Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7820

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
200.173.356
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek opleggen dwangakkoord en verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Ontbreken van inzicht in de precieze samenstelling en in de achtergronden van de schuld aan de grootste weigerachtige schuldeiser. Vooruitzichten voor deze schuldeiser bij aanvaarding van het dwangakkoord minder gunstig dan bij verwerping daarvan. Onvoldoende vast komen te staan dat het huidige aanbod aan de schuldeisers het uiterste is waartoe de betrokkene financieel in staat moet worden geacht. Persoonlijke omstandigheden onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Tienjaarstermijn. Persoonlijke omstandigheden kunnen imperatieve karakter van in de wet omschreven weigeringsgrond niet opzij zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.173.356

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/392563 en C/16/392565)

arrest van 15 oktober 2015

inzake

[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellante,
hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. C.C.W. Plaat

en

1 de Belastingdienst, gevestigd te Heerlen, hierna: verweerder sub 1,

2 Patrimonium Woonservice, gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: verweerder sub 2,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor De Klerk & Vis B.V. te [vestigingsplaats],

3 DirectPay Services, gevestigd te Barendrecht, hierna: verweerder sub 3,
gemachtigde: WebCasso B.V. te Barendrecht,

4 KPN, gevestigd te Den Haag, hierna: verweerder sub 4,

5 AL & Van Ham Advocaten, gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: verweerder sub 5,
gemachtigde: mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, en

6 H&M, gevestigd te Amsterdam, hierna: verweerder sub 6.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Op 6 mei 2015 heeft [appellante] bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarbij heeft [appellante] de rechtbank tevens verzocht de weigerende schuldeisers, te weten verweerders sub 1 tot en met 6, te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw).
1.2 Bij vonnis van 7 juli 2015, zaaknummer C/16/392563, heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het verzoek van [appellante] ex artikel 287a Fw afgewezen.

1.3

Bij vonnis van 7 juli 2015, zaaknummer C/16/392565, heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eveneens afgewezen.

1.4

Het hof verwijst naar voornoemde vonnissen van 7 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 15 juli 2015 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemde vonnissen van 7 juli 2015. [appellante] heeft het hof verzocht deze vonnissen te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat haar schuldeisers wordt bevolen in te stemmen met de door haar aangeboden schuldregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen en van de brief van 27 juli 2015 van de gemachtigde van verweerder sub 5, de brief met bijlagen van 31 augustus 2015 van de gemachtigde van verweerder sub 3, de brief van 30 september 2015 van de gemachtigde van verweerder sub 2 en de met het op 2 oktober 2015 ingediende V6-formulier overgelegde stukken van mr. Plaat.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Plaat. Namens verweerders sub 1 tot en met 6 is (alleen met bericht vooraf van verweerder sub 3) niemand verschenen.

2.4

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Plaat het hierna onder 3.1 te noemen vonnis van de rechtbank Utrecht van 24 april 2007 overgelegd.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellante] is op [geboortedatum] 1979 geboren in Marokko. Sinds haar zesde jaar woont zij in Nederland. Zij vormt een eenoudergezin met haar vier op [geboortedatum] 2003, op [geboortedatum] 2005 en op [geboortedatum] 2011 (een tweeling) geboren kinderen. De ex-partner van [appellante] heeft alle kinderen erkend.
Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 27 april 2004 is de wettelijke schuldsanerings-regeling op [appellante] van toepassing verklaard. Bij vonnis van 24 april 2007 heeft de rechtbank Utrecht deze regeling beëindigd met toekenning van de schone lei aan [appellante] .
Na deze beëindiging heeft [appellante] nieuwe schulden laten ontstaan. Naar zij heeft verklaard, is medio 2012 bij haar het besef gekomen dat zij hulp nodig had voor haar persoonlijke en financiële problemen. Zij heeft zich toen aangemeld bij het BAC.
ontvangt een uitkering ingevolge de Participatiewet van € 912,79 netto per maand. Naar [appellante] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, is zij door de gemeente vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Zij heeft kort geleden een gesprek gehad met een (keurings)arts, omdat zij weer aan het arbeidsproces wil gaan deelnemen. [appellante] heeft voorts verklaard dat ongeveer twee maanden geleden een verzoek tot het instellen van beschermingsbewind voor haar is ingediend, op welk verzoek nog niet is beslist.

3.2

De schuldenlast van [appellante] bedraagt volgens de bij het Verzoekschrift Wsnp ex art. 284 Fw gevoegde crediteurenlijst van 1 mei 2015 in totaal € 66.916,10.
Tot deze schuldenlast behoren onder meer:
- een (preferente) schuld aan het UWV van € 1.667,18, ontstaan op 1 juli 2012;
- twee schulden aan ABN AMRO Bank van € 11.934,56 (ontstaan op 1 januari 2002) en van
€ 1.444,66 (ontstaan op 18 april 2001);
- een schuld aan AL & Van Ham/verweerder sub 5 van € 195,-, ontstaan op 1 juli 2012;
- een schuld aan de Belastingdienst/verweerder sub 1 van € 40.222,-, ontstaan op
25 november 2011;
- een schuld aan DirectPay Services/verweerder sub 3 van € 646,12, ontstaan op 18 januari
2013;
- een schuld aan H&M/verweerder sub 6 van € 550,-, ontstaan op 25 mei 2014;
- twee schulden aan KPN/verweerder sub 4 van € 604,57 en van € 917,84 (beide ontstaan op
1 januari 2013) en
- een schuld aan Patrimonium Woonservice/verweerder sub 2 van € 1.868,60, ontstaan op
1 oktober 2013.

3.3

De door [appellante] op of omstreeks 29 januari 2015 aan haar schuldeisers aangeboden schuldregeling (het prognoseakkoord) houdt - volgens de rechtsoverwegingen 2.1. en 2.5. uit het hiervoor onder 1.2 genoemde vonnis van 7 juli 2015 - in dat [appellante] drie jaar lang alle inkomsten boven het voor haar vastgestelde vrij te laten bedrag (€ 1.046,71 per maand) reserveert voor de schuldeisers. Het gereserveerde bedrag wordt na de jaarlijkse hercontrole aan de schuldeisers uitgekeerd. Indien het inkomen van [appellante] lager is dan de vrij te laten bedragen, worden de minimale aflosnormen van het NVVK gehanteerd. In de brief van
29 januari 2015 wordt een prognose van 3,91% voor de concurrente schuldeisers gegeven. Onder de gegeven omstandigheden is op basis van de minimale aflosnormen van de NVVK maandelijks een bedrag voor betalingen aan schuldeisers beschikbaar van € 61,-. In totaal kan volgens het aangeboden akkoord naar schatting € 2.196,- in de schuldsanering worden gespaard, aldus de rechtbank.

3.4

De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot vaststelling van een dwangakkoord afgewezen en daarbij het volgende overwogen.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige verzoek is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat te verlangen dat zijn vordering, eventueel vermeerderd met rente, volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering van de schuldeisers, staat het belang van de schuldeisers bij een weigering van instemming met de schuldregeling vast.

De wettelijke schuldsaneringsregeling is op 24 april 2004 op [appellante] van toepassing verklaard. Aan haar is een schone lei verleend en de regeling is op 3 mei 2007 beëindigd. Gelet op artikel 288 Fw is geen sprake van één van de uitzonderingsgronden om [appellante] binnen een periode van 10 jaar opnieuw toe te laten tot de wettelijke regeling. Dit betekent dat het subsidiaire (schuldsanerings-)verzoek niet toewijsbaar is. Gelet hierop kan dan ook bij de beoordeling van het onderhavige verzoek geen vergelijking worden gemaakt van het aanbod in het minnelijke traject en de wettelijke regeling. Het aanbod zal moeten worden vergeleken met de situatie waarin de schuldeisers volgens de ‘normale regels’ verhaal kunnen nemen op het volledige vermogen van hun schuldenaar gedurende een periode van circa twee jaar, tot [appellante] weer in aanmerking kan komen voor een wettelijke schuldsaneringsregeling, aldus de rechtbank.

Op basis van de huidige omstandigheden kunnen de schuldeisers - tot een eventuele nieuwe toelating tot de schuldsaneringsregeling - hun vorderingen verhalen op alle goederen van [appellante] , inclusief het inkomen dat zij boven de beslagvrije voet - thans € 930,31 (het hof begrijpt: per maand) - ontvangt. Dit betekent dat op dit moment geen verhaal op het inkomen van [appellante] mogelijk is. Echter, uit de overgelegde stukken is niet gebleken dat de vader van de kinderen van [appellante] niet in staat moet worden geacht bij te dragen aan de kosten van de opvoeding van de kinderen. Verweerder sub 1 heeft daarnaast nog de mogelijkheid haar vorderingen te verrekenen met toeslagen waarop [appellante] recht heeft, aldus de rechtbank.

Nu de vooruitzichten voor ieder geval verweerder sub 1 als schuldeiser bij aanvaarding van het akkoord minder gunstig zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat in ieder geval verweerder sub 1 in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, aldus de rechtbank.
Verweerder sub 1 heeft een vordering van € 40.222,- op [appellante] . Dit is 60,1% van de totale schuldenlast. Verweerder sub 1 stelt dat [appellante] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van deze schuld. Nadat [appellante] haar relatie had beëindigd, heeft zij toeslagen aangevraagd. [appellante] heeft haar ex-partner, met een eigen inkomen, in 2009 weer in haar leven toegelaten, maar zij heeft hiervan geen melding gemaakt bij de Belastingdienst. [appellante] heeft na de bevalling in januari 2010 psychische klachten gekregen. Haar ex-partner is bij [appellante] gebleven om voor hun oudste twee kinderen te zorgen. [appellante] heeft niet naar haar financiën omgekeken als gevolg van haar psychische klachten. De schulden zijn ontstaan, omdat haar ex-partner te veel geld van haar rekening haalde en de vaste lasten niet meer automatisch afgeschreven werden. Nu [appellante] reeds in 2009 niet het samenwonen heeft gemeld, heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder sub 1 terecht stelt dat [appellante] niet te goeder trouw is geweest. Dit is omstandigheid die weliswaar niet allesbepalend is, maar die wel meeweegt in het kader van deze belangenafweging. De rechtbank heeft daartoe verwezen naar de wetsgeschiedenis (TK 2005/2006 nr. 29942, nr. 7, p. 40, al. 86), waarin is aangegeven dat de goede trouw van de schuldenaar een omstandigheid is die rol kán spelen bij deze belangenafweging.

Daar komt - nog steeds volgens de rechtbank - bij dat [appellante] niet heeft geleerd van haar eerdere schuldsaneringsregeling. Ter zitting is duidelijk geworden dat [appellante] kort na de beëindiging van de eerdere schuldsaneringsregeling een telefoonabonnement van € 50,- per maand heeft afgesloten. Dit getuigt niet van een spaarzaam uitgavenpatroon. Dat [appellante] ten tijde van de eerdere schuldsaneringsregeling bij haar ouders woonde, maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande wegen de belangen van [appellante] minder zwaar dan die van verweerder sub 1. Ook is niet gebleken dat de belangen van de overige (weigerachtige) schuldeisers minder zwaar zouden moeten wegen dan die van [appellante] , zo begrijpt het hof de rechtbank.

3.5

De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop [appellante] haar verzoekschrift heeft ingediend ten aanzien van deze regeling van toepassing is geweest en de drie uitzonderingen van artikel 288 lid 2 aanhef en onder d, Fw op grond waarvan [appellante] binnen de tienjaarstermijn opnieuw tot de regeling toegelaten zou kunnen worden, zich hier niet voordoen.

3.6

Het hof stelt ten aanzien van het verzoek van [appellante] om verweerders sub 1 tot en met 6 te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling allereerst vast dat verweerder sub 5 blijkens de brief van 27 juli 2015 alsnog heeft ingestemd met de door [appellante] aangeboden schuldregeling, zodat thans in hoger beroep moet worden uitgegaan van verweerders sub 1, 2, 3, 4 en 6 als de nog weigerende schuldeisers.

3.7

Voor het meest actuele en volgens [appellante] dus thans geldende aanbod aan de schuldeisers heeft de advocaat van [appellante] ter zitting in hoger beroep desgevraagd gewezen op een ongedateerd (schulden)overzicht, dat door hem op 2 oktober 2015 met een aantal andere stukken aan het hof is overgelegd. Op dit overzicht ontbreekt iedere vorm van toelichting op het aangeboden akkoord.

Uitgaande van voormeld overzicht zijn er 22 schulden met een totaalbedrag van € 66.842,80. De door [appellante] aangeboden schuldregeling houdt in een betaling van 6,42% van de vordering van de enige door haar als preferent aangemerkte schuldeiser, het UWV, en een betaling van 3,21% van de vorderingen van de concurrente schuldeisers, waartoe [appellante] ook de Belastingdienst rekent. Met dit aanbod zou [appellante] tijdens de schuldregeling in totaal
€ 2.197,97 aan haar schuldeisers kunnen voldoen.
3.8 Op grond van artikel 287a lid 5 Fw geldt dat het verzoek van [appellante] om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling alleen dan moet worden toegewezen indien deze schuldeisers niet in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [appellante] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

3.9

Hoewel het op haar weg lag, heeft [appellante] geen inzicht gegeven in de precieze samenstelling en de achtergronden van haar aanzienlijke belastingschuld aan verweerder
sub 1. Mede daarom staat niet vast of deze schuldeiser als een concurrente dan wel als een (deels) preferente schuldeiser moet worden aangemerkt. Afgezien van deze onduidelijkheid, waardoor mogelijk het aanbod niet correct is, geldt dat de Belastingdienst de mogelijkheid heeft zijn vordering te verrekenen met toeslagen waarop [appellante] recht heeft, hetgeen nu ook gebeurt, zoals [appellante] ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard. Dit betekent dat de vooruitzichten voor de Belastingdienst bij aanvaarding van het akkoord minder gunstig zijn dan bij verwerping daarvan.
Voorts acht het hof van belang dat [appellante] tot nu toe heeft nagelaten haar ex-partner ertoe te bewegen (kinder)alimentatie te betalen. Het enige hiertoe door [appellante] aangevoerde argument, namelijk dat haar ex-partner in de Ziektewet zat en dat hij daardoor geen draagkracht had om alimentatie te betalen, overtuigt bij gebrek aan nadere onderbouwing niet. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] (slechts) verklaard dat zij bezig is een procedure in te stellen voor het verkrijgen van alimentatie. Nu [appellante] kennelijk nog niet verder is gekomen dan het verkennen van de mogelijkheden tot het verkrijgen van extra inkomsten uit alimentatie, is het hof van oordeel dat thans onvoldoende vaststaat dat het huidige aanbod van [appellante] aan haar schuldeisers het uiterste is waartoe zij financieel in staat moet worden geacht.
Gelet op het voorgaande kan niet volgehouden worden dat de Belastingdienst in redelijkheid niet tot weigering van zijn instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Er is geen sprake van een onevenredigheid tussen het belang dat de Belastingdienst heeft bij uitoefening van zijn bevoegdheid tot weigering en de belangen van [appellante] . De door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden leggen onvoldoende gewicht in de schaal, mede gelet op het feit dat [appellante] (bij gebreke aan enige toelichting) niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de belastingschuld te goeder trouw is geweest. Nu deze schuldeiser ruim 60% van de totale schuldenlast van [appellante] vertegenwoordigt moet het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord worden afgewezen. In verband hiermee behoeven de bezwaren van de andere weigerachtige schuldeisers geen bespreking meer.

3.10

Vervolgens dient het hof te beoordelen of [appellante] kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Reeds op grond van het ontbreken van grieven tegen het vonnis tot afwijzing van haar verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsanerings-regeling dient het hoger beroep van [appellante] tegen dat vonnis te worden afgewezen.
Ten overvloede overweegt het hof dat het verzoek van [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, ook bij een inhoudelijke beoordeling, afgewezen dient te worden.
Vaststaat dat op [appellante] minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop haar verzoekschrift was ingediend, de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en dat van beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en onder a, b of d Fw (om redenen die [appellante] niet waren toe te rekenen) geen sprake is geweest. Deze omstandigheden leveren ingevolge het bepaalde in artikel 288 lid 2 aanhef en onder d Fw een imperatieve afwijzingsgrond op, zodat het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen. Hoewel het hof zonder meer aanneemt dat de ingrijpende gebeurtenissen die in het leven van [appellante] hebben plaatsgehad een grote impact hebben gehad, kunnen deze persoonlijke omstandigheden het imperatieve karakter van de in artikel 288 lid 2 aanhef en onder d Fw omschreven weigeringsgrond niet opzij zetten. Dit betekent dat het hof ook het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal afwijzen.

3.11

Het hoger beroep faalt. De vonnissen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


bekrachtigt de hiervoor onder 1.2 en 1.3 genoemde vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 juli 2015.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, H.C. Frankena en A.S. Gratama, en is op
15 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.