Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7853

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
07-01-2016
Zaaknummer
200.166.296
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind. In hoger beroep terugkomen van toegewezen verzoeken in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.166.296

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, 3558484)

beschikking van de familiekamer van 13 oktober 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. R.H.H. Schepers te Almelo.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:


[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de bewindvoerder dan wel [belanghebbende 1],

en

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de broer van de rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, van 17 december 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 maart 2015;

- een brief van de bewindvoerder van 22 april 2015, ingekomen op 24 april 2015;

- een journaalbericht van mr. Schepers van 23 september 2015 met één productie, ingekomen op 24 september 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2015 plaatsgevonden. De rechthebbende is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ook zijn verschenen de bewindvoerder, de broer van de rechthebbende en [A], een neef van de rechthebbende.

2.3

De bewindvoerder heeft ter mondelinge behandeling verweer gevoerd aan de hand van schriftelijke aantekeningen, die door hem zijn overgelegd onder bijvoeging van twee bijlagen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De rechthebbende is geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats].

3.2

Op 3 november 2014 is bij de kantonrechter ingekomen een door de rechthebbende op 30 oktober 2014 ondertekend verzoek (met bijlagen) tot instelling van een bewind over de goederen die aan de rechthebbende (zullen) toebehoren, met de benoeming van [belanghebbende 1] tot bewindvoerder. Voorts is op dezelfde datum bij de kantonrechter ingekomen een brief van [belanghebbende 1] van 31 oktober 2014 met daarin opgenomen een door de rechthebbende op 31 oktober 2014 ondertekende verklaring.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende. Daarbij heeft de kantonrechter [belanghebbende 1] benoemd tot bewindvoerder.

4 De omvang van het geschil

4.1

De rechthebbende is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

4.2

De rechthebbende verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en:

primair het inleidende verzoek alsnog af te wijzen;

subsidiair het inleidende verzoek af te wijzen en een mentorschap in te stellen ten behoeve van de rechthebbende waarbij als mentor de broer van de rechthebbende dient te worden benoemd dan wel de zaak terug te wijzen naar de kantonrechter zodat deze een mentorschap kan instellen;

meer subsidiair het inleidende verzoek af te wijzen voor zover het ziet op de te benoemen bewindvoerder en in plaats van deze bewindvoerder de broer van de rechthebbende tot bewindvoerder te benoemen;

uiterst subsidiair het inleidende verzoek af te wijzen voor zover het ziet op de te benoemen bewindvoerder en in plaats daarvan in goede justitie een bewindvoerder te benoemen, alsmede daarbij te bepalen dat de door het hof te benoemen bewindvoerder ieder kwartaal rekening en verantwoording dient af te leggen aan de rechthebbende;

kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Op grond van 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de rechthebbende is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerd partner, dan wel de andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt volgens lid 4 bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd.

5.2

De rechthebbende voert als eerste grief aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat hij als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Op de dag waarop zijn 93-jarige moeder is overleden, werd hem de verklaring ten behoeve van de aanvraag van de onderbewindstelling voorgelegd ter tekening. Hij heeft zijn hele leven bij zijn moeder gewoond en was overmand door verdriet. Hoewel hij de aanvraag op dat moment wel heeft ondertekend, was het niet zijn wil om het verzoek tot onderbewindstelling te ondersteunen noch daarvoor akkoord te geven. Vanuit de hulpverlening is hem uitsluitend voorgehouden dat hij hulp zou krijgen bij het op orde houden van zijn administratie, maar daarbij is hem niet duidelijk gemaakt dat een verzoek tot onderbewindstelling zou worden ingediend en wat daarvan dan de consequenties zouden zijn. Hij betwist dat sprake is van een door hem zelf geuite wens tot beheer van zijn vermogen. In de onderbouwing van het verzoek wordt teruggegrepen op oude stukken die geen actueel beeld geven van zijn gezondheidstoestand. Hij is lichamelijk en ook in zijn mobiliteit beperkt, maar zijn huidige lichamelijke en geestelijke toestand staat niet in de weg aan het behoorlijk waarnemen van zijn vermogensrechtelijke belangen. Hij heeft zijn financiële zaken altijd zelf geregeld. De begeleiding die hij in het verleden van Aveleijn ontving, was niet gericht op (begeleiding bij) het beheer van zijn vermogen. Voor zover het hof toch van oordeel mocht zijn dat sprake is van een lichamelijk of geestelijke stoornis ligt het eerder in de rede om een mentorschap in te stellen. Hij heeft baat bij praktische begeleiding bij bijvoorbeeld het maken van afspraken.

Als tweede grief voert de rechthebbende aan dat [belanghebbende 1] ten onrechte is benoemd tot bewindvoerder. Sinds de benoeming van [belanghebbende 1] heeft hij geen financiële informatie meer ontvangen en geen zicht meer op (het verloop van) zijn vermogen. Indien toch sprake moet zijn van een bewind heeft hij vertrouwen in zijn broer als bewindvoerder, die daartoe inmiddels een bereidverklaring heeft ondertekend. Zijn vrees dat familieleden mogelijk goederen zullen onttrekken, is gericht tegen een nicht en niet tegen zijn broer.

Als derde grief voert de rechthebbende aan dat de kantonrechter geen gebruik had moeten maken van zijn ruimte om aanstonds op de stukken het verzoek toe te wijzen. Indien de kantonrechter hem had gehoord, had de kantonrechter beter kunnen beoordelen of hij wilsbekwaam is en of zich een van de gronden voor onderbewindstelling voordoen. Dan zou zijn gebleken dat hij een dergelijke vergaande beperking in zijn rechten niet wil en dat daartoe geen gronden aanwezig zijn. Voorts had de kantonrechter dan nadere voorwaarden kunnen verbinden aan de onderbewindstelling.

5.3

De bewindvoerder heeft verweer gevoerd en gesteld dat hij op 30 oktober 2014 samen met de begeleiding vanuit de extramurale zorg van Stichting Aveleijn (verder: Aveleijn) uitgebreid met de rechthebbende heeft besproken wat een onderbewindstelling inhoudt. Hij heeft daarbij een verklaring overgelegd van de manager van Aveleijn van 25 september 2015, waarin de manager schrijft dat de begeleiders van Aveleijn deze gang van zaken aan hem hebben bevestigd. Aanleiding voor het verzoek tot onderbewindstelling was de wens van de rechthebbende te voorkomen dat zijn broer en zijn schoonzus over zijn middelen zouden gaan beschikken. De rechthebbende is zelf goed in staat om financiële zaken te regelen, maar kan niet omgaan met geestelijke druk van buitenaf en heeft de angst hiertegen geen weerstand te kunnen bieden. De rechthebbende heeft aangegeven dat zijn broer en schoonzus in het verleden al een aanzienlijk bedrag van hem hebben geleend en dat van dat bedrag tot op heden niets is terugbetaald. Ondanks een aanbod van de bewindvoerder om de reeds geplande afspraak op 31 oktober 2014 te verzetten in verband met het overlijden van de moeder van de rechthebbende op diezelfde dag, wilde de rechthebbende de afspraak door laten gaan. De rechthebbende heeft de door de bewindvoerder opgestelde verklaring en de aanvraag tot onderbewindstelling getekend en was zich daarvan ten volle bewust. Tevens is hij op 31 oktober 2014 overeenkomstig de wens van de rechthebbende samen met hem naar de Rabobank te [plaats] gegaan om de machtiging die de rechthebbende aan zijn broer had gegeven in te trekken en is hij zelf gevolmachtigd om namens de rechthebbende zijn bankzaken te regelen.

Het is juist dat de rechthebbende na zijn benoeming de eerste maanden geen informatie omtrent zijn financiële situatie heeft ontvangen, maar inmiddels is het sinds langere tijd zo dat hij de rechthebbende eenmaal per maand een bezoek brengt en hem kopieën van de bankafschriften van zijn rekeningen overhandigt. Vanwege vermenging van financiële belangen is het niet raadzaam om de broer van de rechthebbende tot bewindvoerder te benoemen en gaat de voorkeur uit naar een onpartijdig persoon buiten de familie.

5.4

Allereerst beoordeelt het hof de derde grief die ziet op de door de kantonrechter gevolgde procedure. Op grond van artikel 279 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter op verzoeken die zo eenvoudig van aard zijn dat zij voor aanstondse toewijzing in aanmerking komen, dadelijk beslissen zonder een mondelinge behandeling te gelasten. Het komt het hof niet onbegrijpelijk voor, in het licht van de stukken die bij het verzoekschrift aan de kantonrechter zijn overgelegd, dat de kantonrechter heeft afgezien van het horen van de rechthebbende. Zo zijn toen onder meer overgelegd een door de rechthebbende zelf ondertekend verzoek tot onderbewindstelling en daarbij horende verklaring, een akkoordverklaring van de broer van de rechthebbende, een bereidverklaring van de bewindvoerder en een C.I.Z.-indicatie van 12 september 2011 waarin staat vermeld dat de rechthebbende een beneden gemiddelde intelligentie heeft dan wel zwakbegaafd is en graag ondersteuning heeft bij zijn postzaken en financiën omdat zijn moeder ouder wordt en vaak dingen niet meer voor hem kan regelen. De derde grief kan niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden.

5.5

Vervolgens komt het hof toe aan de beoordeling van de andere grieven. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de ondersteuners vanuit Aveleijn gedurende een periode van circa vijf weken voorafgaand aan het overlijden van zijn moeder op 31 oktober 2014 op hem hebben ingepraat een onderbewindstelling aan te vragen. Zijdens de rechthebbende is niet weersproken dat de bewindvoerder zelf niet alleen op de dag van het overlijden met de rechthebbende heeft gesproken - wat de rechthebbende volgens de bewindvoerder niet bezwaarlijk vond - maar eveneens op de dag voorafgaand aan het overlijden. Onweersproken is gebleven dat de rechthebbende op de dag van het overlijden te kennen heeft gegeven het niet nodig te vinden de afspraak waarbij hij de verklaring ten behoeve van de aanvraag van de onderbewindstelling zou ondertekenen, te verplaatsen tot na de begrafenis. De bewindvoerder mocht rustig komen om de zaken te laten ondertekenen en de aanvraag tot onderbewindstelling af te werken. De rechthebbende wilde een en ander zo snel mogelijk geregeld hebben. Onweersproken is ook gebleven dat de rechthebbende niet kan omgaan met geestelijke druk van buitenaf, dat hij de angst heeft hiertegen niet te zijn opgewassen en dat hij de onderbewindstelling is aangegaan om af te zekeren dat zijn middelen niet bij derden (familie) terecht zouden komen. Voorts is gebleken dat de bewindvoerder enige dagen na het overlijden van de moeder bij de broer van de rechthebbende op bezoek is geweest en de onderbewindstelling van de goederen van de rechthebbende met de broer heeft besproken dan wel hem heeft verzocht een akkoordverklaring te tekenen. De broer heeft naar zijn zeggen het verzoek tot onderbewindstelling vervolgens zelf met de rechthebbende besproken en de rechthebbende heeft toen tegen hem gezegd dat hij graag een onderbewindstelling van zijn goederen met de benoeming van [belanghebbende 1] tot bewindvoerder wilde. De broer heeft in verband met die wens van de rechthebbende vervolgens op 10 november 2014 de akkoordverklaring ten behoeve van het verzoek ondertekend.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de rechthebbende in de periode rond de ondertekening van de aanvraag tot onderbewindstelling en de daarbij behorende verklaring, aan meerdere personen te kennen heeft gegeven dat hij een onderbewindstelling van zijn goederen wenste met benoeming van [belanghebbende 1] tot bewindvoerder. Dat de rechthebbende, zoals hij stelt, ondertekend heeft omdat hij was overmand door verdriet om het overlijden van zijn moeder en zich onder druk gezet voelde, is gelet op het voorgaande onvoldoende aannemelijk geworden. Kennelijk heeft de rechthebbende naderhand spijt gekregen van zijn verzoek. De stelling van de rechthebbende dat met de onderbewindstelling meer kosten blijken te zijn gemoeid en dat hij minder inzage in zijn financiële situatie krijgt dan hij op grond van de verkregen informatie had verwacht, bevestigen dit.

5.6

De rechthebbende is in hoger beroep gekomen van een beslissing van de kantonrechter waarmee hij heeft gekregen waarom hij heeft verzocht. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechthebbende deze beslissing destijds, bij het indienen van het verzoek, ook heeft gewild. Het rechtsmiddel van hoger beroep is niet gegeven om aan een partij wier verzoek door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven de beschikking waarin dit verzoek is toegewezen ongedaan te maken omdat die partij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien wegens de aan de inwilliging van het verzoek verbonden consequenties.

5.7

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de rechthebbende de toewijzing van zijn verzoek tot onderbewindstelling met benoeming van [belanghebbende 1] tot bewindvoerder niet ongedaan kan maken door in hoger beroep alsnog van dit verzoek af te zien. Zowel het primaire, als ook het subsidiaire, het meer subsidiaire en het uiterst subsidiaire verzoek van de rechthebbende in hoger beroep stuit hierop af.

5.8

De conclusie is dat alle grieven tevergeefs zijn voorgedragen en dat het in hoger beroep verzochte niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, van 17 december 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, R. Feunekes en T.M. Blankestijn, bijgestaan door de griffier, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door T.M. Blankestijn, en is op 13 oktober 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.