Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7792

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
200.169.460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overheidsaanbesteding. Beoordeling gunningscriteria

Wetsverwijzingen
Aanbestedingswet 2012
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2016/229
JAAN 2015/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.169.460

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/167458)

arrest in kort geding van 13 oktober 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. C.W.J. Okkerse,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Provincie Overijssel,

zetelend te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Provincie,

advocaat: mr. M.J. Mutsaers.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 26 maart 2015 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo) in kort geding heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 april 2015 met grieven en met producties,

- de memorie van antwoord met producties,

- de pleidooien op 1 september 2015 overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de producties 15,16 en 17 die bij bericht van 18 augustus 2015 door mr. Okkerse namens [appellant] zijn ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

In 2010 is door gedeputeerde Staten van Overijssel besloten tot het opstarten van een onderzoeksproject naar aanleiding van de wens van particulieren om in aanmerking te komen voor de aankoop van aaneengesloten gronden van het Bureau Beheer Landbouwgronden, of op een andere manier steun te krijgen bij het realiseren van een robuust natuurgebied. In dat kader is in 2012 besloten om het Reggedal bij Enter daartoe als pilotgebied aan te wijzen.

3.2

Tegen deze achtergrond heeft de Provincie eind maart 2014 via TenderNed de aankondiging gepubliceerd van de “Marktconsultatie Hermeandering en natuurrealisatie Regge Enter: Aankoop, inrichting en beheer in één hand” om te peilen of de markt, althans de grondeigenaren in het Reggedal, daadwerkelijk interesse zouden hebben in het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van de nieuwe natuur. Met het oog hierop heeft de Provincie een “Achtergronddocument Marktconsultatie’ ter beschikking gesteld, alsmede een bijeenkomst in het provinciehuis georganiseerd op 8 april 2014.

3.3

Op 9 oktober 2014 heeft de Provincie de aanbesteding van de opdracht ‘Aanbestedingsprocedure Eigendom en Beheer Reggedal Enter’ uitgeschreven. Het betreft een openbare Europese aanbestedingsprocedure met als gunningscriterium de economisch meest voordelige inschrijving (hierna:”emvi”). De beschrijving van de opdracht en de aanbestedingsprocedure staan nader omschreven in het Beschrijvend Document (productie 1 bij inleidende dagvaarding). Daarin staat onder meer het volgende:

De provincie en het waterschap hebben besloten om het project gefaseerd (in twee aanbestedingen) in de markt te zetten. Dat betekent dat in de eerste fase een Eindbeheerder van het projectgebied zal worden gezocht. De koper van de gronden zal daarbij eveneens het eeuwigdurend beheer van het natuurgebied op zich nemen. Onderliggend document heeft betrekking op deze eerste fase. In de tweede fase van het project zal waterschap Vechtstromen als opdrachtgever de inrichtingsopgave in de markt zetten. De hierbij behorende uitvraag zal onder andere met de dan bekende Eindbeheerder worden voorbereid”.

3.4

Hierop hebben diverse inschrijvingen plaatsgevonden, onder meer van [appellant] en de combinatie Rochi Beheer B.V. & Coulisse Reaal Estate B.V. (hierna: Rochi & Coulisse ).

3.5

Er zijn drie Nota’s van Inlichtingen gepubliceerd.

3.6

[appellant] heeft zijn inschrijving op 1 december 2014 ingediend.

3.7

Bij brief van 13 januari 2015 heeft de Provincie [appellant] medegedeeld dat na beoordeling is gebleken dat zijn inschrijving niet naar voren is gekomen als de economisch meest voordelige inschrijving en daarom niet in aanmerking komt voor een voorgenomen gunning.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

In deze aanbestedingsprocedure gaat het, in de kern genomen, om de vraag of de Provincie bij haar gunningsbeslissing van 13 januari 2015 terecht heeft aangegeven dat zij voornemens is de opdracht voorlopig aan Rochi & Coulisse te gunnen. [appellant] is van mening dat genoemde opdracht aan hem had dienen te worden gegund, althans dat verboden moet worden de opdracht aan Rochi & Coulisse te gunnen en dat de opdracht opnieuw moet worden aanbesteed. [appellant] voert daartoe in de kern genomen aan dat hij in zijn inschrijving, anders dan in voornoemde brief van 13 januari 2015 is vermeld, wel degelijk meer nevenfuncties heeft bediend dan de door de Provincie genoemde twee, namelijk zes nevenfuncties, waarvan er minstens drie SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realiseerbaar en Tijdsgebonden) zijn, ten gevolge waarvan een andere waardering had moeten plaatsvinden. Verder is [appellant] van mening dat sprake is van een ongelijke behandeling omdat Rochi & Coulisse over voorinformatie beschikte, dat Rochi & Coulisse een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven door bij haar inschrijving de indruk te wekken dat zij met het Overijsselse Landschap de afspraak had gemaakt dat deze het beheer zou gaan uitvoeren terwijl gesprekken daarover tussen hen waren gestrand en dat de gunningscriteria niet duidelijk genoeg waren geformuleerd. In verband daarmee heeft [appellant] de voorzieningenrechter gevraagd primair de inschrijving van Rochi/Coulisse ongeldig te verklaren en te beslissen dat aan hem zal worden gegund, subsidiair de gunning aan Rochi/Coulisse van de eigendom en het beheer van Reggedal Enter te verbieden, althans de Provincie te verbieden uitvoering te geven aan het voornemen tot gunning daarvan over te gaan aan een ander dan [appellant] onder gelijktijdige gunning van eigendom en beheer Reggedal Enter aan [appellant] , meer subsidiair de Provincie te verbieden te gunnen aan Rochi/Coulisse onder gelijktijdige bepaling dat de provincie eigendom en beheer Reggedal/Enter opnieuw dient aan te besteden na verduidelijking van de gunningcriteria en meest subsidiair de Provincie te verbieden te gunnen aan Rochi/Coulisse onder gelijktijdige bepaling, dat de Provincie eigendom en beheer Reggedal Enter her-aanbesteedt en dat haar verboden wordt de aanbestedingsprocedure op dezelfde wijze opnieuw uit te schrijven.

4.2

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 maart 2015 de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft de voorzieningenrechter, kort samengevat, overwogen dat geen sprake is van een ongeoorloofde kennisvoorsprong van Rochi & Coulisse , dat niet is gebleken dat Rochi & Coulisse een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven over haar samenwerking met het Overijsselse Landschap, dat het aan de inschrijver is om de vragen van de aanbestedende dienst zo SMART mogelijk te beantwoorden waarbij de aanbestedende dienst niet verplicht is om in het kader van de gunningscriteria exact aan te geven op welke wijze het maximaal aantal punten kan worden verdiend en dat alleen voor rechterlijk ingrijpen plaats is in geval van aperte onjuistheden en/of onregelmatigheden, die hier niet aan de orde zijn en tenslotte dat [appellant] opheldering had moeten vragen als de gunningscriteria hem niet duidelijk waren en dat hij daarover in dit stadium van de procedure niet meer kan klagen. [appellant] is in beroep opgekomen tegen dit vonnis.

5 De beoordeling van de grieven

5.1

Alvorens tot beoordeling van de bezwaren van [appellant] tegen het bestreden vonnis over te gaan, overweegt het hof dat het verweer van de Provincie dat [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij geen duidelijke, behoorlijk geformuleerde grieven in de appeldagvaarding heeft opgenomen, moet worden gepasseerd. Grieven behoeven niet aan bepaalde vormvereisten te voldoen. Voldoende is dat uit de memorie van grieven (hier: de conclusie van eis overeenkomstig de appeldagvaarding met grieven) duidelijk blijkt op welke gronden appellant meent dat de bestreden uitspraak onjuist is. Van dat laatste is in dit geval sprake. Uit de appeldagvaarding blijkt voldoende duidelijk dat [appellant] vijf (hoofd)bezwaren tegen het bestreden vonnis heeft, hierna door het hof aangemerkt met de cijfers I tot en met V. De Provincie heeft zich daartegen ook inhoudelijk verweerd.

Voor de leesbaarheid van dit arrest zal het hof de bezwaren van [appellant] in het hiernavolgende aanduiden als Grief I, II, III, IV en V zoals de Provincie in haar memorie van antwoord heeft gedaan.

5.2

Met grief I voert [appellant] aan dat sprake is van een ongelijke behandeling, nu Rochi & Coulisse over voorinformatie beschikte. Volgens [appellant] heeft Rochi & Coulisse niet alleen eerder uitvoerig met de ambtenaren van de Provincie gesproken, maar ook na de bijeenkomst op 8 april 2014 en is er zelfs in de zomer van 2014 contact geweest. Bovendien heeft Rochi & Coulisse zich ter voorbereiding van haar inschrijving bediend van hetzelfde bureau (te weten bureau [C] ) als waarvan het Waterschap Vechtstromen (hierna: Waterschap) gebruik heeft gemaakt bij de ontwikkeling van zijn plannen voor de Regge, zodat geen sprake is van een “level playing field”.

5.3

Ten aanzien van het eerste gedeelte van deze grief oordeelt het hof dat [appellant] onvoldoende concreet heeft aangegeven om welke ambtenaren het zou gaan, wanneer en met wie er zou zijn gesproken, om welke “voorinformatie” het daarbij zou gaan en in welk opzicht de desbetreffende voorinformatie Rochi & Coulisse een voorsprong op haar concurrenten zou hebben bezorgd, zodat het hof in zoverre aan het bezwaar van [appellant] als onvoldoende gemotiveerd voorbijgaat.

Ook het tweede gedeelte van grief I faalt nu bureau [C] betrokken is geweest bij advisering over de inrichting van diverse gebieden binnen een ander deel van de Regge, namelijk de Midden Regge, dat niet hetzelfde gebied is als dat waarbinnen de gronden zijn gelegen waarop de onderhavige aanbestedingsprocedure betrekking heeft.

5.4

Grief II heeft betrekking op de vraag of Rochi & Coulisse een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven door, zoals [appellant] aanvoert, bij haar inschrijving op te nemen resp. de indruk te wekken dat zij met het Overijssels Landschap de afspraak had gemaakt dat deze het beheer zou gaan uitvoeren (en daarmee bij de Provincie het vertrouwen te wekken dat het beheer in goede handen zou zijn) terwijl haar gesprekken met het Overijssels Landschap op 19 november 2014 juist zouden zijn gestrand op een verschil van mening over het kwaliteitsniveau bij het uit te voeren beheer. Volgens [appellant] moet deze verkeerde voorstelling van zaken leiden tot diskwalificatie van de inschrijving van Rochi & Coulisse .

5.5

Ook deze grief is tevergeefs voorgesteld. Uit de aanbestedingsdocumenten (paragraaf 2.2. van het Beschrijvend Document en artikel 17.3 van de concept-overeenkomst (productie I ten behoeve van het pleidooi in eerste aanleg aan de zijde van de Provincie) blijkt dat van de te selecteren eindbeheerder wordt verwacht dat hij het beheer van zijn gronden afstemt met beheerders van aangrenzende gronden, waarbij met zoveel woorden het Landschap Overijssel wordt genoemd. Met het oog daarop heeft Rochi & Coulisse bij haar inschrijving een intentieverklaring van 28 november 2014 gevoegd (productie F ten behoeve van het pleidooi in eerste aanleg aan de zijde van de Provincie), waarin van de zijde van het Landschap Overijssel het volgende wordt verklaard:

Middels de ondertekening van deze intentieverklaring geeft bovengenoemde partij (het Landschap Overijssel, toevoeging hof) aan, indien de heren M. Roetgering en C. Bolscher de gronden gelegen in het projectgebied Reggedal Enter in eigendom krijgen, mee te willen werken aan/te participeren in het toekomstig beheer van dit projectgebied”.

Hiermee heeft het Landschap Overijssel niet verklaard dat hij het beheer van de gronden op zich zal nemen indien Rochi & Coulisse de opdracht zou verwerven. Door deze intentieverklaring bij haar inschrijving te voegen, heeft Rochi & Coulisse voldaan aan voormelde voorwaarde dat de eindbeheerder bereid moet zijn met beheerders van aangrenzende gronden samen te werken. Van het op het verkeerde been zetten, is geen sprake ook al omdat het Landschap Overijssel ná de voorlopige gunningsbeslissing nog eens de inhoud van bovengenoemde intentieverklaring heeft bevestigd. Dat [appellant] het feitelijke beheer aan het Landschap Overijssel had willen opdragen wanneer de opdracht aan hem zou zijn gegund, kan hieraan niet afdoen. Rochi & Coulisse heeft geen aanbestedingsregel overtreden, waaraan de sanctie van uitsluiting of ongeldigverklaring is verbonden, zodat diskwalificatie niet aan de orde is.

5.6

Met grief III klaagt [appellant] erover dat de Provincie heeft miskend dat in zijn Beheerconcept geen twee nevenfuncties worden bediend, maar vijf en van de educatieve en recreatieve nevenfuncties elk meerdere. Dit betekent aldus [appellant] dat hij voor het criterium “Multifunctioneel Beheerconcept” onvoldoende waardering - een 7 in plaats van een 9 - heeft gekregen, waardoor zijn definitieve inschrijvingsprijs op een te laag bedrag is bepaald.

5.7

In hoofdstuk 5 (“Gunningscriteria”) van het Beschrijvend document zijn de te hanteren gunningscriteria en de daarbij behorende beoordeling nader uitgewerkt. Volgens paragraaf 5.2.2 zullen de inschrijvingen op grond van het gunningscriterium emvi worden beoordeeld aan de hand van de informatie die door de inschrijvers is ingediend (te weten het Beheerconcept en de Inschrijvingssom) en de genoemde (sub)gunningscriteria. De (sub)gunningscriteria vallen uiteen in: (i) G1 Multifunctioneel Beheerconcept, (ii) G2 Omgevingsbewust beheer en (iii) G3 Inschrijvingssom. [appellant] richt zijn bezwaren op subgunningscriterium G1. In paragraaf 5.2.3 wordt, voor zover thans relevant, de volgende toelichting op dit subgunningscriterium gegeven:

Toelichting op het gunningscriterium

De herinrichting van de Regge en het beheer van de natuurstroken langs de Regge hebben in beginsel hoofdzakelijk als doel om de natuurfuncties en watergerelateerde functies te bereiken, te versterken en te behouden. De Reggezone heeft echter veel raakvlakken met nevenfuncties, waaronder recreatie. In bijlage L zijn de hoofdfuncties en mogelijke nevenfuncties aangegeven. Dit is geen limitatieve opsomming. (…)

De wijze waarop de Inschrijver hier invulling aan wil geven, dient te worden beschreven in een paragraaf van het Beheerconcept (…).

Beoordeling

Beoordeeld wordt de mate waarin (verschillende) nevenfuncties een plek krijgen binnen het Reggedal. Ook wordt erop gelet of de nevenfuncties bijdragen aan de uitvoering van het natuurbeheer. Eventuele nevenfuncties mogen geen afbreuk doen aan de beschreven natuur- en waterdoelen. Het beoordelingsteam beoordeelt dit (sub)gunningscriterium middels een cijfer. Het beoordelingsteam baseert haar cijfers op hetgeen hierover door de Inschrijver in het Beheerconcept is opgenomen (…). Hierbij wordt als volgt gewerkt:

(…)

De maatregelen dienen kernachtig, puntig, ter zake, relevant en SMART te zijn beschreven. Onder SMART wordt verstaan: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realiseerbaar en Tijdsgebonden”.

Bij het cijfer 7 staat het volgende vermeld:

omschrijving

Beperkt multifunctioneel, niet ondersteunend aan natuurbeheer

toelichting

Uit de beschreven maatregelen blijkt dat één of twee nevenfuncties worden bediend, welke echter geen bijdrage leveren aan het natuurbeheer en/of de maatregelen zijn onvoldoende SMART beschreven.

fictieve bijtelling

€ 25.000,-

Bij het cijfer 9 staat het volgende vermeld:

“omschrijving

Multifunctioneel natuurbeheer

toelichting

Uit SMART beschreven maatregelen blijkt twee nevenfuncties worden bediend, welke in ruime mate bijdragen aan de uitvoering van het natuurbeheer.

Of uit de omschreven maatregelen blijkt dat drie of meer nevenfuncties worden bediend, welke in beperkte mate bijdragen aan de uitvoering van het natuurbeheer en/of de maatregelen zijn onvoldoende SMART beschreven.

fictieve bijtelling

€ 75.000,-.

Als gezegd, voert [appellant] aan dat hij voor (sub)gunningscriterium G1 het cijfer 9 had moeten krijgen. Een redelijke uitleg van bovenvermelde cijferbeoordeling brengt mee dat het cijfer 9 wordt toegekend als er ófwel sprake is van maatregelen waarmee twee nevenfuncties worden bediend, die SMART zijn beschreven èn in ruime mate bijdragen aan de uitvoering van het natuurbeheer (eerste gedeelte, hierna te noemen: categorie 1), ófwel sprake is van maatregelen waarmee drie of meer nevenfuncties worden bediend, die in beperkte mate bijdragen aan de uitvoering van het natuurbeheer maar wel SMART zijn beschreven of die in ruime mate bijdragen aan de uitvoering van het natuurbeheer maar onvoldoende SMART zijn omschreven (tweede gedeelte, hierna te noemen: categorie 2).

5.8

Het hof zal de door [appellant] in zijn Beheerconcept (productie 5 bij inleidende dagvaarding) genoemde nevenfuncties aan de hand van de in de vorige rechtsoverweging vermelde criteria achtereenvolgens behandelen. Daarbij merkt het hof op dat de door [appellant] genoemde functie: “Vergroting van het waterbergend vermogen (hoofdfunctie) en daardoor een hogere natuurwaarde” - zoals [appellant] zelf ook schrijft - een hoofdfunctie en geen nevenfunctie betreft (in voormelde bijlage L zijn water en natuur als hoofdfuncties bestempeld).

Bij de beoordeling gaat het er om welke nevenfuncties [appellant] heeft geïdentificeerd, welke maatregelen (of anders gezegd: concrete acties) hij denkt te gaan nemen die bijdragen aan de uitvoering van het natuurbeheer en op welke wijze (al dan niet SMART) deze maatregelen zijn omschreven. Het hof heeft het Beheerconcept van [appellant] , evenals het beoordelingsteam van de Provincie dat heeft gedaan bij de waardering van [appellant] ’ inschrijving, op een welwillende wijze gelezen, waarbij het [appellant] niet euvel wordt geduid dat beschrijvingen van sommige nevenfuncties niet in de meest daarvoor in aanmerking komende paragraaf 5 worden genoemd. Dit in ogenschouw genomen, komt het hof tot de volgende beoordeling.

Landbouw: niet in geschil is dat de door [appellant] genoemde nevenfunctie landbouw (vleesproductie) een bijdrage levert aan de uitvoering van het natuurbeheer (door de begrazing en de beweiding). Het hof deelt het standpunt van [appellant] dat het hierbij, immers welwillend beoordeeld, om een bijdrage in ruime mate gaat. Het hof ziet niet in dat de maatregelen op dit punt onvoldoende SMART zijn omschreven, zoals de Provincie dit heeft beoordeeld. In paragraaf 2.5.a van zijn Beheerconcept geeft [appellant] concreet aan hoe in zijn visie met het hooiland zal worden omgegaan, en in hoofdstuk 6 hoe de begrazing zal plaatsvinden. Het hof tekent hierbij wel aan dat de door [appellant] genoemde nevenfunctie veeteelt in het voorgaande al is begrepen. Deze is dus terecht niet ook nog eens afzonderlijk meegeteld.

Recreatie: hetgeen [appellant] over recreatie in zijn Beheerconcept heeft opgenomen, levert ook naar het oordeel van het hof geen punten op. [appellant] stelt op het gebied van recreatie geen specifieke en/of meetbare maatregelen voor. Met de passage in paragraaf 2.8 “Het recreatief medegebruik van het gebied zal bestaan uit wandelen, fietsen, mogelijkerwijs paardrijden en watersportactiviteiten op de Regge, zoals varen met de Enterse Zomp en vissen. In het gebied zijn diverse wandel- en fietsroutes aanwezig” beschrijft [appellant] slechts de bestaande situatie en enkele vormen van recreatie. Concrete acties worden op dit punt niet aangeboden. Met de opmerking “Voor het gebied zal door Landschap Overijssel een zoneringskaart worden gemaakt waarin aanwezige rechten en voorzieningen zullen worden meegenomen” wordt ook geen duidelijke maatregel beschreven die is gericht op recreatief (mede)gebruik. De opmerking in hoofdstuk 5 “Omdat de Regge beter zichtbaar wordt in het landschap kan de Regge ook beter worden beleefd” houdt evenmin een concrete maatregel op dit punt in. De Provincie heeft deze nevenfunctie dan ook terecht niet meegeteld.

Educatie: het gaat hier om de lezingen en excursies die, zoals [appellant] in paragraaf 2.8 heeft geformuleerd, het Landschap Overijssel op aanvraag kan organiseren. Naar het oordeel van het hof kan hierin hooguit een maatregel worden gezien die in beperkte mate aan het natuurbeheer bijdraagt. Het hof onderschrijft het oordeel van de Provincie dat deze maatregel onvoldoende SMART is omschreven. De door de Provincie gegeven beoordeling acht het hof dan ook juist.

Maatschappelijke betrokkenheid/vrije tijd: Het hof schaart onder deze nevenfunctie hetgeen [appellant] in paragraaf 2.3 en 2.9 van zijn Beheerconcept heeft beschreven ten aanzien van de inzet van vrijwilligers bij het verwijderen van ongewenste opslag en het monitoren van vegetatie van fauna. Ook hierin ziet het hof een maatregel die hooguit in beperkte mate bijdraagt aan het natuurbeheer. Het hof onderschrijft het oordeel van de Provincie dat deze maatregel onvoldoende SMART is omschreven. Zo blijft het in 2.3 vaag welke concrete acties [appellant] denkt te gaan ondernemen (“Tevens zal Landschap Overijssel trachten een vaste vrijwilligersgroep te ontwikkelen die met name voor het verwijderen van ongewenste opslag zal worden ingezet. Ook zal Landschap Overijssel (…) trachten mensen werk uit te laten voeren die minder mogelijkheden op de reguliere arbeidsmarkt hebben”.) Hetzelfde geldt voor het vermelde in 2.9 (“Tevens zal Landschap Overijssel trachten een vrijwilligersgroep aan haar te binden die ingezet kan worden voor het monitoren van de vegetatie en de fauna”.) Bovendien heeft de Provincie er terecht op gewezen dat maatschappelijke betrokkenheid in de zin van omgevingsbewust beheer een aspect is dat van belang is in het kader van subgunningscriterium G2. Het hof acht het dan ook juist dat de Provincie de daarop betrekking hebbende onderdelen van het Beheerconcept van [appellant] in dat kader heeft gewaardeerd ( [appellant] heeft op dat criterium de maximale score behaald).

5.9

Vervolgens dient bezien te worden of de in 5.8 gegeven beoordeling de door [appellant] gewenste beoordeling van het cijfer 9 oplevert. Dit is niet het geval. Het beheerconcept van [appellant] valt niet onder categorie 1 omdat slechts één nevenfunctie, te weten landbouw, aan de voor deze categorie gestelde eisen voldoet (te weten dat uit SMART omschreven maatregelen blijkt dat een nevenfunctie wordt bediend die in ruime mate aan natuurbeheer bijdraagt). Evenmin valt het onder categorie 2. Immers, twee van de drie nevenfuncties die in aanmerking komen (landbouw, educatie en maatschappelijke betrokkenheid/vrije tijd) voldoen niet aan de eisen van deze categorie (de beschreven nevenfuncties educatie en maatschappelijke betrokkenheid/leisure dragen hooguit in beperkte mate bij aan de uitvoering van het natuurbeheer en de desbetreffende maatregelen zijn ook niet SMART omschreven).

Dit betekent dat het Beheerconcept, ook bij een welwillende lezing, niet het cijfer 9 voor het (sub)gunningscriterium G1 Multifunctioneel Beheerconcept kan krijgen.

5.10

Met grief IV probeert [appellant] het hof ervan te overtuigen dat, mocht de beoordeling wel op een juiste manier hebben plaatsgevonden, de gunningscriteria onvoldoende duidelijk zijn om te voldoen aan de vereisten van gelijke behandeling en transparantie. Zo is nergens geduid dat een nevenfunctie zwaarder weegt als die meerdere onderdelen bevat, terwijl nergens staat dat nevenfuncties niet meerdere (verschillende) keren zouden kunnen worden bediend. Verder is onduidelijk door wie en hoe is gescoord, aldus [appellant] .

5.11

Ook deze grief faalt. Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak (HvJ 29 april 2004, zaak C-496/99 (Succhi di Frutta) en HR 4 november 2005, NJ 2006, 204) het aanbestedingsrecht twee centrale beginselen kent: het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel. Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offerte gedane voorstel dezelfde kansen krijgen: voor alle mededingers moeten dezelfde voorwaarden gelden. Het transparantie beginsel strekt, in samenhang daarmee, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat enerzijds alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde wijze kunnen interpreteren, en anderzijds de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Dat brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsvindt, zoals de selectiecriteria.

In de aanbestedingsdocumenten, met name in de paragrafen 5.1, 5.2.1 en 5.2.3 van het Beschrijvend Document, is uiteengezet hoe de inschrijvingen worden beoordeeld. Daarin staat duidelijk vermeld dat slechts de inschrijvingen die de stappen 1, 2 en 3 hebben doorlopen, door het beoordelingsteam worden beoordeeld op de gunningscriteria. Verder wordt beschreven dat, nadat alle leden de beoordeling hebben uitgevoerd, in consensus één score voor ieder (sub)gunningscriterium wordt toegekend. De door het beoordelingsteam aan de subgunningscriteria G1 en G2 toegekende totale waarde wordt beschouwd als fictieve bijtelling op de inschrijvingssom G3. De aldus ingediende inschrijvingssom bepaalt vervolgens de emvi. Ook wordt het hier aan de orde zijnde (sub)gunningscriterium G1 en de bijbehorende beoordelings- en waarderingssystematiek uitgewerkt. Daarmee voldoet het Beschrijvend Document aan de eisen van transparantie en non-discriminatie. Verder zijn er drie Nota’s van Inlichtingen geweest, zodat inschrijvers onder wie [appellant] ruimschoots de mogelijkheid is geboden om eventuele onduidelijkheden weg te (laten) nemen door daarover vragen te stellen. Van alle inschrijvers - en dus ook [appellant] - had enige pro-activiteit mogen worden verwacht, temeer nu daarop in het Beschrijvend document (paragraaf 2.8) met zoveel woorden is gewezen. Ter opheldering van eventuele onduidelijkheden dan wel onvolledigheid had [appellant] vragen kunnen stellen. Voor zover hij geen reden heeft gezien om de gelegenheden daartoe te benutten kan daarover in dit stadium niet meer met vrucht worden geklaagd (zie HvJ EU van 12 februari 2004 in zaak C-230/02 (Grossmann Air Service). Tenslotte zijn, anders dan [appellant] lijkt te betogen, de door hem behaalde scores hem bij emailbericht van 15 januari 2015 (met als bijlage de brief van 13 januari 2015) (productie 7 bij inleidende dagvaarding) meegedeeld.

5.12

Grief V tenslotte is hetzelfde lot beschoren. Daarin klaagt [appellant] erover dat de eisen die aan de aanbesteding worden gesteld onvoldoende verband houden met de aanbesteding zelf. Volgens [appellant] had het zwaartepunt bij een kwalitatief goed natuurbeheer moeten liggen en niet op perifere zaken, zoals recreatie.

Ook hier geldt dat het op de weg van [appellant] had gelegen om zijn bezwaar vóór het sluiten van de inschrijvingstermijn naar voren te brengen. Maar ook al zou dit [appellant] niet kunnen worden aangerekend, dan nog geldt dat een aanbestedende dienst een grote mate van vrijheid toekomt bij de vaststelling van de toepasselijke eisen en criteria, uiteraard begrensd door de regels die in de Aanbestedingswet 2012 aan de te hanteren eisen en (sub)gunningscriteria worden gesteld. Zo moeten de te stellen eisen en (sub)gunningscriteria voldoende verband houden met de aard en omvang van de opdracht die wordt aanbesteed. Naar het oordeel van het hof wordt aan deze eis voldaan, mede in ogenschouw genomen dat bij deze aanbesteding sprake was van aankoop van grond en de inschrijvers werd gevraagd om een plan te maken waarin zij duidelijk maken op welke wijze het toekomstig natuurgebied zal worden beheerd en of andere gebiedsfuncties daarbij een rol krijgen (cursivering hof), aldus paragraaf 2.4.2 van het Beschrijvend Document.

5.13

Het bewijsaanbod van [appellant] zal worden gepasseerd nu hij geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, nog afgezien van het feit dat een kort geding procedure zich niet voor (uitgebreide) bewijslevering leent.

6 De slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Als niet afzonderlijk weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel van 26 maart 2015;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Provincie vastgesteld op € 711,- voor verschotten en op € 2.682,- (3 punten x tarief II) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, H.E. de Boer en H.L Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.