteerde ( [geïntimeerde] ) wordt aangetoond dat hij al aan het te executeren vonnis heeft voldaan, of (b) de executant ( [appellante] ) zich door executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid omdat hij, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde ( [geïntimeerde] ) die door executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien door de executie op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575).

2.3

In de toelichting op de grief stelt [appellante] dat de kantonrechter de stellingen van [geïntimeerde] dat hij zich weer heeft aangemeld bij het [B] ( [B] ) voor budgetbeheer en dat hij een verzoek tot plaatsing onder beschermingsbewind heeft ingediend, ten onrechte voor waar heeft aangenomen omdat deze stellingen elke onderbouwing ontberen. Uit rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis blijkt dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellante] de stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Hiervan uitgaande heeft de kantonrechter dan ook, mede gezien het karakter van de kort geding procedure, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het aannemelijk is dat [geïntimeerde] zich weer heeft aangemeld bij het [B] voor budgetbeheer en dat hij een verzoek tot plaatsing onder beschermingsbewind heeft ingediend.

2.4

[appellante] stelt voorts dat [geïntimeerde] niet heeft gesteld en/of onderbouwd dat hij geen vervangende woonruimte zou kunnen vinden en dat de kantonrechter - zonder hier ook maar één overweging te wijden - er kennelijk (en volgens [appellante] : ten onrechte) vanuit gegaan is dat ontruiming van de woning tot een noodtoestand bij [geïntimeerde] zou leiden. Deze stelling van [appellante] berust echter op een onjuiste lezing van het vonnis waarvan beroep. Uit rechtsoverweging 4.4 blijkt immers dat de kantonrechter zich rekenschap heeft gegeven van de stelling van [appellante] dat de door [geïntimeerde] gestelde noodtoestand door hem niet is onderbouwd. In het in rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis gegeven oordeel van de kantonrechter dat "de gewraakte ontruiming" tot een onevenredige aantasting van de belangen van [geïntimeerde] zou leiden, terwijl daar geen in redelijkheid te respecteren belang van [appellante] tegenover staat, ligt besloten dat ontruiming van de woning naar het oordeel van de kantonrechter tot een noodtoestand aan de zijde van [geïntimeerde] zou leiden.

2.5

Naar het oordeel van het hof treft het verwijt van [appellante] dat de kantonrechter in dit executiegeschil (in kort geding) een onjuiste maatstaf zou hebben aangelegd, dan wel dat de kantonrechter een volledige heroverweging van het verstekvonnis heeft uitgevoerd, dan ook geen doel. Afgezien daarvan is het oordeel van de kantonrechter ook inhoudelijk juist. Immers, indien aannemelijk is dat [geïntimeerde] voldoet aan de voorwaarde die [appellante] ná het verstekvonnis heeft gesteld om ontruiming te voorkomen, te weten: aanmelding bij het [B] , valt niet in te zien welk in redelijkheid te respecteren belang [appellante] heeft bij het doorzetten van de ontruiming. Thans kan in hoger beroep worden vastgesteld dat aan die voorwaarde is voldaan én dat [geïntimeerde] inmiddels onder beschermingsbewind is geplaatst. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om ten aanzien van de ontruiming van de woning anders te oordelen dan de kantonrechter heeft gedaan.

2.6

[appellante] stelt voorts dat schorsing van het verstekvonnis als geheel ook tot gevolg heeft dat zij geen executiemaatregelen kan nemen om de huurachterstand van € 1.343,26 (met nevenvorderingen) tot betaling waarvan [geïntimeerde] in het verstekvonnis is veroordeeld, te innen. Het hof acht het op grond van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, alsmede gelet op de inhoud van de overgelegde producties, aannemelijk dat deze huurachterstand na het verstekvonnis niet verder is opgelopen, maar ook niet geheel of gedeeltelijk is ingelost. Aangezien het niet aannemelijk is dat [geïntimeerde] door executiemaatregelen ter zake van deze schuld in een noodtoestand zal komen te verkeren, ziet het hof geen grond voor het oordeel dat [appellante] door dergelijke executiemaatregelen misbruik zou maken van haar bevoegdheid.

2.7

Het voorgaande leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep niet geheel in stand kan blijven. Het hof zal het bestreden vonnis derhalve vernietigen, behoudens de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling, en op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

2.8

Aangezien partijen in hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de proceskosten aldus compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt. Voor een aantasting van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg ziet het hof geen grond, aangezien de veroordeling tot betaling van de huurachterstand (en het eventuele verbod om in zoverre executiemaatregelen te treffen) in eerste aanleg geen (kenbare) rol heeft gespeeld in het partijdebat.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 19 februari 2014, behoudens de daarin gegeven proceskostenveroordeling die wordt bekrachtigd;

gebiedt [appellante] om de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 13 december 2012 van de kantonrechter van de toenmalige rechtbank Oost-Nederland, locatie Deventer, op te schorten voor zover in dat vonnis de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning [a-straat] 51 te [A] is uitgesproken en [geïntimeerde] is veroordeeld tot ontruiming van de woning over te gaan;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten in hoger beroep draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. N.A. Baarsma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 27 oktober 2015.