Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:8059

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
200.121.555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erkenning Chinees vonnis, 431 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/13
NTHR 2016, afl. 1, p. 32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.121.555

(zaaknummer rechtbank Arnhem 214257)

arrest van 27 oktober 2015

in de zaak van

de rechtspersoon naar Chinees recht

Haier Electrical Appliances Corp. Ltd.,

gevestigd te Qingdao, Shandong (China),

appellante,
in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Haier,

advocaat: mr. F.H. Aalderink,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te Groot-Brittannië,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.S. Bugter.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 2 november 2011, 28 maart 2012 en 31 oktober 2012 van de rechtbank Arnhem.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 januari 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.13 van het vonnis van 28 maart 2012.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Haier heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank de tussen partijen gewezen uitspraak van het Shandong Province Higher People Court te China van 12 oktober 2010 zal erkennen en [geïntimeerde] overeenkomstig deze uitspraak - kort gezegd - zal veroordelen tot betaling aan Haier van € 1.973.721,- te vermeerderen met rente en proceskosten. In het tussenvonnis van 31 oktober 2012 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de Chinese rechter rechtsmacht heeft aangenomen op een niet internationaal aanvaarde grond, zodat niet is komen vast te staan dat de buitenlandse uitspraak is gegeven door een gerecht dat op een internationaal aanvaarde grond bevoegd was en dat de uitspraak zich reeds daarom niet leent voor erkenning in Nederland. Het hoger beroep richt zich tegen dit vonnis van 31 oktober 2012, tegen welk tussenvonnis de rechtbank Arnhem bij brief van 21 november 2012 tussentijds hoger beroep heeft opengesteld.

4.2

Haier heeft ten laste van [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder gerechtsdeurwaarder [A], verbonden aan het kantoor Incassade Weltevrede B.V. te Amsterdam. Nu zich hier in Nederland kennelijk uitwinbare vermogensbestanddelen bevinden, heeft de Nederlandse rechter, gelet op artikel 431 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) overeenkomstig het bepaalde in de laatste volzin van artikel 985 Rv, rechtsmacht en, nu [geïntimeerde] woonplaats heeft gekozen ten kantore van zijn advocaat te Bennekom en hij de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Arnhem niet heeft bestreden, is de rechtbank Arnhem bevoegd van de onderhavige vordering kennis te nemen.

4.3

Nederland en China hebben geen bilateraal erkenningsverdrag gesloten en er zijn ook geen multilaterale verdragen van toepassing. De erkenning en tenuitvoerlegging wordt beheerst door het commune internationale privaatrecht. In dit verband is artikel 431 Rv van belang. In zijn arrest van 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2838 Gazprombank/Bensadon) heeft de Hoge Raad het volgende over de toepassing van voormeld artikel overwogen:
“3.6.1 Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.

3.6.2

Op grond van art. 431 lid 1 Rv kunnen noch beslissingen die zijn gegeven door de rechter van een vreemde staat, noch buiten Nederland verleden authentieke akten, binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd, tenzij deze tenuitvoerlegging haar grondslag vindt in een verdrag of een wettelijke bepaling, een en ander als bedoeld in art. 985 dan wel art. 993 leden 1 en 2 Rv. Op grond van art. 431 lid 2 Rv kan het geding dat ten overstaan van de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Een dergelijke procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv mondt uit in een uitspraak van de Nederlandse rechter.

3.6.3

Indien op de voet van art. 431 lid 2 Rv het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter aanhangig wordt gemaakt, dient deze te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent (vgl. HR 14 november 1924, NJ 1925, p. 91; HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1978, NJ 1997/258).

3.6.4

In een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

3.6.5

Strekt de vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de vier hiervoor in 3.6.4 vermelde voorwaarden, dan dient de rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar.”

4.4

Met betrekking tot vereiste (i) is beslissend of de vreemde rechter op een internationaal algemeen aanvaarde grond rechtsmacht toekwam. Het commune internationaal bevoegdheidsrecht is hier leidend, niet het internationaal bevoegdheidsrecht van de vreemde rechter, noch het Nederlands internationale bevoegdheidsrecht. Het gaat dus niet om de grond waarop de vreemde rechter zijn bevoegdheid daadwerkelijk heeft aangenomen, maar of deze bevoegd geacht kan worden op een internationaal algemeen aanvaarde grond. In zoverre slaagt de tweede grief.

4.5

Haier heeft gesteld dat de Chinese rechter bevoegdheid toekwam vanwege de plaats waar de overeenkomst tot stand is gekomen (grief 1) dan wel de plaats van uitvoering (grief 2). Volgens Haier gaat het om de nakoming van een 'Guarantee Letter' (hierna: LOG) van 29 augustus 2003 uit hoofde waarvan [geïntimeerde] de eerder door Haier voorgeschoten commissie van € 2.000.000 aan haar dient terug te betalen. [geïntimeerde] stelt dat er geen (rechtsgeldige) overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat gelet daarop de Chinese rechter zijn bevoegdheid niet had kunnen baseren op de plaats van uitvoering van de in deze overeenkomst vastgelegde verbintenis, noch op de plaats van totstandkoming van deze overeenkomst. Nu [geïntimeerde] niet stelt dat er een andere overeenkomst tussen partijen bestaat, maar slechts betwist dát de door Haier gestelde overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is overeengekomen, dient de vraag naar de bevoegdheid van de rechter beantwoord te worden op basis van de op de LOG gegronde vordering van Haier. Indien de vraag naar de geldigheid van de overeenkomst in de procedure in China ontkennend zou zijn beantwoord, had dit namelijk niet tot onbevoegdheid van de Chinese rechter, maar tot afwijzing van de vordering van Haier dienen te leiden.

4.6

Het hof ziet aanleiding eerst de in de tweede grief aangevoerde bevoegdheidsgrond te beoordelen. In deze grief stelt Haier dat de Chinese rechter bevoegd was om van haar vordering kennis te nemen omdat de verbintenis die aan haar eis ten grondslag ligt in China moest worden uitgevoerd. Deze grond, ook opgenomen in artikel 6 Rv en artikel 7 lid 1 van Verordening 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), is naar het oordeel van het hof een internationaal algemeen aanvaarde grond voor bevoegdheid. De beoordeling op welke plaats de onderhavige verbintenis dient te worden uitgevoerd, dient daarbij overeenkomstig het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, te geschieden. Tussen partijen staat vast dat op de LOG, waarvan Haier de nakoming vordert, Engels recht van toepassing is. Dat is ook in deze overeenkomst bepaald. Volgens Haier is de verplichting van [geïntimeerde] tot terugbetaling onder de LOG naar Engels recht een brengschuld.

4.7

[geïntimeerde] betwist dat er sprake is van een brengschuld naar Engels recht en daarmee dat de plaats van uitvoering Qingdao is. Haier heeft in hoger beroep nader onderbouwd dat in het Engelse recht ook voor een particulier de betaling uit borgtocht uit een overeenkomst als de onderhavige als een brengschuld moet worden gekwalificeerd. [geïntimeerde] heeft dit in haar memorie van antwoord niet gemotiveerd betwist en heeft evenmin gesteld dat de overeenkomst naar Engelse recht een haalschuld is. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat Qingdao (China), de plaats van vestiging van Haier, de plaats van uitvoering van de overeenkomst is. In beginsel was de Chinese rechter dus bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Aan vereiste (i) is voldaan. Grief 2 is terecht voorgesteld.

4.8

Het hof heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat de erkenning van de uitspraak (en de daaruit voortvloeiende executie ervan in Nederland) in strijd zal komen met de openbare orde (vereiste iii). Ten aanzien van het vierde vereiste, dat de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat erkenning van de Chinese uitspraak kan leiden tot tegenstrijdige uitspraken omdat [B] in Italië (Varese) een procedure aanhangig heeft gemaakt tegen Haier waarin een beroep op verrekening wordt gedaan van het voorschot van € 2.000.000. Indien [B] kan verrekenen, is er geen plicht voor [geïntimeerde] het voorschot aan Haier te voldoen omdat [geïntimeerde] zich subsidiair borg heeft gesteld, aldus [geïntimeerde].

4.9

Dit betoog gaat niet op omdat de procedure in Italië nog niet is geëindigd in een beslissing zodat er geen sprake is van een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter. De procedure in Italië wordt bovendien niet gevoerd door dezelfde partijen.

4.10

Dan komt het hof toe aan de vraag of de uitspraak tot stand is gekomen na een behoorlijke rechtspleging (vereiste ii). [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat essentiële waarborgen met voeten zijn getreden, door schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van algemeen geaccepteerde regels voor het toelaten van bewijs en het ongemotiveerd voorbijgaan aan essentiële stellingen van [geïntimeerde]. Daarnaast heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat de rechtspraak in China niet onafhankelijk is. Zij heeft in concreto gewezen op de omstandigheid dat the People Congress en de Chinese Communistische Partij via salariëring, benoeming en ontslag veel invloed hebben op de rechterlijke macht en dat dit nog sterker het geval is bij een bedrijf als het onderhavige. Volgens [geïntimeerde] is Haier een staatsbedrijf en de grootste witgoedproducent van China. Tijdens de comparitie in eerste aanleg is namens Haier verklaard dat Haier een groep van bedrijven is die deels in handen is van de lokale Chinese overheid, deels van werknemers en deels genoteerd is op de beurs.

4.11

Het hof neemt op grond van de standpunten van partijen aan dat Haier van groot bedrijfseconomisch belang is voor de lokale economie en dat het bedrijf deels in handen is van de lokale Chinese overheid. De onafhankelijkheid van de Chinese rechtspraak in civiele rechtszaken, waarbij een lokaal bedrijf een der partijen is, kan op lokaal niveau in de knel komen; lokaal protectionisme is een serieuze bedreiging voor eerlijke rechtspraak, zo wordt betoogd in wetenschappelijk onderzoek naar de onafhankelijkheid van de Chinese rechtspraak (dr. Y. Li, “Naar een onafhankelijke rechterlijke macht in China: een haalbare kaart?” RM Themis 2013-5, een verkorte versie van zijn inaugurele rede als hoogleraar Chinees recht, Erasmus Universiteit Rotterdam, en Randall Peerenboom “Judicial Independence in China: Common Myths and Unfounded Assumptions”, in La Trobe Law School Legal Studies Research Paper no. 2008/11, Australia, vooral pp.17-18, papers.ssrn.com). Lokaal protectionisme wordt volgens deze bronnen bevorderd omdat de rechtspraak betaald en rechters aangenomen en ontslagen worden door het lokale bestuur. De prestaties van het lokale bestuur worden grotendeels afgemeten aan het succes van de lokale economie. Die economie is in hoge mate afhankelijk van het succes van lokale bedrijven. Het komt dan ook voor dat de plaatselijke overheid in individuele zaken druk uitoefent op rechterlijke ambtenaren om een bepaalde beslissing te nemen, een zaak niet aan te nemen of een beslissing langdurig uit te stellen.

4.12

[geïntimeerde] heeft echter onvoldoende concreet aangevoerd dat de rechters in eerste aanleg inderdaad vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden partijdig hebben gehandeld. Interne of externe inmenging in (de uitkomst van) de zaak is gesteld noch gebleken, in het bijzonder ook niet uit het vonnis in hoger beroep dat het vonnis van de eerste aanleg citeert. Voor zover een verweer van [geïntimeerde] niet serieus zou zijn onderzocht (het subsidiaire karakter van zijn betalingsverplichting ten opzichte van die van [B]) en schriftelijk bewijs door Haier na afloop van de daarvoor gestelde termijn is toegelaten, brengen deze omstandigheden niet mee dat sprake is geweest van een onbehoorlijke rechtsgang. Bovendien heeft [geïntimeerde] zijn standpunten en bezwaren in hoger beroep (weer) aan de orde kunnen stellen. Dat lokaal protectionisme eveneens de Chinese appelrechters in ernstige mate kan beïnvloeden en in dit geval ook heeft gedaan, heeft [geïntimeerde] onvoldoende toegelicht en is het hof ook anderszins niet gebleken.

4.13

Het hof neemt als onvoldoende weersproken aan dat de rechter van Qingdao de procedure over de borgstelling (zaak 295) behandeld en afgedaan heeft vóórdat hij heeft beslist op de zaak over de gelijktijdig aanhangig gemaakte zaak tegen [B] over de commissiebetalingen (zaak 294), welke zaak de juridische grondslag vormt voor de borgstelling. Zaak 294 wordt volgens [geïntimeerde] eindeloos aangehouden omdat Haier niet over voldoende bewijs beschikt (verklaring namens [geïntimeerde] ter comparitie eerste aanleg en antwoordakte jurisdictie van 20 juni 2012). Ook deze omstandigheid geeft niet zonder meer blijk van ongeoorloofde inmenging en is, op zichzelf noch in onderling verband beschouwd, voldoende om de conclusie te kunnen dragen dat de rechtspleging in China niet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging voldoet. Aan (tegen)bewijslevering wordt bij deze stand van zaken niet toegekomen. Vereiste (iii) geldt op grond van het bovenstaande als vervuld. Naar het oordeel van het hof komt de beslissing van de Chinese rechter dus voor erkenning in aanmerking. Het hof zal [geïntimeerde] overeenkomstig het erkende vonnis veroordelen.

Slotsom

4.14

De tweede grief slaagt en aan de overige vereisten van erkenning is voldaan zodat het bestreden vonnis van 31 oktober 2012 vernietigd zal worden. [geïntimeerde] zal alsnog worden veroordeeld aan de uitspraak van 12 oktober 2010 te voldoen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten aan de zijde van Haier zullen voor de eerste aanleg worden vastgesteld op € 90,81 aan dagvaardings-kosten, € 1.079,35 aan beslagkosten (€ 627,35 aan explootkosten en € 452 voor het rekest),
€ 3.537 aan griffierecht en op € 8.027,50 aan salaris advocaat (2,5 punten x tarief VIII) en voor het hoger beroep op € 76,71 aan explootkosten, € 4.961 aan griffierecht en op € 4.580 aan salaris advocaat (1 punt x tarief VIII). Voor het incident tot zekerheidsstelling rekent het hof geen proceskosten omdat [geïntimeerde] dit heeft ingetrokken nadat partijen dat incident hadden geschikt. De bij memorie van grieven ingestelde eis tot betaling door [geïntimeerde] van RMB 5.680 is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te plaatsen en zal dan ook worden afgewezen.

4.15

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met wettelijke rente toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 31 oktober 2012;

veroordeelt [geïntimeerde] overeenkomstig de gerechtelijke uitspraak van 12 oktober 2010, gewezen door het hof van hoger beroep in China (Shandong Province Higher People’s Court):
a) tot betaling van € 1.973.721 vermeerderd met rente over dit bedrag vanaf 16 januari 2009 tot aan de dag van betaling;

b) tot betaling van RMB 143.447 aan proceskosten in eerste aanleg, vermeerderd met rente vanaf 16 januari 2009 tot aan de dag van betaling;
c) tot betaling van RMB 143.447 aan proceskosten in hoger beroep, vermeerderd met rente vanaf 12 oktober 2010 tot aan de dag van betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak vastgesteld op € 90,81 aan dagvaardingskosten, € 1.079,35 aan beslagkosten € 3.537 aan griffierecht en op € 8.027,50 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en voor het hoger beroep op € 76,71 aan explootkosten, € 4.961 aan griffierecht en op € 4.580 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. van Loo, Th.C.M. Willemse en F.J. de Vries en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2015.