Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7698

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
200.175.186/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.175.186/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/110808 / JE RK 15-271)

beschikking van de familiekamer van 6 oktober 2015

inzake

[de moeder] ,

verder te noemen: de moeder,

[de vader] ,

verder te noemen: de vader,

beiden wonende te [A] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. J. Sinnema, kantoorhoudend te Emmen,

tegen

Jeugdbescherming Noord,

gevestigd te Assen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de pleegouders1],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] ,

2. [de pleegouders2],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 15 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 augustus 2015, zijn de ouders in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De ouders verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 september 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de ouders bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- een brief met bijlagen van 7 september 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

- een journaalbericht met bijlagen van 7 september 2015 van mr. Sinnema;

- een journaalbericht met bijlagen van 8 september 2015 van mr. Sinnema;

- een journaalbericht met bijlage van 10 september 2015 van mr. Sinnema.

2.4

De minderjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2003, heeft bij brief van 2 september 2015 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de zaak.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 16 september 2015 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat en de heer [B] , tolk in de taal Swahili. Namens de GI zijn verschenen de heer [C] , mevrouw [D] en de heer [E] .

3 De vaststaande feiten

3.1

De ouders zijn met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn drie (nog in leven zijnde) kinderen geboren, te weten:

- [de minderjarige1] ;

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), [in] 2010;

- [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), [in] 2011.

3.2

De ouders oefenen het gezag over de kinderen gezamenlijk uit.

3.3

De kinderen staan sinds 15 augustus 2014 (voorlopig) onder toezicht en zijn met ingang van dezelfde datum uit huis geplaatst.

3.4

[de minderjarige3] is op 7 oktober 2014 weer bij de ouders gaan wonen. In december 2014 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weer bij de ouders gaan wonen.

3.5

Bij beschikking van de kinderrechter van 3 juli 2015 is (wederom) een machtiging verleend tot (spoed)uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] met ingang van die datum voor de duur van vier weken. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.6

Bij de bestreden beschikking is de beschikking van 3 juli 2015 bekrachtigd. Tevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 5 november 2015.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in augustus 2014 met spoed uit huis zijn geplaatst vanwege het onveilige opvoedingsklimaat bij de ouders. Op 12 augustus 2014 heeft [de minderjarige1] de politie gebeld, omdat de vader de moeder met een groot keukenmes bedreigde. De politie constateerde dat de vader zichtbaar onder invloed van alcohol was en dat de moeder eveneens alcohol had gedronken. Voorts is naar voren gekomen dat regelmatig ruzies in het gezin plaatsvonden en dat de vader de moeder vaker met een mes bedreigde. De politie constateerde dat de woning waarin het gezin verbleef vervuild was, het er stonk en de kinderen er onverzorgd uitzagen. Op 13 augustus 2014 is de vader een huisverbod opgelegd. Tijdens huisbezoeken op de dagen na de melding door [de minderjarige1] is geconstateerd dat de moeder boos op haar was en haar verweet de politie te hebben gebeld. De moeder bagatelliseerde het geweld door de vader en wilde dat hij zo snel mogelijk in het gezin terug zou komen. De vader wenste echter niets meer met de moeder te maken te hebben en wilde van haar scheiden. De moeder gaf aan dat zij niet wilde samenwerken met de GI en geen hulp wilde aanvaarden, omdat het huiselijk geweld jegens haar slechts een incident betrof. Ook de vader gaf te kennen dat hij geen hulpverlening voor zijn persoonlijke problematiek wenste. Dit alles heeft ertoe geleid dat de kinderen op 15 augustus 2014 met spoed uit huis zijn geplaatst.

4.2

Na de uithuisplaatsing is een traject opgestart om met behulp van het netwerk van de ouders de veiligheid in de thuissituatie te vergroten. Om de ouders weer te laten wennen aan de gezinssituatie, ter voorbereiding op de thuisplaatsing van alle kinderen, en [de minderjarige3] de ouders het meeste miste, is [de minderjarige3] in oktober 2014 weer bij de ouders gaan wonen. Nadat de ouders [de minderjarige1] een brief hadden gestuurd waarin zij aangaven haar niets te verwijten ten aanzien van de uithuisplaatsing, en door de GI, de ouders en hun netwerk een veiligheidsplan was opgesteld, zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in december 2014 weer bij de ouders gaan wonen.

4.3

In de eerste maanden van 2015 zijn de ouders verhuisd naar een grotere woning, zijn de kinderen gestart bij een basisschool om de hoek en is [de minderjarige3] in verband met de zorgen over zijn taalontwikkeling de voorschoolse opvang vaker gaan bezoeken. Tevens is bewindvoering aangevraagd in verband met de problematische financiële situatie van de ouders en bezocht een hulpverlener van [F] het gezin wekelijks. Hoewel de eerste maanden van 2015 goed leken te verlopen en de afspraken uit het veiligheidsplan werden nagekomen, zijn de kinderen in juli 2015 opnieuw uit huis geplaatst, welke uithuisplaatsing thans ter beoordeling voorligt. Het hof overweegt hierover als volgt.

4.4

Het hof is met de GI van oordeel dat de zorgen over de thuissituatie van de kinderen sinds mei 2015 zijn toegenomen en deze dusdanig ernstig zijn dat er sprake is van een onveilig opvoedingsklimaat bij de ouders. Er zijn ernstige zorgen op verschillende levensgebieden (waaronder: taalbeheersing, financiële problematiek, dagbesteding, alcoholproblematiek, relatieproblematiek, persoonlijke problematiek, gebrek aan een ondersteunend netwerk). De GI heeft aangegeven dat de vader steeds minder open werd over de thuissituatie en dat er een gespannen sfeer in huis lijkt te hangen. De vader gaf aan dat hij geen ondertoezichtstelling meer wenste, maar wilde hierover niet met de GI in gesprek gaan. Hoewel in het veiligheidsplan de afspraak was opgenomen dat de vader geen alcoholische dranken meer zou nuttigen, heeft de hulpverlener van [F] aan de GI gemeld dat zij de vader begin juni 2015 tijdens een huisbezoek heeft aangetroffen terwijl hij bier dronk. De GI heeft te kennen gegeven dat de ouders tijdens een gesprek met de hulpverlener van [F] en de GI het alcoholgebruik door de vader hebben ontkend en dat de vader vervolgens boos is weggelopen. Hoewel de GI de ouders diverse keren hebben uitgenodigd voor een gesprek en hen thuis hebben bezocht, stelden de ouders zich volstrekt niet meewerkend op. Vaak was enkel de moeder aanwezig bij afspraken met de GI en lag de vader bij huisbezoeken op bed. Volgens de GI verloopt de communicatie met de moeder moeizaam, omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en een beperkt begripsvermogen lijkt te hebben. Ondanks pogingen van [F] bij de ouders op bezoek te gaan, werd [F] door de ouders buiten de deur gehouden. De GI heeft aangegeven dat zij van de bewindvoerder heeft vernomen dat de ouders - met name de vader - meer blijven besteden dan binnen het budget mogelijk is, waardoor de schulden weer oplopen. Voorts acht het hof het zorgelijk dat [de minderjarige1] van de ouders niet drie weken met het pleeggezin waarin zij tijdens de eerdere uithuisplaatsing verbleef op vakantie mocht, omdat zij voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] diende te zorgen. Begin juli 2015 is een zorgmelding gedaan over het gezin bij [G] , waarbij is aangegeven dat de jongste kinderen regelmatig 's avonds laat nog buiten zijn, dat regelmatig - met name door de moeder - wordt geschreeuwd tegen de kinderen, dat veel alcohol wordt gedronken door in ieder geval de vader en dat dagelijks harde muziek is te horen op tijdstippen waarop kinderen behoren te slapen. De GI heeft aangegeven dat deze zorgmelding de zorgen bevestigden die zij hadden waargenomen, te weten een grenzenloze opvoeding met veel herrie, geschreeuw en alcoholgebruik. De politie heeft tevens tijdens een huisbezoek in die periode geconstateerd dat met visite veel alcohol werd gedronken. Ook is door de politie aangegeven dat bij de ouders regelmatig personen op bezoek komen die bekend zijn met overmatig alcoholgebruik.

4.5

Weliswaar ontkennen de ouders de zorgen over de thuissituatie, maar naar het oordeel van het hof hebben zij tegenover de hiervoor beschreven signalen onvoldoende ingebracht om deze weg te nemen. Door verschillende professionele instanties, waaronder de GI, [F] en de politie, zijn grote zorgen ten aanzien van het opvoedingsklimaat bij de ouders geconstateerd. Gelet op hun deskundigheid heeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van deze instanties. De stelling van de ouders dat de zorgmelding bij [G] onjuiste informatie omvat, acht het hof op grond van de stukken en de behandeling ter zitting niet aannemelijk, te meer nu de zorgmelding de bestaande zorgen over de thuissituatie bevestigt. De vader heeft nog aangevoerd dat hij op de dag van het huisbezoek van een hulpverlener van [F] geen alcohol heeft genuttigd, maar dat hij twee blikjes bier had gekregen omdat [de minderjarige3] jarig was en dat deze ongeopend waren. Aangezien de moeder ter zitting heeft verklaard dat de vader die dag voor het laatst alcohol heeft genuttigd, gaat het hof reeds om die reden aan de stelling van de vader voorbij.

4.6

Duidelijk is ook dat er sprake is van een problematische relatie tussen de GI en de ouders. Uit de stukken en de behandeling ter zitting komt naar voren dat er noch voorafgaand aan de laatste uithuisplaatsing van de kinderen, noch nadien samenwerking van de grond is gekomen en dat de ouders zich volstrekt niet meewerkend hebben opgesteld, waardoor de ouders sinds de uithuisplaatsing geen contact meer met de kinderen hebben gehad. De moeder heeft na de uithuisplaatsing tot driemaal toe tijdens een afspraak met de GI dusdanig geëmotioneerd en dreigend gereageerd dat de GI op 10 juli 2015 heeft besloten dat de moeder de drie daarop volgende weken geen contact kon hebben met de GI. Ook kon er om die reden geen bezoekregeling zijn tussen de ouders en de kinderen. Het hof acht de herhaalde wijze waarop de moeder zich jegens de GI heeft opgesteld en de (afwachtende) rol die de vader daarin inneemt zeer zorgelijk. Het is evident dat een dergelijke (bedreigende) opstelling van de moeder, die ook niet wordt gecorrigeerd door de vader, een samenwerking met de GI in de weg staat. De ouders dienen zich te realiseren dat zij op deze wijze de mogelijkheden om te onderzoeken of al dan niet op termijn en/of met inzet van hulpverlening terugplaatsing van de kinderen bij de ouders tot de mogelijkheden behoort, ernstig frustreren. Het valt te verwachten dat de uithuisplaatsing van de kinderen in elk geval zal voortduren, indien zij zich niet coöperatief opstellen jegens de GI en andere hulpverlenende instanties. Anders dan de ouders van mening zijn, is de GI belast met de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel die door de rechter is opgelegd. Het hof wenst de ouders er voorts op te wijzen dat het niet aan hen is regels te stellen aan de samenwerking met de GI.

4.7

Gelet op de ernstige zorgen ten aanzien van het opvoedingsklimaat bij de ouders, de omstandigheid dat de ouders deze zorgen ontkennen en zij zich niet meewerkend opstellen ten aanzien van hulpverlenende instanties, is het hof van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] nog onverminderd aanwezig zijn en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft in het belang van hun verzorging en opvoeding.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking dient te bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2015;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. J.D.S.L. Bosch en
mr. M.P. den Hollander, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van
6 oktober 2015 in bijzijn van de griffier.