Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7777

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
200.158.186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Schuldeiser heeft een toewijzend vonnis in kort geding jegens de vennootschap op grond van een overeenkomst tussen hem en de vennootschap. De bestuurders van de vennootschap hebben vervolgens de inkomstenstroom die bedoeld was voor de betaling van de aan het kort geding vonnis ten grondslag liggende verplichtingen laten lopen via een onderneming waarin zij als medevennoot zelf een rechtstreeks belang hadden. De bestuurders hadden behoren te begrijpen dat de vennootschap daardoor haar verplichtingen jegens de schuldeiser zoals die voortvloeiden uit het veroordelend vonnis in kort geding niet meer zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Daarvan valt de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Daaraan doet niet af de bestuurders stellen dat de vennootschap niet langer tot nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst gehouden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2034
NJF 2015/508
JONDR 2016/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.158.186

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 136881)

arrest van 13 oktober 2015

inzake

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. M.W.G. Versendaal,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard.

Partijen zullen hierna [appellant 1] c.s. en [geïntimeerde] genoemd worden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [geïntimeerde] als eiser en (onder anderen) [appellant 1] c.s. als gedaagden gewezen vonnissen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 juli 2013 en 25 juni 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 augustus 2014;

  • -

    de memorie van grieven, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, met een productie.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals die door de rechtbank in het bestreden vonnis van 25 juni 2014 zijn vastgesteld onder 2.2 tot en met 2.9. Ook het hof gaat van deze feiten uit.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak – zakelijk samengevat – om het volgende. [geïntimeerde] heeft op 4 februari 2010 een gedeelte van de activa en passiva van de eenmanszaak [A] Handelsonderneming verkocht aan [B] B.V. Per 11 februari 2010 heet deze vennootschap Handelsonderneming [A] B.V. (hierna: [A] B.V.). [appellant 1] c.s. waren en zijn de bestuurders van [A] B.V. In de koopakte staat onder meer dat onder het verkochte is begrepen het importeurschap van het tondeusemerk ‘[X]’. De koopsom voor de activa bedroeg € 79.789,-, welke koopsom werd omgezet in een lijfrenteverplichting ten behoeve van [geïntimeerde] van € 750,- per maand gedurende een periode van tien jaar met ingang van 1 februari 2010. [A] B.V. heeft sinds augustus 2011 geen betalingen uit hoofde van deze lijfrenteverplichting meer gedaan. [A] B.V. is op vordering van [geïntimeerde] bij vonnis in kort geding d.d. 4 september 2012 veroordeeld tot nakoming van de uit de overeenkomst van 4 februari 2010 voortvloeiende lijfrenteverplichting. [A] B.V heeft aan dat vonnis niet voldaan en [geïntimeerde] heeft tevergeefs geprobeerd het vonnis ten uitvoer te leggen. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant 1] c.s. als bestuurders van [A] B.V. aansprakelijk zijn voor de schade die hij daardoor lijdt. Daaraan heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat [appellant 1] c.s. het exclusieve importeurschap van [X]-producten hebben overgeheveld naar [C] V.O.F. (hierna: [C]), waarvan [appellant 1] c.s. vennoot zijn, en dat zij [A] B.V. leeg hebben achtergelaten, waardoor [geïntimeerde] in zijn verhaalsmogelijkheden is gefrustreerd. De rechtbank heeft de hierop gebaseerde vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank richten zich de grieven in het hoger beroep. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2

Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een (indirect) bestuurder van de vennootschap. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld, waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken vennootschap ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, maar er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Bij de beoordeling of een bestuurder jegens een specifieke schuldeiser van de vennootschap waarvan hij bestuurder is onrechtmatig heeft gehandeld in de hiervoor bedoelde zin, spelen alle omstandigheden van het geval een rol.

4.3

Bij de beoordeling van de vraag of, naar de hiervoor omschreven maatstaven, grond bestaat voor aansprakelijkheid van [appellant 1] c.s., zijn de volgende - over en weer niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwiste - feiten van belang. [appellant 1] c.s. hebben met [geïntimeerde] onderhandeld over de overname van activa (en passiva) van de onderneming [A] Handelsonderneming. Ten behoeve van deze overname hebben [appellant 1] c.s. van [geïntimeerde] de aandelen in de lege vennootschap [A] B.V. gekocht en hebben partijen afgesproken dat de koopsom in de vorm van langlopende lijfrenteverplichtingen vanuit [A] B.V. aan [geïntimeerde] zou worden betaald. [appellant 1] c.s. hebben geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank (rechtsoverweging 5.7 van het bestreden vonnis) dat de lijfrente zou worden betaald vanuit de geldstromen gemoeid met de verkoop van [X]-producten, welke verkoop - naar het hof begrijpt - de belangrijkste activiteit van de onderneming betrof. Ook hebben [appellant 1] c.s. geen grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank (onder 5.6) dat zij, in hun hoedanigheid van bestuurders van [A] B.V., hebben besloten om de [X]-producten vanuit [C] te verkopen en dat [C] daarmee inkomsten verwerft, zodat het hof ook daarvan uitgaat. In ieder geval vanaf eind 2012/begin 2013, enkele maanden na het veroordelende vonnis in kort geding en de pogingen tot executoriale beslaglegging door [geïntimeerde], hebben [appellant 1] c.s. de [X]-producten alleen nog via [C] verhandeld en niet meer vanuit [A] B.V. De voorraad van [A] B.V. is naar [C] overgegaan (daarvoor is de omvangrijke factuur d.d. 31 augustus 2012 in het zicht van het kort geding vonnis opgemaakt) en in [A] B.V. worden geen activiteiten meer verricht.

4.4

Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt dat [appellant 1] c.s. de belangrijkste of mogelijk zelfs enige bron voor voldoening aan de lijfrenteverplichtingen van [A] B.V. jegens [geïntimeerde] bij [A] B.V. hebben weggehaald en de vennootschap in feite leeg hebben achtergelaten. [appellant 1] c.s. hadden redelijkerwijze behoren te begrijpen dat [A] B.V. daardoor haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] zoals die voortvloeiden uit het veroordelend vonnis in kort geding niet meer zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. [appellant 1] c.s. hebben de voorraad van [A] B.V. aan [C] overgedragen en de inkomstenstroom die bedoeld was voor de betaling van de lijfrente aan [geïntimeerde] vanaf enig moment nog uitsluitend via [C] laten lopen, ten gunste van een onderneming waarin zij als medevennoot zelf een rechtstreeks belang hadden. Daarmee hebben zij de verhaalsmogelijkheden van [geïntimeerde] illusoir gemaakt. Daarvan valt [appellant 1] c.s. onder de gegeven omstandigheden (waaronder met name dat de lijfrente zou worden betaald uit de opbrengsten van de [X]-producten) persoonlijk een ernstig verwijt te maken.

4.5

Aan dat verwijt doet niet af dat [appellant 1] c.s. zich op het standpunt stellen dat [A] B.V., vanwege tekortschieten door [geïntimeerde], niet langer tot nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van 4 februari 2010 gehouden is. Vast staat dat [A] B.V. bij vonnis in kort geding d.d. 4 september 2012 veroordeeld is tot nakoming van de uit de overeenkomst van 4 februari 2010 voortvloeiende lijfrenteverplichting. Zolang dit vonnis niet is vernietigd ([A] B.V. heeft geen hoger beroep ingesteld) of in een bodemprocedure of bij bindend advies (zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen) anders is geoordeeld, dient [A] B.V. aan dit vonnis te voldoen. Dat [A] B.V. inmiddels bij buitengerechtelijke verklaring de vernietiging en/of ontbinding van de overeenkomst van 4 februari 2010 heeft ingeroepen en dat een gerechtelijke (bodem)procedure wordt voorbereid, zoals [appellant 1] c.s. bij grief I hebben aangevoerd, maakt dat niet anders. [appellant 1] c.s. dienden als bestuurders van [A] B.V. met deze veroordeling en daaruit voortvloeiende verplichtingen jegens [geïntimeerde] rekening te houden.

4.6

Ook de omstandigheid dat [C] de inkoop voor [A] B.V. feitelijk voorfinancierde, doet aan het aan [appellant 1] c.s. te maken verwijt onvoldoende af. Dat sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak of belang voor de onderneming van [A] B.V. om de verkoop van de [X]-producten geheel via [C] te laten lopen, is onvoldoende gebleken. Ook al zag [C] zich in de opstartfase van [A] B.V. genoodzaakt om [A] B.V. werkkapitaal te verschaffen, rechtvaardigt dat nog niet zonder meer dat de in de handel in [X]-producten gelegen winstpotentie uit [A] B.V. werd weggehaald, ten koste van de verhaalsmogelijkheden voor een andere schuldeiser als [geïntimeerde]. De door [appellant 1] c.s. genoemde gunstigere fiscale regels hebben [appellant 1] c.s. niet toegelicht en ook hebben zij niet voldoende onderbouwd inzicht gegeven in de financiële situatie van [A] B.V. die hen, naar zij stellen, noopte tot het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten van [A] B.V.; voor bewijslevering op dit punt bestaat dan ook geen grond.

4.7

De conclusie is dat [appellant 1] c.s. onrechtmatig jegens [geïntimeerde] hebben gehandeld. Hierop stuiten de grieven af. Ten overvloede overweegt het hof nog dat blijkens de toelichting op grief II, die grief zich uitsluitend richt tegen de overweging van de rechtbank onder 5.6 van het vonnis van 25 juni 2014 dat [appellant 1] c.s. de enige vennoten van [C] zijn. De enkele overweging dat [appellant 1] c.s. de enige vennoten van [C] zijn is evenwel niet dragend geweest voor de beslissing van de rechtbank. Relevant voor de beoordeling door de rechtbank is de vaststelling dat [appellant 1] c.s., in hun hoedanigheid van bestuurders van [A] B.V., hebben besloten om de [X]-producten vanuit [C], waarvan zij vennoot zijn, te verkopen. Tegen die vaststelling is de grief niet gericht, zodat de grief in zoverre doel mist. Voor zover de grieven de vraag aan de orde stellen of sprake was van een exclusief importeurschap voor de [X]-producten en of [appellant 1] c.s. kan worden verweten dat zij dat importeurschap om niet van [A] B.V. naar [C] hebben overgeheveld, kunnen zij onbesproken blijven. Ook indien geen sprake was van overheveling van een (exclusief) importeurschap, en [C] reeds eerder [X]-producten verkocht, hebben [appellant 1] c.s. onrechtmatig gehandeld door de geldstromen die samenhingen met de verkoop van de [X]-producten vanaf enig moment uitsluitend via [C] en niet langer via [A] B.V. te laten lopen en daardoor te bewerkstelligen dat [A] B.V. haar verplichtingen niet meer kon nakomen en [geïntimeerde] geen verhaalsmogelijkheden meer had. Door [appellant 1] c.s. zijn voorts geen (voldoende gemotiveerd gestelde) feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere conclusie aanleiding geven, zodat het bewijsaanbod wordt gepasseerd.

4.8

Nu de grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant 1] c.s. aansprakelijk zijn voor de door [geïntimeerde] geleden schade niet slagen en nu voor het overige tegen de hoogte van de door de rechtbank toegewezen schadevergoeding en daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geen, althans geen voldoende duidelijke, grieven zijn gericht, dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. [appellant 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

  • -

    griffierecht € 704,-

  • -

    salaris advocaat € 1.631,- (1 punt x tarief IV).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 juni 2014;

veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 704,- voor verschotten en op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, F.J.P. Lock en M.B. Beekhoven van den Boezem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.