Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7963

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
200.173.661/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.173.661/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/138960 / FA RK 14-2040)

beschikking van de familiekamer van 15 oktober 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. T.W. Delhaye, kantoorhoudende te Burgum,

en

Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling of de GI,

2. de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ,

3. de pleegouders van [de minderjarige3] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 april 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 juli 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de raad af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 juli 2015, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 31 augustus 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 22 juli 2015 een brief van 21 juli 2015 van mr. Delhaye met bijlage (proces-verbaal zitting 24 maart 2015);

- op 25 september 2015een brief van dezelfde datum van de GI met bijlage;

- op 28 september 2015 een journaalbericht van 25 september 2015 van mr. Delhaye met bijlage (wederom voornoemd proces-verbaal).

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 2 oktober 2015 plaatsgevonden. Verschenen is de moeder, vergezeld van haar huidige partner de heer [B] en bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is de heer [C] verschenen. Namens de GI zijn verschenen mevrouw mr. [D] en de heer [E] . Voorts zijn verschenen de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de pleegmoeder van [de minderjarige3] .

Ter zitting heeft mr. [D] namens de GI mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de - inmiddels verbroken - affectie relatie van de moeder en de heer [F] (verder te noemen: de vader) zijn geboren:

- [de minderjarige1] , [in] 2009 (verder te noemen: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , [in] 2010 (verder te noemen: [de minderjarige2] ) en

- [de minderjarige3] , [in] 2011 (verder te noemen: [de minderjarige3] ).

Bij de bestreden beschikking is de moeder ontheven van het eenhoofdig gezag over voormelde minderjarigen.

3.2

Uit een andere relatie heeft de moeder een (inmiddels meerderjarige) dochter, [G] . [G] is medio 2009 onder toezicht gesteld en woonde tot haar uithuisplaatsing bij de moeder en de (biologische) vader van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De moeder is uit het gezag over [G] ontzet.

3.3

De moeder en de vader hebben tot maart 2010 in de regio [H] gewoond. Sindsdien wonen zij in Friesland. In Friesland zijn zij viermaal verhuisd.

3.4

[de minderjarige1] staat sinds medio 2009 en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] staan sinds medio 2012 onder toezicht van de GI (voorheen: Bureau Jeugdzorg). Alle drie de kinderen zijn in de zomer van 2012 uit huis geplaatst en verblijven sindsdien in hun huidige (perspectiefbiedende) pleeggezinnen ( [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tezamen in een gezin, [de minderjarige3] in een ander gezin). Ook [G] is toen (samen met haar jongere halfbroertjes en zusje) uit huis geplaatst en zij woont inmiddels bij haar biologische vader.

3.5

Een traject tot terugplaatsing van de kinderen is medio mei 2013 ingezet middels een gezinsopname bij kliniek [I] in [J] . Dit traject is voortijdig beëindigd waarna de kinderen zijn teruggeplaatst in hun pleeggezinnen.

3.6

De omgangsmomenten met de kinderen vinden onveranderd onder begeleiding plaats. Ook is de omgang meerdere malen gedurende een langere periode gestopt, laatstelijk voor de periode van januari 2015 tot april 2015. Thans vindt de omgang eenmaal per drie à vier weken gedurende een uur plaats bij de GI, begeleid door hetzij de gezinsvoogd, hetzij de pleegzorgmedewerker. De omgangsmomenten met [de minderjarige3] vinden apart plaats van die met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:266 (oud) BW, dat in deze zaak van toepassing is gebleven, kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.2

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 (oud) BW, dat in deze zaak van toepassing is gebleven, kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a (oud) BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.3

Vast staat dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] langer hebben geduurd dan de hiervoor genoemde termijnen.

4.4

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

4.5

Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de door de moeder in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren op toereikende gronden heeft verworpen, met welke gronden het hof zich verenigt en die het hof - na eigen onderzoek - tot de zijne maakt. Het hof voegt hieraan het volgende toe.

4.6

De moeder heeft in hoger beroep - kort gezegd - aangevoerd dat de problematiek die in het verleden speelde werd veroorzaakt door het gedrag van de vader. Thans is er, zo stelt de moeder, sprake van een geheel andere situatie, nu zij geen relatie meer heeft met de vader. Daarbij komt volgens de moeder dat er geen informatie bekend is waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat de moeder niet in staat is de kinderen alleen op te voeden en te verzorgen. De moeder is daarom van mening dat de kinderen bij haar teruggeplaatst kunnen worden.

4.7

Het hof overweegt als volgt. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn op (zeer) jonge leeftijd, toen zij respectievelijk ongeveer 3, 2 en 1 jaar oud waren, uit huis geplaatst. Vast staat dat de kinderen, toen zij nog bij hun ouders woonden, veel hebben meegemaakt. Zo zijn zij onder meer getuige geweest van herhaaldelijk huiselijk geweld. De kinderen zijn hierdoor ernstig beschadigd geraakt en laten (forse) problemen in hun ontwikkeling zien. De kinderen hebben ieder hun eigen problematiek, waarvoor hulp nodig is. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er nog altijd grote zorgen bestaan over de kinderen. Deze zorgen onderschrijven naar het oordeel van het hof dat het kwetsbare kinderen zijn die ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt.

De kinderen ontwikkelen zich in de veilige en stabiele situatie waarin zij nu opgroeien binnen hun mogelijkheden goed. Echter de kinderen hebben bovengemiddeld veel steun en zorg nodig. Teneinde zich optimaal te kunnen blijven ontwikkelen is een voorspelbaar opvoedingsklimaat, geboden door sensitieve en responsieve opvoeders, voor hen noodzakelijk. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] volgen beiden therapie. De (spel)therapie van [de minderjarige2] is momenteel voor enkele weken onderbroken, omdat duidelijk was dat zij teveel moest verwerken. Uit hetgeen beide pleeggezinnen ter zitting hebben verklaard, is voor het hof duidelijk geworden dat het verzorgen en opvoeden van de kinderen bovengemiddeld veel energie vraagt.

Het hof onderschrijft de visie van de raad en de GI dat het niet in het belang van deze zeer kwetsbare en jonge kinderen is om de prille positieve ontwikkeling te verstoren door ze uit hun vertrouwde omgeving te halen en terug bij de moeder te plaatsen. Het hof overweegt dat een terugplaatsing van deze kinderen die een positieve hechting met hun pleegouders lijken te zijn aangegaan voor hen immers wederom een ernstig trauma zou betekenen terwijl niet valt te voorzien dat zij in staat zijn om (ten tweede male) van een dergelijk trauma te herstellen. Dat de situatie van de moeder in positieve zin gewijzigd zou zijn, doet hier, nog los van de vraag of daar in voldoende bestendige mate sprake van is, naar het oordeel van het hof niet aan af.

4.8

Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat zij onvoldoende de kans heeft gekregen om aan te tonen dat zij in staat is de kinderen te verzorgen en op te voeden, overweegt het hof als volgt. Vast is komen te staan dat reeds voorafgaand aan de ondertoezichtstelling sprake was van zeer grote zorgen over de situatie van de kinderen bij de moeder en op vele fronten hulpverlening is ingezet. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder bevestigd dat zij tot medio 2014 een relatie met de vader heeft gehad, dit terwijl de kinderen reeds in 2012 uit huis zijn geplaatst en de moeder (ook) vanaf toen de mogelijkheid had om aan te tonen dat zij in staat is de kinderen een verantwoord opvoedingsklimaat te bieden. Het hof constateert dan ook dat de moeder, door tot medio 2014 bij de vader te blijven door wie volgens de moeder de problematiek (enkel) is ontstaan, nog twee jaar na de uithuisplaatsing van de kinderen in de voor haarzelf en de kinderen onveilige situatie is gebleven en reeds daarmee de mogelijkheden tot terugplaatsing zelf ernstig heeft belemmerd. Daarbij komt dat de moeder ook in 2013 de kans heeft gehad om tijdens de gezinsopname in de kliniek " [I] " te [J] te laten zien dat zij de kinderen een veilige en stabiele situatie kan bieden. Deze opname is echter voortijdig beëindigd nadat er (opnieuw) huiselijk geweld tussen de ouders had plaatsgevonden in bijzijn van de kinderen. Het hof volgt de moeder dan ook niet in haar standpunt dat zij onvoldoende kansen heeft gekregen

4.9

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] de stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie te waarborgen met een gedwongen ontheffing van het gezag. Nu de gegronde vrees bestaat dat de maatregel van uithuisplaatsing door de onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te vervullen, onvoldoende is om de ontwikkelingsdreiging voor hen af te wenden, is het hof van oordeel dat de moeder, conform de beschikking van de rechtbank, ontheven moet worden van het gezag over van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 april 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. M.P. den Hollander en mr. W.J. Overtoom, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 oktober 2015 in bijzijn van de griffier.