Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7855

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
200.167.917-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken tot voorlopige voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.167.917-02

beschikking van de familiekamer van 13 oktober 2015 inzake voorlopige voorzieningen

ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

inzake


[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het incidentele verzoek, tevens verweerder tegen het incidentele verzoek van de vrouw,

advocaat: mr. J.X.C. Peters te Woudenberg.

en

[verweerder] ,

verder te noemen; de vrouw,

wonende te [woonplaats],
verweerster tegen het incidentele verzoek van de man, tevens verzoekster in het incidentele verzoek,

advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoek van de man ex artikel 223 Rv, ingekomen op 29 juli 2015, bij verweerschrift in hoger beroep in de hoofdzaak;

  • -

    een journaalbericht van mr. Peters van 10 september 2015 met bijlage, ingekomen op 11 september 2015;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw op voormeld verzoek van de man, ingekomen op 16 september 2015;

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw houdende een verzoek ex artikel 223 Rv, ingekomen op 18 september 2015.

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 september 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De vaststaande feiten

2.1

Partijen zijn op 7 januari 1970 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 1 augustus 2012 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 november 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2

Bij beschikking van 14 januari 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, partijen gelast:

  • -

    de woning en de bedrijfsruimte, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], aan de vrouw toe te delen en de overwaarde met elkaar te verrekenen, met inachtneming van een waarde van € 600.000,-, waarbij geldt dat het passeren van de akte van verdeling en levering niet eerder dient plaats te vinden dan nadat de man is ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning en de bedrijfsruimte rustende hypothecaire schuld;

  • -

    de woning en de bedrijfsruimte, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], te verkopen aan een derde, indien op (uiterlijk) 17 februari 2015 blijkt dat de vrouw niet in staat is het aandeel van de man in de woning over te nemen en/of de man niet kan worden ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning en de bedrijfsruimte rustende hypothecaire schuld;

  • -

    ingeval van verkoop van de woning en de bedrijfsruimte, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], zich gezamenlijk te wenden tot een makelaar. De man dient alsdan de namen van drie makelaars aan de vrouw kenbaar te maken en de vrouw dient er daarvan één te kiezen;

  • -

    met de verkoopopbrengst van de woning en de bedrijfsruimte, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], de daarop rustende hypothecaire schuld af te lossen en de uiteindelijke overwaarde met elkaar te verrekenen, en

die beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en partijen niet-ontvankelijk verklaard in al het meer of anders verzochte.

De vrouw heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en zijn eis vermeerderd.

3 De verzoeken

3.1

De man verzoekt -kort gezegd- bij wijze van de voorlopige voorziening hem te machtigen tot het te gelde maken van de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) en de vrouw te bevelen medewerking te verlenen aan de verkoop van de onroerende zaak, nu de vrouw haar medewerking weigert aan de uitvoering van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van het geding te bepalen hetgeen als provisioneel verzoek als bedoeld in artikel 223 Rv is vermeld in zijn verweerschrift in hoger beroep in de hoofdzaak onder de punten A tot en met E.

3.2

De vrouw verzoekt bij haar verweerschrift voorlopige voorzieningen de verzoeken van de man af te wijzen wegens gebrek aan belang dan wel wegens gebrek aan spoedeisend belang en de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3

Bij zelfstandig verzoek voorlopige voorzieningen verzoekt de vrouw de man te veroordelen:

- tot medewerking aan de verkoop en levering van het bedrijfsgedeelte van de onroerende zaak voor € 200.000,- aan de huidige huurder, op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag voor iedere dag dat hij nalatig blijft om aan het gevraagde te voldoen;

- tot medewerking aan de totstandkoming van de toescheiding in eigendom aan haar van het woongedeelte van de onroerende zaak, op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag voor iedere dag dat hij nalatig blijft om aan het gevraagde te voldoen, en

de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.4

De man voert verweer en verzet zich tegen toewijzing van de door de vrouw verzochte voorlopige voorziening.

4 De beoordeling van de verzoeken

4.1

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

4.2

Bij uitspraak van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen, daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. De Hoge Raad heeft dan ook geoordeeld dat ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek kan worden gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding overeenkomstig hetgeen artikel 223 Rv bepaalt voor dagvaardingsprocedure.

4.3

Het hof stelt voorop dat het karakter van voorlopige (provisionele) voorzieningen een tijdelijke beslissing is die geldt voor de duur van de procedure. Het algemeen vereiste dat de partij die de provisionele voorziening vraagt belang moet hebben bij een dergelijk verzoek, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een voorziening op de voet van artikel 223 Rv, leiden tot het vereiste dat de verzoeker in die zin belang bij het verzoek moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.

4.4

De voorlopige voorzieningen die door beide partijen worden verzocht, hebben betrekking op het over en weer meewerken aan de verkoop van de onroerende zaak onder de door elke partij gestelde voorwaarden. Deze verkoop maakt tevens deel uit van hetgeen in de hoofdprocedure aan het hof is voorgelegd.

Het hof is van oordeel dat zowel de door de man als de door de vrouw verzochte voorlopige voorzieningen moeten worden afgewezen.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat de door de respectieve partijen verzochte voorlopige voorzieningen een definitief karakter dragen in die zin, dat zij een niet omkeerbare wijziging kunnen brengen in de feitelijke en juridische toestand van de betrokken onroerende zaken. Weliswaar verzet de procedure ingevolge artikel 223 Rv zich niet tegen verzoeken of vorderingen die strekken tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van hetgeen in hoofdzaak wordt verzocht. In het onderhavige geval doet zich daarbij evenwel de moeilijkheid voor dat uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht geen voldoende duidelijk oordeel kan worden gevormd van de waarde van de onroerende zaak, respectievelijk van de onderscheiden delen daarvan. Er zijn geen recente deskundige taxaties beschikbaar van de waarde van de onroerende zaak als geheel, noch van de waarde van het thans verhuurde bedrijfsgedeelte, noch van de gevolgen van een verkoop van het verhuurde gedeelte aan de huidige huurder voor de waarde van het resterende (woon-)gedeelte dat door de vrouw wordt bewoond. Daarom is thans niet goed vast te stellen of toewijzing van de door een van partijen verzochte voorlopige voorzieningen een onredelijke benadeling van de wederpartij met zich zou brengen.

Daarbij komt met betrekking tot de door de vrouw verzochte voorlopige voorzieningen dat van de Rabobank weliswaar niet kan worden verwacht dat die bank niet op enig moment haar welwillende houding zal wijzigen, maar anderzijds dat van de bank wel enige coulance mag worden verwacht zolang de vrouw de verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire geldlening voldoet. Het tegendeel is uit de e-mail van de bank aan de vrouw van 4 september 2015 (de eerste productie bij het zelfstandig verzoek van de vrouw) in elk geval niet af te leiden.

Ten aanzien van het verzoek van de man merkt het hof op dat toewijzing daarvan geen recht zou doen aan de inspanningen die de vrouw zich heeft gegeven om een ook voor de man niet onevenredig bezwaarlijke wijze van scheiding en deling te bereiken.

Ter mondelinge behandeling is gebleken dat partijen op een haar na overeenstemming over een minnelijke oplossing hadden bereikt, maar dat een oplossing werd geblokkeerd door een advies van een door de man tijdens een schorsing van die behandeling geraadpleegd adviseur. Waar een oplossing onder handbereik leek is het thans niet opportuun het verzoek van de man, dat is gegrond op de situatie van april 2015 -en derhalve geen rekening hield met ontwikkelingen die nadien hebben plaatsgevonden- toe te wijzen.

Het voorgaande in beschouwing nemend dringt het hof bij partijen erop aan voort te gaan naar het zoeken van een minnelijke oplossing. Aangezien de mondelinge behandeling in de hoofdzaak naar de planning van het hof niet meer in 2015 kan plaatsvinden, lijkt daarvoor ook in de tijd gezien alle ruimte. Mocht een minnelijke regeling uitblijven dan zal het onderhavige debat tussen partijen alsnog in de hoofdzaak, en dan beter onderbouwd, dienen te worden gevoerd.

4.5

In de omstandigheid dat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn ziet het hof aanleiding de proceskosten in die zin te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het hof:

wijst de verzoeken van beide partijen tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv af;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, G.P.M. van den Dungen, en
C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 13 oktober 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.