Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7899

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
20-11-2015
Zaaknummer
200.129.035
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vertegenwoordigingsbevoegdheid. Toereikende volmacht. Gerechtvaardigd vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.129.035

zaaknummer rechtbank Arnhem/Oost-Nederland 230865

arrest van 20 oktober 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Euretco B.V., rechtsopvolger onder algemene titel van Intres B.V.,

gevestigd te Breda,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Intres,

advocaat: mr. E.J.P. Schothorst-Gransier,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 september 2012 van de rechtbank Arnhem, alsmede naar de inhoud van het vonnis van 9 januari 2013 dat de rechtbank Oost-Nederland heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 april 2013,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

In het procesdossier bevindt zich een op 17 december 2009 gedateerde brief waarin het volgende is te lezen.

“Intres RMS

De heer [A.]

Koninginneweg 1

3871 JZ HOEVELAKEN

IJsselstein, 17 december 2009

Betreft: Overeenkomst interim Werkzaamheden

Geachte heer [A.] ,

Promitto en Intres RMS verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

1) Opdrachtgever

Intres RMS (Promez)

Dhr. [A.]

Koninginneweg 1

3871 JZ HOEVELAKEN

033 – 2532438

2) Locatie

De werkzaamheden zullen worden verricht op locatie bij Intres RMS, Koninginneweg te Hoevelaken

3) Contactpersoon

De verantwoordelijke managers bij de Intres RMS zijn de heren [B.] en [C.] .

4) Ingangsdatum en einddatum

Ingangsdatum en einddatum ten behoeve van de bij Intres RMS te verrichten diensten:

Aanvangsdatum: maandag 21 december 2009

Beoogde einddatum: tot nadere opzegging

Inzet: voor 5 dagen in de week van 08.30 uur t/m 17.00 uur

op basis van minimaal 40 uur per week.

5) Honorarium

Er is een maandtarief overeengekomen van € 10.000,- exclusief BTW en exclusief reis-, verblijf- en overige kosten.

Overige bepalingen ten aanzien van Honoraria: geen

6) Aard van de ten behoeve van Opdrachtgever te verrichten diensten

Manager Trendteam

Opzetten van de nieuwe afdeling Trendlab, het initiëren van new business activiteiten ten behoeve van de relaties van Intres RMS.

Algemeen Management

Meebouwen aan de nieuw te vormen organisatie Intres RMS, Studio Management en Project Management adviseren en ‘on the flow’ meewerken aan het realiseren van de doelstellingen.

Cliënt Services

Relatiebeheer in de breedste zin des woord met als doel het vertrouwen van de relaties te winnen en te behouden.

Management Team

Maakt onderdeel uit van het MT.

Met vriendelijke groet,

Voor akkoord:

[geïntimeerde] [A.]

Promitto Intres RMS”

Direct boven de namen onderaan de brief zijn de handtekeningen van [geïntimeerde] en [A.] geplaatst (hierna: [A.] ).

3.2

[geïntimeerde] en [A.] zijn broers. [A.] was statutair directeur van Promez Communicatie Management B.V. (hierna: Promez). Promez had in september/oktober 2009 een mondelinge overeenkomst met Intres gesloten ten aanzien van de overname van de activa en passiva van de business unit Retail Marketing Services (hierna: RMS-afdeling) van Intres. Promez en Intres hadden afgesproken dat de overdracht geleidelijk – “on-going” – zou geschieden. De werkzaamheden zouden door Promez worden uitgevoerd op locatie van Intres.

3.3

Tussen Promez en Intres is op enig moment onenigheid ontstaan over deze overname waardoor de overdracht uiteindelijk niet is geëffectueerd, althans is teruggedraaid. Tussen Promez en Intres was de omvang van de overname in discussie en was er tevens verdeeldheid over de vraag of de overname daadwerkelijk zijn beslag heeft gekregen en/of er sprake is geweest van een daarop vooruitlopende “economische overdracht” in de zin dat winsten en verliezen van de RMS-afdeling voor rekening van Promez dienen te komen. Promez en Intres hebben daarover meerdere juridische procedures gevoerd. Op 26 oktober 2011 is Promez door de rechtbank Utrecht in staat van faillissement verklaard.

3.4

De facturen van [geïntimeerde] in de periode december 2009 tot en met december 2010 zijn steeds zonder protest door Intres betaald. De facturen van [geïntimeerde] in de periode januari 2011 tot en met mei 2011 heeft Intres voldaan na daartoe te zijn veroordeeld bij het bestreden vonnis van 9 januari 2013.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd dat de rechtbank Intres zal veroordelen om aan hem te voldoen de somma van € 68.361,55 (€ 61.410,31 hoofdsom, € 1.785,00 buitengerechtelijke kosten en € 5.166,24 wettelijke handelsrente tot en met 1 mei 2012), vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente gerekend vanaf 2 mei 2012 en berekend over de hoofdsom ad € 61.410,31, tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van Intres in de proceskosten.

4.2

De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 9 januari 2013 Intres veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 61.410,31, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na aanvang van de dag volgende op die waarop de werkzaamheden die op voormelde bedragen betrekking hebben tot aan de dag van algehele voldoening daarvan. Daarnaast heeft de rechtbank Intres veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 1.190,00 aan buitengerechtelijke kosten en een bedrag van € 3.143,17 aan proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Het hof zal Intres in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van 12 september 2012 niet-ontvankelijk verklaren. In dit tussenvonnis is in de hoofdzaak enkel een comparitie na antwoord bevolen, waartegen op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen hogere voorziening open staat.

5.2

Tegen het bestreden vonnis van 9 januari 2013 heeft Intres vier grieven gericht (waarvan een genummerd als grief 1a en een als grief 1b). De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3

Het belangrijkste verweer dat Intres voert is dat de onder 3.1 weergegeven overeenkomst met [geïntimeerde] niet met haar is aangegaan, maar met Promez. Volgens Intres was [A.] ook niet bevoegd om haar te vertegenwoordigen en mocht [geïntimeerde] er niet op vertrouwen dat Intres aan [A.] een toereikende volmacht had verleend om haar te vertegenwoordigen.

5.4

Het verweer van Intres wordt verworpen. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. Tussen partijen staat vast dat [A.] [geïntimeerde] heeft verzocht de werkzaamheden te verrichten als genoemd in de onder 3.1 opgenomen overeenkomst. Als onweersproken staat vast dat [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van 17 december 2009 is voorgesteld aan de directie van Intres en dat de RMS-afdeling nog niet was afgesplitst van Intres. Niet gebleken is dat [geïntimeerde] wist wanneer de overdracht van de RMS-afdeling aan Promez zou plaatsvinden, laat staan dat hij wist dat, zoals Intres heeft gesteld, de overdracht al was gerealiseerd. De overdracht zou geleidelijk plaatsvinden. Bovendien staat als onbetwist vast dat [geïntimeerde] rechtstreeks opdrachten kreeg van de managers van Intres en dat Intres hem een intern e-mailadres ter beschikking heeft gesteld. Intres heeft ook niet weersproken dat zij [geïntimeerde] toegang heeft gegeven tot haar intranet en dat haar intranet slechts toegankelijk was voor eigen medewerkers. Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat [A.] bij het sluiten van de overeenkomst met [geïntimeerde] handelde in naam van Intres, althans dat [geïntimeerde] dat op grond van de verklaringen en gedragingen van Intres redelijkerwijze heeft mogen aannemen. Het hof ziet zijn oordeel bevestigd in het feit dat Intres rechtstreeks en zonder voorbehoud de facturen van [geïntimeerde] , die steeds zijn gericht aan Intres/Promez Retail Solutions, tot en met 2010 heeft voldaan. In dit verband wordt voorbij gegaan aan de stelling van Intres dat zij de facturen van [geïntimeerde] heeft betaald in opdracht van Promez in het kader van de tussen Intres en Promez gemaakte afspraak dat de facturen later zouden worden verrekend doordat Promez nog niet de beschikking had over een eigen, van Intres afgezonderde, administratie, nu niet is toegelicht dat zulks aan [geïntimeerde] kenbaar was. De linked-in pagina van [geïntimeerde] met informatie dat hij al die tijd werkzaam is geweest voor Promez is niet in strijd met de stelling van [geïntimeerde] dat hij met Intres heeft gecontracteerd, gezien de afspraak voor een geleidelijke overdracht van de RMS-afdeling aan Promez en omdat deze informatie niet onjuist zou zijn indien, anders dan uiteindelijk is gebeurd, de RMS-afdeling daadwerkelijk van Intres zou zijn losgemaakt.

5.5

Ten aanzien van de vraag of [A.] bij het sluiten van de overeenkomst met [geïntimeerde] handelde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in de zin dat hem daarvoor door Intres een toereikende volmacht is verleend, geldt dat op grond van de onder 5.4 genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Intres aan [A.] een toereikende volmacht had verleend. Het ontbreken van de tekeningsbevoegdheid bij [A.] kan daarom niet door Intres aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen. Intres is dus partij bij de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst.

5.6

Intres betwist dat [geïntimeerde] daadwerkelijk werkzaamheden heeft uitgevoerd. Intres heeft deze betwisting onvoldoende gemotiveerd, nu [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat hij voor zijn werkzaamheden vrijwel dagelijks aanwezig was op de vestiging van Intres te Hoevelaken en hij ook rechtstreeks opdrachten ontving van de managers van Intres. Het verweer op dit onderdeel wordt dan ook verworpen.

5.7

De slotsom van het bovenstaande is dat Intres de gevorderde factuurbedragen aan [geïntimeerde] moet voldoen. Dit geldt ook voor de door [geïntimeerde] aan Intres in rekening gebrachte btw. Over het honorarium van [geïntimeerde] is btw verschuldigd en partijen zijn een honorarium exclusief btw overeengekomen. Intres heeft de ontvangst van de facturen van [geïntimeerde] en de brief van de advocaat van [geïntimeerde] aan Intres RMS van 13 december 2011 niet betwist. Het hof is van oordeel dat de brief van 13 december 2011, anders dan Intres meent, moet worden opgevat als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 BW. De brief bevat een sommatie tot betaling binnen acht dagen en een aanzegging dat rechtsmaatregelen zullen worden genomen als betaling achterwege blijft. Nu Intres de ontvangst van voormelde brief niet heeft betwist en zij de daarin gestelde termijn voor de nakoming van de op haar rustende betalingsverplichting heeft laten verlopen, is zij tegenover [geïntimeerde] in verzuim komen te verkeren.

5.8

De wettelijke rente is ex artikel 6:119a lid 2 sub b Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd vanaf 30 dagen na aanvang van de dag waarop de prestatie is ontvangen, nu geen termijn voor betaling is overeengekomen en ook de ontvangstdata van de facturen niet vaststaan.

5.9

Het verweer dat Intres voert tegen de in eerst aanleg toegewezen buitengerechtelijke kosten, treft evenmin doel. Intres heeft de omvang van de in eerste aanleg op grond van het rapport Voor-werk II toegewezen buitengerechtelijke kosten niet betwist. Zij heeft evenmin weersproken dat door of namens partijen op 2 mei 2011, 4 mei 2011, 28 juli 2011 en 13 december 2011 is gecorrespondeerd over de betaling van de facturen van [geïntimeerde] . De kosten waarvan [geïntimeerde] in eerste aanleg vergoeding heeft gevorderd, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten geen vergoeding plegen in te houden.

5.10

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de grief van Intres die zich richt tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in de hoofdzaak en in het incident, ook faalt.

5.11

Het door Intres gedane bewijsaanbod zal worden gepasseerd. Het bewijsaanbod betreft ofwel de kwalificatie van feiten waarvan de beoordeling aan de rechter is voorbehouden ofwel feiten die, indien bewezen, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

6 De slotsom

6.1

Intres zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 12 september 2012. De grieven tegen het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 9 januari 2013 falen. Dit vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Intres in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 683,- aan griffierecht en € 1.631,- aan salaris advocaat (1 punt x tarief IV).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart Intres niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 12 september 2012;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 9 januari 2013;

veroordeelt Intres in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 683,- voor verschotten en op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, S.B. Boorsma en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.