Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7802

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
200.135.905
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erkenning huwelijk en vaststelling partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.135.905

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 337157)

beschikking van de familiekamer van 2 juli 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres in Nederland,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.C. Smit te Utrecht,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P.W.M. Splinter te Huizen.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 5 augustus 2014 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Smit van 15 augustus 2014 met bijlagen, ingekomen op

22 augustus 2014;

- een journaalbericht van mr. Splinter van 15 oktober 2014 met bijlagen, ingekomen op

16 oktober 2014;

- een journaalbericht van mr. Splinter van 8 januari 2015, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van mr. Smit van 1 april 2015 met bijlagen, ingekomen op 3 april 2015.

1.3

Op 16 april 2015 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ter mondelinge behandeling is onder meer gesproken over de inhoud van het Togolese huwelijksrecht. Ter zitting is aan

mr. Splinter op haar verzoek een termijn van veertien dagen gegeven om zich daarover nader uit te laten.

1.4

Op 29 april 2015 is van de zijde van mr. Splinter een journaalbericht van dezelfde datum met één bijlage ingekomen. Mr. Smit heeft daarop binnen de afgesproken termijn van veertien dagen gereageerd met een journaalbericht van 12 mei 2015 met één bijlage, ingekomen op 13 mei 2015.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van

5 augustus 2014, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

In die beschikking heeft het hof de vrouw in de gelegenheid gesteld de originele huwelijksakte, dan wel een authentiek afschrift daarvan, voorzien van legalisaties conform de Legalisatiecirculaire aan het hof te zenden en de behandeling van de zaak aangehouden.

Erkenning van het huwelijk

2.2

De man betoogt dat op basis van de door de vrouw na de tussenbeschikking overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland moet worden erkend. Het hof oordeelt daaromtrent als volgt.

2.3

Bij de beoordeling of sprake is van een tussen partijen in Togo gesloten huwelijk dat in Nederland voor erkenning in aanmerking komt, geldt het volgende. Volgens het eerste lid van artikel 10:31 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van het land van huwelijksvoltrekking rechtsgeldig is, in Nederland als zodanig erkend (tenzij de erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zo volgt uit artikel 10:32 BW). Ingevolge lid 4 van artikel 10:31 BW wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. De in deze bepaling bedoelde huwelijksverklaring omvat elk stuk dat door een in het land van huwelijksvoltrekking bevoegde autoriteit is afgegeven om tot bewijs van het bestaan van een huwelijk te dienen.

2.4

Na de tussenbeschikking heeft de vrouw bij het journaalbericht van 22 augustus 2014 een duplicaat van de “Acte de mariage Volet No 1 (Souche)” overgelegd. Volgens de op de voorzijde van dit duplicaat geplaatste stempel is het duplicaat op 13 juni 2014 “Pour photocopie conforme A l’original d’archives” afgegeven door “Le Préfet, Le Secrétaire Général, BATAZI Abarim Sagbana”. Op dit duplicaat zijn, kort gezegd, legalisaties geplaatst door successievelijk de attaché van het kabinet van de minister van buitenlandse zaken van Togo en de voor Togo bevoegde Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging.

2.5

Volgens dit document zijn partijen op (zaterdag) 24 juni 2006 in Togo ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, Préfècture du Golfe, met elkaar in het huwelijk getreden.

2.6

Volgens de man kleven aan de legalisatie door de Togolese autoriteit gebreken. Naar hij betoogt, had de legalisatie moeten geschieden door de minister van buitenlandse zaken van Togo en niet door de attaché van het kabinet van deze minister. De man maakt echter niet duidelijk waarom het deze minister niet vrij zou staan dit soort zaken te laten afhandelen door een attaché van zijn kabinet. Voorts wijst de man erop dat de desbetreffende attaché de handtekening van (volgens de man) Batazi Abarim Saboga heeft gelegaliseerd, terwijl het bewuste duplicaat van de huwelijksakte blijkens de daarop geplaatste stempel is ondertekend door Batazi Abarim Sagbana. Het hof constateert dat blijkens de stempel die is geplaatst op de voorzijde van het zich in het griffiedossier bevindende duplicaat van de huwelijksakte, dit duplicaat is ondertekend door “BATAZI Abarim Sagbana”, terwijl op de achterzijde van ditzelfde duplicaat de legalisatie is vermeld van de handtekening van “BATAZI ABARIM SABAGA”. Naar het oordeel van het hof gaat het hier om een kennelijke verschrijving in de legalisatie door de attaché. De man heeft voorts nog betoogd dat de in de procedure in eerste aanleg overgelegde huwelijksakte niet identiek is aan het duplicaat dat thans in hoger beroep is overgelegd. Daarbij ziet de man echter over het hoofd dat het in eerste aanleg overgelegde stuk deel 4 van de huwelijksakte betreft (“Volet No 4 (à remettre au déclarant)”), terwijl het in hoger beroep ingediende stuk deel 1 van de huwelijksakte betreft (“Volet No 1 (Souche)”).

Het hof ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de authenticiteit van het in hoger beroep overgelegde duplicaat van de huwelijksakte.

2.7

Gelet op voornoemd artikel 10:31 lid 4 BW levert het authentieke duplicaat van de huwelijksakte het rechtsvermoeden op dat tussen partijen een naar Togolees recht rechtsgeldig huwelijk is gesloten, nu niet in geschil is dat dit document is afgegeven door een in Togo bevoegde autoriteit. Naar het oordeel van het hof heeft de man dit rechtsvermoeden onvoldoende ontzenuwd.

De man stelt dat het huwelijk niet op zaterdag 24 juni 2006, maar op zondag 25 juni 2006 in Togo is gesloten. Volgens hem heeft de Togolese ambtenaar van de burgerlijke stand de huwelijksakte geantedateerd omdat in Togo op zondag niet gehuwd zou mogen worden. De man heeft zijn stelling dat de huwelijksakte een onjuiste huwelijksdatum vermeldt echter met geen enkel relevant stuk gestaafd. De verklaringen van twee in Nederland wonende vrienden van de man acht het hof daartoe onvoldoende, reeds omdat deze vrienden niet bij de huwelijksvoltrekking in Togo aanwezig zijn geweest en daarom niet uit eigen wetenschap verklaren. Van een gespecificeerd bewijsaanbod in hoger beroep is geen sprake. Naar de man in zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep heeft gesteld, is hij ook niet in staat om naast zijn eigen verklaring nog andere stukken en/of verklaringen ten bewijze van zijn betoog in het geding te brengen. Zijn in de bijlage bij het journaalbericht van 29 april 2015 gedane verzoek om aanhouding voor nadere uitlating werpt daarop geen ander licht. Het verzoek van de man aan de vrouw om de videoband met de opname van de huwelijksceremonie in het geding te brengen is niet opportuun, reeds omdat deze videoband, naar de vrouw ter zitting van 16 april 2015 heeft verklaard, door waterschade is vernietigd.

2.8

Het hof voegt aan het voorgaande het navolgende toe. Ook als de man zou worden gevolgd in zijn stelling dat partijen niet op zaterdag 24 juni 2006 maar op zondag 25 juni 2006 zijn gehuwd en dat trouwen op zondag in Togo niet is toegestaan, staat dit aan de erkenning van het tussen partijen gesloten huwelijk niet in de weg. Deze door de man gestelde feiten leiden er namelijk niet toe dat het huwelijk naar Togolees recht rechtsgeldigheid ontbeert. De man betoogt in de bijlage bij het journaalbericht van 29 april 2015 dat er gronden zijn om het huwelijk te laten vernietigen, daarbij verwijzend naar artikel 84 leden 5 en 6 en de artikelen 86 en 94 van het Togolese Personen- en Familiewetboek. Naar het oordeel van het hof doet zich in het onderhavige geval echter geen van de in die artikelen genoemde nietigheidsgronden voor.

Het hof wijst voorts nog op artikel 97 van het Togolese Personen- en Familiewetboek. Blijkens Bergmann/Ferid/Henrich, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht (supplement juli 2007), luidde dit artikel ten tijde van de huwelijksvoltrekking, naar het Duits vertaald, als volgt: “Ist der Statusbesitz der Ehegatten gegeben und wird die Heiratsurkunde vorgelegt, ist die Berufung auf formelle Regelwidrigkeiten dieser Urkunde nicht möglich.” Ingeval van bezit van de huwelijkse staat is een beroep op formele onregelmatigheden in de huwelijksakte derhalve niet mogelijk. In het onderhavige geval is sprake geweest van het bezit van de huwelijkse staat (zoals uitgewerkt in artikel 96 van het Togolese Personen- en Familiewetboek), omdat uit de stukken voldoende blijkt dat partijen elkaar sinds de huwelijksluiting over en weer als echtelieden hebben behandeld, dat zij sedertdien ook in het maatschappelijk verkeer als gehuwden zijn beschouwd en dat zij vrijwel direkt na de huwelijksluiting zijn gaan samenleven. Het is ook op het gezamenlijke verzoek van partijen dat de afdeling Burgerzaken van de gemeente Soest in 2006 is overgegaan tot inschrijving van het volgens de huwelijksakte op 24 juni 2006 tussen partijen gesloten huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie. Overigens heeft de man, zo blijkt uit de stukken, in de eind 2012 gevoerde procedures betreffende het door de burgemeester aan hem opgelegde tijdelijke huisverbod nog gesteld met de vrouw te zijn gehuwd.

2.9

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat tussen partijen in Togo een huwelijk is gesloten dat in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. De man heeft subsidiair nog gesteld dat het een schijnhuwelijk betreft omdat het oogmerk van de vrouw er (uitsluitend) op gericht zou zijn geweest samen met haar dochter in Nederland te kunnen wonen, maar hij heeft de juistheid van deze stelling in het licht van de stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt. Van enige reden om de erkenning van het huwelijk kennelijk onverenigbaar te achten met de openbare orde, is geen sprake.

2.10

De grief van de man in het incidenteel hoger beroep faalt derhalve. De rechtbank heeft de vrouw terecht ontvankelijk geacht in haar verzoek tot echtscheiding en haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage van de man in haar levensonderhoud.

Partneralimentatie

hoogte van de behoefte van de vrouw

2.11

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

2.12

De vrouw heeft in hoger beroep haar behoefte op maandbasis als volgt gespecificeerd:

- Huur (vóór huurverhoging van 1 juli 2014) € 630,- (na huurverhoging: € 646,-)

- Energielasten € 150,-

- Premie zorgverzekering € 128,-

- Telefoonkosten € 30,-

- Voeding € 200,-

- Kleding € 100,-

- Kapper € 50,-

- Cosmetica € 100,-

- Reiskosten € 100,-

- Kosten voor kinderen € 300,-

€ 1.788,- (na huurverhoging: € 1.804,-)

2.13

De man betwist de hoogte van de huur en de energielasten, alsmede de kosten voor de kapper, cosmetica en de reiskosten. Voorts stelt hij dat op de ziektekostenpremie de zorgtoeslag in mindering dient te worden gebracht en dat de vrouw mogelijk huurtoeslag ontvangt. Ten slotte stelt de man dat de kinderen van de vrouw meerderjarig zijn en in hun eigen levensonderhoud dienen te voorzien.

2.14

Het hof overweegt als volgt. De man voert geen verweer tegen de door de vrouw opgevoerde kosten voor telefoon € 30,-, voeding € 200,- en kleding € 100,-. Het hof zal met die kosten rekening houden. De opgevoerde kosten voor de kapper en cosmetica, de reiskosten en de energielasten acht het hof - ondanks de betwisting van die kosten door de man - niet onredelijk, zodat daarmee eveneens rekening zal worden gehouden.

Ten aanzien van de kosten voor huur en zorgverzekering overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep van 3 juni 2014 gesteld dat de huurprijs op dat moment € 630,- per maand bedroeg en dat deze met ingang van 1 juli 2014 zou worden verhoogd. Zij heeft met het overleggen van een afschrift van de huurovereenkomst en van het Voorstel tot aanpassing van de huurprijs van [A] Wonen (bijlagen bij het journaalbericht van haar advocaat van 1 april 2015) de juistheid van deze stelling voldoende aannemelijk gemaakt. Het hof gaat dan ook uit van een huurprijs van € 646,- per maand met ingang van 1 juli 2014. De huur- en de zorgtoeslag die volgens de man in mindering dienen te worden gebracht op de door de vrouw opgevoerde lasten, zijn toeslagen waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen van de vrouw, waaronder door haar te ontvangen partneralimentatie. Deze kosten zullen hierna worden besproken.

Met de kosten voor de kinderen van de vrouw zal het hof geen rekening houden. De kinderen van de vrouw zijn meerderjarig, wonen in Togo en moeten worden geacht in staat te zijn in hun eigen levensonderhoud te voorzien.

2.15

Op grond van het voorgaande bedraagt de behoefte van de vrouw:

- Huur € 646,-

- Energielasten € 150,-

- Premie zorgverzekering € 128,-

- Telefoonkosten € 30,-

- Voeding € 200,-

- Kleding € 100,-

- Kapper € 50,-

- Cosmetica € 100,-

- Reiskosten € 100,-

€ 1.504,-

2.16

Gelet op het voorgaande en rekening houdend met de door de vrouw gestelde en door de man niet betwiste posten en de heffingskorting bedraagt de behoefte van de vrouw

€ 1.393,- netto per maand, ofwel € 2.451,- bruto per maand.

behoeftigheid

2.17

De man stelt dat de vrouw geheel in haar eigen behoefte kan voorzien. Hij betoogt dat zij meer uren werkt dan zij aangeeft te werken, althans haar parttime werkzaamheden kan uitbreiden.

2.18

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

2.19

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1968, heeft ter zitting van 16 april 2015 verklaard dat haar netto inkomsten per maand sinds kort gemiddeld € 500,- tot € 600,- bedragen. Uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties van december 2014 blijkt dat zij in de periode van juli tot en met december in dat jaar per maand gemiddeld zo'n € 750,- netto exclusief vakantiegeld heeft verdiend. De vrouw heeft verder verklaard dat zij wekelijks 25 tot 27 uur werkt. De vrouw stelt dat zij chronisch ziek is, hetgeen zou blijken uit de jaarlijkse tegemoetkoming op basis van de WTCG die zij ontvangt van het CAK, en dat zij niet in staat is meer uren te werken. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij om haar moverende redenen de aard van haar ziekte niet nader wenst toe te lichten.

De man heeft dit standpunt van de vrouw gemotiveerd betwist.

2.20

De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de man nagelaten te onderbouwen waarom haar ziekte haar zou beletten meer uren te werken en zich zelf zo een hoger inkomen te verschaffen. Het hof acht het evenwel niet aannemelijk dat de vrouw, gelet op haar leeftijd, haar opleidingsniveau, werkervaring en achtergrond in staat is om binnen afzienbare tijd volledig in haar eigen behoefte te voorzien. Het hof acht het redelijk aan haar een verdiencapaciteit toe te kennen van ten minste € 750,- netto per maand (inclusief vakantiegeld), ofwel € 780,- bruto per maand. Voorts heeft de vrouw in 2015 recht op huurtoeslag van € 309,- per maand en zorgtoeslag van € 78,- per maand, welke bedragen van de netto behoefte van de vrouw zullen worden afgetrokken.

2.21

De man heeft in het licht van de betwisting door de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw in de praktijk meer uren werkt dan zij aangeeft te werken.

2.22

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 942,- bruto per maand (1.393 - 309 - 78 = 1.006 netto => 1.722 bruto - 780 bruto = 942 bruto per maand).

draagkracht van de man

2.23

De draagkracht van de man tot het betalen van de door vrouw verzochte partneralimentatie is door hemzelf in eerste aanleg berekend op € 784,- bruto per maand (productie 8 bij de brief van zijn advocaat van 13 juni 2013). De man heeft ter zitting in hoger beroep van 16 april 2015 verklaard dat nadien in zijn inkomen en woonlasten geen wijzigingen zijn opgetreden. De vrouw heeft tegen de desbetreffende, door de man overgelegde draagkrachtberekening geen verweer gevoerd. Voor zover de man heeft aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht alsnog rekening moet worden gehouden met een aflossing van € 100,- per maand in het kader van een betalingsregeling voor advocaatkosten, gaat het hof aan die stelling voorbij nu de man het bestaan en de omvang van deze kosten niet nader met stukken heeft onderbouwd.

2.24

Het hof volgt, gelet op het voorgaande, de draagkrachtberekening van de man en stelt zijn draagkracht vast op € 784,- bruto per maand.

2.25

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand draagkracht voor een partneralimentatie van € 784,- per maand.

2.26

Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof te beslissen op het door de man in eerste aanleg gedane beroep op limitering van de partneralimentatie. De man heeft aangevoerd dat de termijn van de alimentatie dient te worden beperkt tot maximaal één jaar na het feitelijk uiteengaan van partijen in oktober 2012. Naar het oordeel van het hof heeft de man echter onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat in dit geval de alimentatie verplichting zou moeten worden beperkt tot een jaar. Met een algemene verwijzing en summiere interpretatie van de wetgeschiedenis zoals de man doet kan ten deze niet worden volstaan.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven in het principaal hoger beroep ten dele. De grief in het incidenteel hoger beroep faalt. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen ten aanzien van de partneralimentatie en daarover beslissen als hierna onder 4 vermeld. Het hof zal de beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen voor het overige.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juli 2013 ten aanzien van de partneralimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal voldoen € 784,- bruto per maand, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juli 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, P.M.M. Mostermans en K.J. Haarhuis en is op 2 juli 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.