Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:795

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
200.136.404-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:455, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of een eerder huwelijk van de man naar het recht van de staat Nevada (VS) door verstoting op grond van Egyptisch recht is ontbonden. Aanvullende vraagstelling aan het Internationaal Juridisch Instituut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.136.404/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 180379/FA RK 10-5331 en 179485/FA RK
10-4994)

beschikking van de familiekamer van 3 februari 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.M. Klink, kantoorhoudend te Waddinxveen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [A],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E. El-Sharkawi, kantoorhoudend te 's-Gravenhage.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 3 juni 2014 een tussenbeschikking gegeven. De inhoud van deze tussenbeschikking wordt hierbij overgenomen.

1.2

Na voormelde tussenbeschikking zijn op de griffie van het hof binnengekomen:

- het door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) opgestelde rapport d.d. 14 oktober 2014, ingekomen op 15 oktober 2014 (hierna ook te noemen: het IJI-rapport);

- een journaalbericht met bijlagen van mr. Klink, ingekomen op 13 november 2014.

- een journaalbericht met bijlage van mr. El-Sharkawi, ingekomen op 20 november 2014.

2 De verdere beoordeling

2.1

In voormelde tussenbeschikking van 3 juni 2014 heeft het hof het IJI tot deskundige benoemd teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen, aan de hand van de volgende vragen:

1. De man stelt dat hij [B] [in] 1999 herroepelijk heeft verstoten door ten overstaan van twee getuigen tegen [B] de woorden: "Jij bent verstoten" uit te spreken, terwijl [B] zich niet in een menstruatieperiode bevond, en dat deze verstoting onherroepelijk is geworden door het verstrijken van de wachttijd van drie en een tiende maand, in welke periode hij [B] niet heeft teruggenomen als zijn echtgenote. Is, indien de door de man geschetste feitelijke gang van zaken vast zou komen te staan, het huwelijk van de man en [B] naar het recht van de staat Nevada in 1999 rechtsgeldig ontbonden?

Indien er naar het recht van de staat Nevada in 1999 geen rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk van de man en [B] heeft plaatsgevonden:

2. Moet de beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank van Bandar Imbaba voor Familiezaken (Egypte) aldus worden begrepen, dat daarmee declaratoir wordt vastgesteld dat de man [B] in 1999 (onherroepelijk) heeft verstoten?

Indien de beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank van Bandar Imbaba voor Familiezaken niet aldus moet worden begrepen, dat daarmee declaratoir wordt vastgesteld dat de man [B] in 1999 (onherroepelijk) heeft verstoten:

3. Moet de beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank van Bandar Imbaba voor Familiezaken constitutief worden begrepen, in die zin dat in 2011 de herroepelijke verstoting onherroepelijk is geworden, en zo ja, kan de daaruit (op grond van het bepaalde in NRS 125.290 ('void marriages') van het recht van de staat Nevada) voortvloeiende nietigheid van het huwelijk van de man en de vrouw naar het recht van de staat Nevada worden geheeld? Op pagina 17 van het rapport van het IJI van 20 februari 2012 wordt gesteld dat deze nietigheid (naar het recht van de staat Nevada) absoluut is, in de zin dat zij nadien verder niet meer kan worden weggenomen of hersteld. Het hof kan deze conclusie evenwel niet trekken op grond van de door het IJI bijgevoegde wetsartikelen en verzoekt het IJI in zoverre nader te specificeren waar deze conclusie op is gebaseerd.

4. Wordt de beantwoording van bovenstaande vragen anders indien het hoger beroep van de vrouw van de beschikking van de rechtbank van Bandar Imbaba voor Familiezaken van 15 juni 2011 gegrond zou worden verklaard?

5. Wordt de beantwoording van bovenstaande vragen anders indien vast zou komen te staan dat de man zich ook na 1999 nog steeds heeft voorgedaan als zijnde gehuwd met [B], onder andere door de vrouw als 'tweede echtgenote' te benoemen bij betalingen op 19 april 2007 in de [C]?

6. Op pagina 21 van het IJI-rapport staat van 20 februari 2012 vermeld, woordelijk luidend:

" Uit het vorenstaande volgt dat het aannemelijk is dat óók een Egyptische echtscheidingsbeschikking in de VS kan worden erkend, mits aan de vereisten van een behoorlijke procesgang (oproeping) is voldaan en één van de echtgenoten geacht wordt in Egypte gedomicilieerd te zijn. In deze zaak bevindt de domicile zich echter in Nederland, zodat deze beschikking in beginsel niet erkend zou hoeven worden."

Naar het oordeel van het hof bevindt de 'domicile' zich echter niet in Nederland, nu de man en [B] - in tegenstelling tot de man en de vrouw - nimmer gezamenlijk in Nederland hebben gewoond. Het hof verzoekt het IJI - indien het IJI dit oordeel van het hof deelt - aan te geven tot welke correcties dit leidt in het eerdere rapport.

7. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang kunnen zijn voor de beslechting van het voorliggende geschil?

2.2

Het hof zal hierna, met inachtneming van de schriftelijke reacties van partijen en mede aan de hand van het door het IJI gegeven advies, overgaan tot de verdere beoordeling van de zaak.

3 De verdere beoordeling

3.1

Zoals overwogen in de tussenbeschikking van 3 juni 2014, dient de vraag of het huwelijk van de man en de vrouw, gesloten [in] 2001 te [D], formeel en materieel geldig tot stand is gekomen, te worden beoordeeld naar het recht van de staat Nevada.

3.2

In de staat Nevada vindt het huwelijk zijn (civielrechtelijke) regeling in de Revised Statutes of Nevada (2001), Chapter 122.

3.3

De tekst van NRS 125.290 luidt als volgt:
"NRS 125.290 Void marriages.
All marriages which are prohibited by law because of:
1. Consanguinity between the parties; or

2. Either of the parties having a former husband of wife then living, if solemnized within this State, are void without any decree of divorce or annulment or other legal proceedings. A marriage void under this section shall not bar prosecution for the crime of bigamy pursuant to NRS 201.160."

3.4

Indien vast zou komen te staan dat de man naar het recht van de staat Nevada op 5 juli 2001 nog gehuwd was met [B], is het huwelijk van de man en de vrouw op grond van NRS 125.290 absoluut nietig en derhalve niet reparabel.

3.5

In dit kader dient het hof allereerst te beoordelen of, naar het recht van de staat Nevada, het huwelijk van de man met [B] [in] 1999 door verstoting is ontbonden.

3.6

Uit het IJI-rapport komt naar voren dat het internationaal privaatrecht ter zake van de erkenning van huwelijksontbindingen, in het bijzonder op grond van echtscheiding, in de staat Nevada (evenals in overige Amerikaanse staten) uitgaat van de doctrine van (legal) comity. Comity brengt, kort gezegd, mee dat de rechter in alle Amerikaanse staten in beginsel uitgaat van de rechtsgeldigheid van een ontbinding van een huwelijk van twee vreemdelingen die buiten de VS heeft plaatsgevonden, tenzij vast komt te staan dat de erkenning van deze huwelijksontbinding indruist tegen de openbare orde of tegen de rechtsbeginselen van de Amerikaanse grondwet.

3.7

Hoewel het IJI naar voren heeft gebracht dat hieromtrent geen absolute zekerheid kan worden verschaft, acht het hof het, evenals het IJI, voorshands aannemelijk dat de rechter in de staat Nevada aan de verstoting zoals deze [in] 1999 heeft plaatsgevonden geen comity zal verlenen.

3.8

Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de verstoting blijkens het IJI-rapport ook naar Egyptisch recht niet tot een rechtsgeldige beëindiging van het huwelijk tussen de man en [B] heeft geleid. Weliswaar kan op basis van de uitspraak van de rechtbank van Bandar Imbaba voor Familiezaken (Egypte) van 15 juni 2011 worden vastgesteld dat de man [B] [in] 1999 naar Egyptisch religieus recht rechtsgeldig heeft verstoten door ten overstaan van twee getuigen tegen haar de woorden: "Jij bent verstoten" uit te spreken, terwijl [B] zich niet in een menstruatieperiode bevond, en dat deze verstoting naar Egyptisch religieus recht onherroepelijk is geworden door het verstrijken van de wachttijd van drie en een tiende maand, in welke periode de man [B] niet heeft teruggenomen als zijn echtgenote, maar nu de man niet aan het vereiste van registratie van de schriftelijke verklaring van de verstoting bij de ma'zun ('notaris') binnen dertig dagen na het uitspreken van de verstoting heeft voldaan (zie artikel 5bis van Wet no. 25/1929, dat geamendeerd is door Wet 100/1985 en artikel 21 van Wet no. 1/2000 met nadere uitwerking in artikel 40bis van ministeriële regeling No. 1727), is naar Egyptisch civiel recht in 1999 geen sprake geweest van een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk tussen de man en [B].

3.9

De man heeft in dit kader echter aangevoerd dat door het IJI geen rekening is gehouden met de uitspraak van de constitutionele rechtbank in Egypte van 15 januari 2006, zaaknummer 113/2006. In deze uitspraak zou volgens de man zijn geoordeeld dat het religieuze recht bij tegenstrijdigheid prevaleert boven het civiele recht. Op grond hiervan wordt de verstoting volgens de man naar Egyptisch recht erkend, ook indien er geen sprake is van registratie van de schriftelijke verklaring van de verstoting bij de ma'zun.

3.10

Nu het hof niet over de door de man aangehaalde rechtspraak beschikt, acht het zich onvoldoende voorgelicht om thans een definitieve beslissing te nemen over de vraag of het huwelijk van de man met [B] [in] 1999 door verstoting op zodanige wijze is ontbonden dat naar het recht van de staat Nevada die ontbinding erkend zou zijn. Deze vraag dient te worden beantwoord, alvorens het hof toekomt aan de vraag of het huwelijk van de man met [B] door de uitspraak van de rechtbank van Bandar Imbaba voor Familiezaken (Egypte) van 15 juni 2011 naar het recht van de staat Nevada alsnog rechtsgeldig is ontbonden en zo ja, per welke datum. Het hof ziet dan ook aanleiding om nader advies in te winnen bij het IJI.

3.11

Het hof zal de volgende aanvullende vraagstelling aan het IJI voorleggen:


1. De man verwijst in zijn reactie op het IJI-rapport van 14 oktober 2014 naar een uitspraak van de constitutionele rechtbank in Egypte van 15 januari 2006, zaaknummer 113/2006. Wat is in deze uitspraak beslist en in hoeverre dient deze uitspraak volgens het IJI te leiden tot een correctie van het door het hof voorshands gegeven oordeel ten aanzien van de vraag of naar het recht van de staat Nevada het huwelijk van de man met [B] [in] 1999 door verstoting is ontbonden, zoals hiervoor omschreven onder de rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8? Het hof verzoekt een vertaling van deze uitspraak bij het schriftelijke bericht van het onderzoek te voegen.

2. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang kunnen zijn voor de beslechting van het voorliggende geschil?

3.12

Het onderzoek van het IJI zal onder leiding staan van een bij deze beschikking te benoemen raadsheer-commissaris. Het IJI kan zich, indien daartoe aanleiding is, door tussenkomst van de griffie met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek.

3.13

Het hof bepaalt ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek dat de man gehouden is het in artikel 195 Rv bedoelde voorschot ter zake van de door het IJI te maken kosten te deponeren. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat in de advisering van het IJI alle relevante jurisprudentie in aanmerking is genomen. Nu de man stelt dat dit niet het geval is, acht het hof het redelijk te bepalen dat hij het voorschot ter zake van het in verband hiermee noodzakelijk geachte nadere onderzoek door het IJI dient te voldoen. Het IJI zal dienen te declareren op basis van het door dit instituut gehanteerde uurtarief van € 87,50 per uur, exclusief omzetbelasting, met specificatie van het aantal aan de beantwoording van de voorgelegde vragen bestede uren. De kosten worden begroot op € 1.500,- inclusief btw. Bij de te geven eindbeschikking zal door het hof een definitieve beschikking worden gegeven met betrekking tot de kosten van het deskundigenbericht. Het hof zal bepalen dat de kosten van de deskundige zonder toestemming van de raadsheer-commissaris een bedrag van € 1.500,-, inclusief btw, niet te boven mogen gaan.

3.14

Indien het hof binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking geen schriftelijk en gemotiveerd bezwaar van (één van de) partijen heeft ontvangen, gaat het hof ervan uit dat er geen bezwaar bestaat tegen de vraagstelling en de hoogte van het voorschot.

3.15

Zodra de resultaten van het deskundigenonderzoek bij het hof binnen zijn, zal het hof deze aan partijen doen toekomen en hen in de gelegenheid stellen zich hier schriftelijk over uit te laten, waarna het hof de zaak vervolgens zonder nadere behandeling ter zitting zal afdoen, tenzij het hof op verzoek van partijen, dan wel ambtshalve anders beslist.

3.16

In afwachting van het deskundigenonderzoek zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. In afwachting van de resultaten van het onderzoek zal het hof de behandeling aanhouden tot 1 mei 2015.

3.17

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als volgt.

De beslissing

Het hof:

benoemt tot deskundige het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag, teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen, aan de hand van de in rechtsoverweging 3.11 geformuleerde vragen;

bepaalt dat partijen bezwaren tegen of aanvullingen op de door het hof geformuleerde onderzoeksvragen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking schriftelijk en gemotiveerd aan het hof kenbaar dienen te maken;

benoemt mr. J.D.S.L. Bosch tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

bepaalt het voorschot van de deskundige op € 1.500,- inclusief btw en bepaalt dat de kosten van de deskundige dit bedrag zonder toestemming van de raadsheer-commissaris niet te boven mogen gaan;

stelt partijen in de gelegenheid om zich - indien gewenst - binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking schriftelijk en gemotiveerd uit te laten over de hoogte van dit voorschot;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek eerst zal dienen aan te vangen nadat door de man bij wege van voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van € 1.500,- ter griffie van het hof zal zijn gedeponeerd, conform de nota met betaalinstructies die de man hiertoe zal ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak, en de griffie aan de deskundige heeft bericht dat het voorschot is voldaan;

bepaalt dat het voorschot uiterlijk op 20 februari 2015 moet zijn voldaan;

draagt de griffier op aan de deskundige na ontvangst van het voorschot mede te delen dat het voorschot is gestort en dat de deskundige het onderzoek kan aanvangen;

bepaalt dat de deskundige zijn schriftelijk bericht ter griffie moet inleveren zo spoedig mogelijk na de kennisgeving betreffende de ontvangst van het voorschot door de griffier, doch uiterlijk op 1 mei 2015;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de advocaat van de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken zoals onder rechtsoverweging 1.2 genoemd (met uitzondering van het rapport van het IJI) ter beschikking van de deskundige zal stellen;

bepaalt dat partijen na ontvangst van de resultaten van het deskundigenonderzoek in de gelegenheid zullen worden gesteld om zich schriftelijk uit te laten over de resultaten van het onderzoek en dat het hof de zaak vervolgens zonder nadere behandeling ter zitting zal afdoen, tenzij het hof op verzoek van partijen, dan wel ambtshalve anders beslist;

houdt iedere beslissing, daaronder begrepen de definitieve beslissing over de kosten van het deskundigenonderzoek, aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, G.M. van der Meer en J.P. Evenhuis, en is op 3 februari 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.