Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7693

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
200.171.087/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot opheffing bewind afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.171.087/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3587876 MT VERZ 14-5866)

beschikking van de familiekamer van 1 oktober 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] of de rechthebbende,

advocaat: mr. F. Gül, kantoorhoudend te Almere,

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [B] , handelende onder de naam [C] ,

kantoorhoudend te [A] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

2. [de moeder] [de moeder] [de moeder],

wonende te [D] ,

hierna te noemen: de moeder,

3. [de zus],

wonende te [D] ,

hierna te noemen: de zus,

4. [de oudste broer],

wonende te [A] ,

hierna te noemen: de oudste broer,

5. [de jongste broer],

wonende te [E] ,

hierna te noemen: de jongste broer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 26 februari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 mei 2015, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoekster] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar verzoek tot het opheffen van het bewind toe te wijzen.

2.2

De bewindvoerder heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3

De overige belanghebbenden zijn in de uitnodiging voor de zitting van het hof geïnformeerd dat zij ter zitting mondeling verweer kunnen voeren.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 31 augustus 2015 plaatsgevonden. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Gül. Tevens zijn de bewindvoerder verschenen, de moeder en de oudste broer.

2.5

Ter mondelinge behandeling heeft [verzoekster] op verzoek van het hof de beschikking van 21 april 2005 van de kantonrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, overgelegd.

3 Inleiding

3.1

De kantonrechter heeft bij voornoemde beschikking van 21 april 2005 over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoekster] een bewind ingesteld en Stichting [F] tot bewindvoerder benoemd. De bewindvoerder is nadien vervangen. Meest recent is [B] tot bewindvoerder benoemd.

3.2

[verzoekster] heeft ter zitting van de rechtbank van 2 februari 2015 verzocht om het bewind op te heffen.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kantonrechter het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen en ambtshalve bepaald dat het bewind wordt ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW, zoals dat geldt vanaf 1 januari 2014, kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 lid 1 en 2 BW, dan wel ambtshalve. Dat leidt ertoe dat [verzoekster] gerechtigd is om opheffing van de onderbewindstelling te verzoeken.

4.2

[verzoekster] is van mening dat de bewindvoering niet meer noodzakelijk is, omdat zij de dienst Sociale Zaken van de gemeente [A] kan machtigen om haar vaste lasten te betalen, waarbij het resterende bedrag van haar uitkering wekelijks naar haar kan worden overgemaakt. Daarnaast kan zij dan als uitkeringsgerechtigde via [G] gaan werken zodat zij een dagbesteding heeft.

4.3

De oudste broer en de moeder hebben aangegeven dat het ten opzichte van 2005, toen het bewind begon, veel beter gaat met [verzoekster] . De moeder heeft aangegeven dat het voor haar heel belangrijk is dat het voor [verzoekster] goed geregeld is.

4.4

De bewindvoerder heeft aangevoerd dat een goede begeleiding voor [verzoekster] nodig is. De bewindvoerder heeft erop gewezen dat de meerwaarde van het ingestelde bewind bestaat uit de bescherming die het [verzoekster] biedt.

4.5

In dit hoger beroep ligt aan het hof de vraag voor of [verzoekster] , anders dan voorheen, in staat moet worden geacht haar vermogensrechtelijke belangen naar behoren waar te nemen.

4.6

Het hof stelt voorop dat niet vast te stellen is of de noodzaak voor het destijds instellen van het bewind thans (volledig) is verdwenen. Zo ontbreken relevante bescheiden waaruit zou moeten blijken dat [verzoekster] haar leven inmiddels structureel op orde heeft en in staat is op financieel gebied zelfstandig te functioneren. Ten tijde van het verzoek tot onderbewindstelling was er bij [verzoekster] sprake van problemen met drugs en alcohol, alsmede schulden bij Justitie, zo maakt het hof op uit de brief van de moeder aan de rechtbank. Het hof wil wel aannemen dat de situatie van [verzoekster] aanmerkelijk is verbeterd ten opzichte van 2005, zoals de moeder en oudste broer ter zitting hebben verklaard. Die verbetering brengt echter nog niet mee, dat [verzoekster] inmiddels ook zelf in staat kan worden geacht haar financiële belangen waar te nemen. Van een langdurige stabiele situatie is geen sprake. [verzoekster] heeft ter zitting laten weten nog steeds verslaafd te zijn en heeft aangegeven dat zij een nerveus leven leidt. Zij gebruikt regelmatig methadon.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts duidelijk dat het contact tussen [verzoekster] en de bewindvoerder moeizaam verloopt. Ook het hof heeft, evenals de kantonrechter, ervaren dat het lastig is om een gesprek met [verzoekster] te voeren. De communicatieproblemen, waarmee [verzoekster] kampt, die overigens ook blijken uit de informatie van de moeder, zijn een belemmerende factor bij het door haarzelf adequaat beheren van haar financiën.

Alles in aanmerking nemend, acht het hof onvoldoende onderbouwd dat [verzoekster] inmiddels in staat moet worden geacht zelfstandig haar vermogensrechtelijke belangen naar behoren waar te nemen.

4.7

[verzoekster] heeft als alternatief voor het bewind aangedragen dat zij een machtiging aan de dienst Sociale Zaken van de gemeente zal geven waarbij die zal zorgdragen voor de inhouding van bepaalde vaste lasten op de uitkering. Daaruit volgt evenwel niet dat [verzoekster] ook begeleiding of hulp zal ontvangen bij haar financiële zaken. Daar komt nog bij dat het door [verzoekster] genoemde alternatief voor het bewind haar niet dezelfde bescherming in het maatschappelijk verkeer kan bieden. Het hof is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met dit alternatief.

4.8

Alles overwegende heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd dat de noodzaak van bescherming van haar vermogensrechtelijke belangen niet meer bestaat, zodat de goederen die haar (zullen) toebehoren onder bewind dienen te blijven. Dit betekent dat het hof zich verenigt met het oordeel van de kantonrechter dat het bewind moet worden gehandhaafd.

4.9

[verzoekster] heeft overigens nog geklaagd over de wijze waarop de bewindvoerder haar werkzaamheden heeft verricht. De oudste broer en de moeder hebben daar ook zorgen over. Omdat dat aspect evenwel niet tot een ander oordeel over de aan- of afwezigheid van de noodzaak van het bewind leidt en daarmee buiten het bestek van deze zaak valt, kunnen die klachten in deze procedure verder onbesproken blijven.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking

te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 26 februari 2015;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. J.G. Idsardi en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door de griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 oktober 2015.