Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7750

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/00698
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:3266, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Rechtbank, door het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking voor het jaar 2013 ongegrond te verklaren, een juiste beslissing heeft genomen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2258
Belastingblad 2015/472
V-N 2016/3.27.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 14/00698

uitspraakdatum: 14 oktober 2015

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 juni 2014, nummer Awb 13/1678, in het geding tussen belanghebbende en

de directeur van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 2 te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2012 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2013 vastgesteld op € 634.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelasting voor het jaar 2013 voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 925,64.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de eerder vastgestelde waarde verminderd tot € 590.000 en de opgelegde aanslag dienovereenkomstig verminderd tot € 861,40.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak en tegen het niet tijdig nemen van een besluit op door belanghebbende ingediende bezwaarschriften betreffende de voor de jaren 2008 en volgende te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikkingen in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ten aanzien van de voor het jaar 2013 genomen beschikking bij uitspraak van 17 juni 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [A] en [B] namens de heffingsambtenaar.

1.7

Belanghebbende heeft twee pleitnota’s overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak [a-straat] 2 te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak omvat een vrijstaande woning met een schuur en een sauna, gelegen in een buitengebied en ontsloten door een zandweg. De woning, gebouwd in 2006, is voorzien van volledig houten zijwanden en gedekt met een sedumdak. De inhoud van de woning bedraagt circa 1.100 m3, de inhoud van de gemetselde kelderruimte circa 500 m3, en de oppervlakte van het perceel circa 5.230 m2, waarvan een gedeelte natuurgebied is.

2.2

Belanghebbende heeft steeds bezwaar gemaakt tegen de met betrekking tot de onroerende zaak genomen WOZ-beschikkingen voor de jaren 2008 tot en met 2013. In zijn bezwaarschriften voor de jaren na 2008 heeft hij vermeld dat hij met betrekking tot eerdere jaren bezwaar had gemaakt. Tegen de uitspraak op het bezwaar betreffende het jaar 2008 heeft belanghebbende beroep ingesteld. De Rechtbank heeft op dat beroep geen inhoudelijke beslissing genomen, doch bij uitspraak van 20 mei 2009 de zaak onder vernietiging van de uitspraak op bezwaar teruggewezen naar de heffingsambtenaar. Laatstgenoemde heeft voor dat jaar nog geen nieuwe uitspraak op bezwaar gedaan. Ook op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de beschikkingen voor de jaren 2009 en 2010 heeft de heffingsambtenaar nog geen uitspraak gedaan. Het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking voor 2011 is door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard. Op het bezwaar tegen de beschikking voor 2012 heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de vastgestelde waarde gehandhaafd.

2.3

Belanghebbende heeft bij zijn beroepschrift betreffende de WOZ-beschikking voor 2013 een kopie van zijn voor dat jaar ingediende bezwaarschrift gevoegd, waarnaar hij in zijn beroepschrift verwees. De eerste alinea van dat bezwaarschrift luidt als volgt:

"Ook dit jaar, 2013, maak ik wederom bezwaar tegen de opgelegde bovengenoemde WOZ beschikking. Uw streven om bezwaarschriften binnen 5 maanden af te handelen is helaas ook na mijn bezwaar van 30 maart 2012 niet gelukt. Het heeft naar mijn mening weinig zin dit bezwaar opnieuw volledig te motiveren. De laatste motivatie dateert van 11 mei 2011 en de eerste van 8 april 2007. (Ja, U leest het goed!) Op 20 mei 2009 heeft de Sector bestuursrecht van de rechtbank Almelo in een uitspraak mij in het gelijk gesteld betreffende de WOZ beschikking maar van een definitieve afhandeling is door de gemeente Losser nooit sprake geweest."

2.4

Ter zitting van de Rechtbank van 20 november 2013 heeft belanghebbende opnieuw naar voren gebracht dat het hem niet alleen ging om het jaar 2013, maar ook om de daaraan voorafgaande vijf jaren.

2.5

Na de zitting van de Rechtbank heeft tussen partijen en de Rechtbank een correspondentie plaatsgevonden. Tot die correspondentie behoort een brief van de heffingsambtenaar van 10 december 2013, waarin de volgende passage voorkomt:

"Bezwaar eerdere tijdvakken

Tijdens de zitting is gebleken dat ik nog uitspraak moet doen op bezwaren met betrekking tot eerdere belastingjaren. Hoewel in het onderhavige geding enkel de waarde voor belastingjaar 2013, meld ik u voor de volledigheid dat wij met belanghebbende overeen zijn gekomen dat deze bezwaarprocedures wordt afgehandeld met inachtneming van de uitspraak van uw rechtbank."

2.6

Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar een aan belanghebbende gerichte brief overgelegd met de volgende inhoud:

"Op 4 augustus 2014 ontvingen wij van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een kennisgeving met het bericht dat u hoger beroep hebt ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 juni 2014 met kenmerk 13/1678.

Naar aanleiding van deze kennisgeving hebben wij telefonisch contact met u opgenomen inzake de bezwaarschriften die momenteel nog bij ons in behandeling zijn. Wij hebben afgesproken dat wij u deze brief zenden met daarin een weergave van hetgeen wij hebben afgesproken. U kunt dit vervolgens bevestigen door uw akkoordverklaring retour te zenden.

Onze afspraak luidt als volgt:

U wilt de afhandeling van de bezwaren tegen de WOZ-beschikking voor belastingjaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014 aanhouden totdat het Gerechtshof Arnhem zich heeft uitgesproken over de waarde voor belastingjaar 2013.

Wij zullen na ontvangst van uw akkoord de behandeling van deze bezwaren aanhouden totdat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak heeft gedaan inzake de procedure 14/00698 en de waarde voor belastingjaar 2013 onherroepelijk is geworden.

We vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en zien uw akkoordverklaring graag tegemoet. Mocht u nog vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met het bovenstaande telefoonnummer."

2.7

Belanghebbende heeft hierop bij brief van 11 augustus 2014 als volgt geantwoord:

"Bijgaand zend ik U de afspraakbevestiging bezwaren zonder ondertekening retour. Het is juist dat ik op 6 augustus jongsleden een telefoongesprek met een van de medewerksters van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente heb gevoerd.

Het is echter beslist niet zo dat ik, tijdens dat gesprek, "verzocht zou hebben" mijn bezwaren over de belastingjaren 2008 t/m 2012 en 2014 aan te houden totdat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak heeft gedaan inzake de procedure 14/00698. Deze voorgaande jaren maken een essentieel onderdeel uit van mijn bezwaarschrift. Overigens is het zo dat mijn bezwaren teruggaan tot het bezwaarschrift van 8 april 2007 zoals vermeld in mijn bezwaarschrift van 18 maart 2013 en niet pas aanvangen in 2008.

Éen van de redenen om in hoger beroep te gaan was het feit dat de rechter in Zwolle in zijn uitspraak vermeldt dat in het ontstaan en loop van het geding de eiser bezwaar maakt tegen de waardepeildatum 1 januari 2012. Dit is geen correcte weergave; mijn bezwaar gaat terug tot 1 januari 2007.

Dat een rechter geen behoefte heeft om zich te verdiepen in bezwaarschriften die nooit door het GBT zijn afgehandeld is mij duidelijk. Dat hij U na de rechtszaak d.d. 20-11-2013 meldt dat hij de bezwaren van de voorgaande jaren niet ontvankelijk zal verklaren (zoals vernomen tijdens het telefoongesprek d.d. 9 december 2013 van GBT medewerkster mevr. [C] ), is voor mij onbegrijpelijk. Ook ontgaat het mij waarom U zo graag een schriftelijke getekende verklaring van mij zou willen ontvangen over een verzoek dat ik nooit gedaan heb.

Uiteraard ben ik best genegen om in een mondeling gesprek tot een vergelijk te komen over een acceptabele WOZ waarde van dit jaar en voorgaande jaren. Een afhandeling waarbij als ijkpunt de door een taxateur in dienst van het GBT opgevoerde waarde van 1 januari 2012 geldt, is echter niet in overeenstemming met de getaxeerde waarde van mijn onpartijdige taxateur. Voor mij derhalve niet aanvaardbaar."

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Rechtbank, door het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking voor het jaar 2013 ongegrond te verklaren, een juiste beslissing heeft genomen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend beantwoordt.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2012 te hoog is vastgesteld. Voorts stelt hij dat de Rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn bezwaren tegen de voor de heffingsjaren 2008 tot en met 2012 vastgestelde waarden. Ten slotte stelt belanghebbende dat hij bij de behandeling van de zaak door de Rechtbank op diverse wijzen benadeeld is: door een onjuiste weergave van zijn woorden in het proces-verbaal van de zitting, doordat na de zitting door de Rechtbank uitsluitend aan de heffingsambtenaar om nadere informatie is gevraagd, zulks zonder belanghebbende daarvan op de hoogte te stellen, doordat kopieën van na de zitting door hem aan de Rechtbank gestuurde stukken niet aan het dossier zijn toegevoegd, en doordat de rechter en de griffier na de sluiting van de behandeling ter zitting, toen belanghebbende de zaal verliet, nog gedurende circa vijf minuten met de heffingsambtenaar en diens taxateur hebben gesproken.

3.3

De heffingsambtenaar neemt het standpunt in dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Hij meent dat het beroep bij de Rechtbank niet mede betrekking had op de fictieve weigering tot het doen van uitspraak op bezwaar tegen WOZ-beschikkingen voor eerdere jaren, reeds omdat belanghebbende hem niet in gebreke heeft gesteld. De heffingsambtenaar betwist de door belanghebbende geschetste gang van zaken aan het einde van de mondelinge behandeling bij de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de vastgestelde WOZ-waarden, wat het jaar 2013 betreft tot een waarde per de peildatum van € 500.000.

3.6

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in een reeks van jaren in zijn bezwaarschriften tegen de met betrekking tot de onroerende zaak genomen WOZ-beschikkingen steeds erop gewezen dat hij over eerdere jaren bezwaar had gemaakt, waarop nog niet was beslist. Bij het tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de beschikking inzake het jaar 2013 ingediende beroepschrift heeft belanghebbende zijn bezwaarschrift gevoegd, waarnaar hij in het beroepschrift heeft verwezen. Bij de mondelinge behandeling van dat beroep is de kwestie van het uitblijven van uitspraken op bezwaar aan de orde geweest.

4.2

Onder de zojuist geschetste omstandigheden had de Rechtbank het beroepschrift behoren op te vatten als niet alleen te zijn ingediend tegen de uitspraak op bezwaar inzake de WOZ-beschikking voor het jaar 2013, maar tevens tegen de fictieve weigering van de heffingsambtenaar om uitspraak te doen met betrekking tot de eerdere jaren.

4.3

Voor zover belanghebbende de heffingsambtenaar voor 28 december 2009, de dag van inwerkingtreding van het huidige artikel 6.12 van de Algemene wet bestuursrecht, niet heeft gewezen op het uitblijven van uitspraken op bezwaarschriften, staat dit er niet aan in de weg dat het beroep mede betrekking heeft op de beschikkingen ten aanzien waarvan belanghebbende bezwaar had gemaakt en de heffingsambtenaar niet binnen de wettelijk voorziene termijn uitspraak had gedaan. Vanaf evenvermelde datum is ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht tevens vereist dat twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan in gebreke had gesteld. Anders dan de heffingsambtenaar kennelijk meent, is aan dat vereiste voldaan doordat belanghebbende in zijn bezwaarschriften telkens op het uitblijven van een beslissing over voorgaande jaren had gewezen.

4.4

Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep van belanghebbende betrekking had op de WOZ-beschikkingen voor de jaren 2009 tot en met 2013, voor zover de heffingsambtenaar ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog geen uitspraak had gedaan. De Rechtbank had het beroepschrift dienen te splitsen, belanghebbende in de gelegenheid moeten stellen zijn beroep voor de jaren voorafgaand aan 2013 nader te motiveren, en de desbetreffende zaken verder moeten behandelen. Voor het jaar 2008 heeft de Rechtbank weliswaar reeds uitspraak gedaan, doch zij heeft de zaak teruggewezen naar de heffingsambtenaar, die geen nadere uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. Ook dat jaar dient de Rechtbank opnieuw in behandeling te nemen.

4.5

Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen en de zaak terugwijzen naar de Rechtbank, opdat de Rechtbank in elk van de door belanghebbende aanhangig gemaakte zaken beslist. De Rechtbank dient zelf in de zaken te voorzien, zonder terugwijzing naar de heffingsambtenaar.

4.6

Hetgeen belanghebbende verder naar voren heeft gebracht behoeft, gelet op het voorgaande, geen behandeling.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 48,50 aan reiskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– wijst de zaken terug naar de Rechtbank ten einde deze opnieuw te behandelen, met inachtneming van deze uitspraak,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 48,50,

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het voor de behandeling van zijn zaak bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 122 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong - Braaksma als griffier.

De beslissing is op 14 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong - Braaksma )

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 oktober 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.