Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7691

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
200.175.917/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:296, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faxperikelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer 200.175.917/01

(zaaknummer rechtbank R 08/13/833)

arrest van 8 oktober 2015

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R.J. Hoogeveen, kantoorhoudende te Almelo.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2013 is ten

aanzien van [appellante] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 augustus 2015

is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 26 augustus 2015, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis van 17 augustus 2015 te vernietigen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder van mr. Hoogeveen een faxbericht van 5 oktober 2015 (zonder bijlagen) een faxbericht van 6 oktober 2015 met bijlagen, en een faxbericht van 7 oktober 2015 (met als bijlage het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank).

Van mevrouw [naam] (hierna: de bewindvoerder) zijn ingekomen

een brief van 30 september 2015, met bijlagen en een brief van 5 oktober 2015, met bijlagen.

Via een e-mail van 7 oktober 2015 is van de bewindvoerder ook het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank bij het hof ingekomen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de bewindvoerder, vergezeld van haar kantoorgenoot de heer [naam] .

3 De ontvankelijkheid van het appel

3.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 351, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw)

kan in zaken waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds is beëindigd door de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 17 augustus 2015 de ten aanzien van [appellante] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd. [appellante] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld dat eerst op 26 augustus 2015 ter griffie van het hof is ontvangen, derhalve ná het verstrijken van de in artikel 351, eerste lid, Fw bepaalde termijn.

3.3

In het belang van een goede rechtspleging dient omtrent het tijdstip waarop een termijn aanvangt (en eindigt) duidelijkheid te bestaan en derhalve dient aan de beroepstermijn in beginsel strikt de hand te worden gehouden. Het hof moet onderzoeken of op de strikte handhaving van de beroepstermijn in het onderhavige geval een uitzondering dient te worden gemaakt. De griffier heeft de advocaat van [appellante] voor de zitting gewezen op de ontvankelijkheidsvraag.

3.4

Mr. Hoogeveen heeft ter zitting verklaard dat het beroepschrift aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zowel per post als per faxbericht is verzonden op

25 augustus 2015. Mr. Hoogeveen heeft ook een ontvangstbevestiging van de verzending van het faxbericht ontvangen en op verzoek van het hof overgelegd. Het nummer waar het beroepschrift op 25 augustus 2015 naar toe zou zijn gefaxt is het nummer van civiele griffie van de locatie Arnhem van het hof.

3.5

Het hof overweegt dat stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend. Andersluidende bepalingen in procesreglementen zijn onverbindend; de in art. 33 lid 1 Rv neergelegde beperking van het elektronisch verkeer tot gevallen waarin daarin is voorzien in een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement, geldt niet voor faxverkeer, zo oordeelde de Hoge Raad nog op 17 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1078). Indiening per fax is nader geregeld in artikel 33 Rv. Het derde lid van dat artikel bepaalt dat als tijdstip waarop een processtuk door een gerecht elektronisch is ontvangen, het tijdstip geldt waarop het processtuk een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht verantwoordelijkheid draagt.

3.6

Het hof heeft op geen van beide locaties een faxbericht van mr. Hoogeveen inzake het beroep van [appellante] ontvangen. Eerst op 26 augustus 2015 is het beroepschrift per post ingekomen bij het hof (locatie Arnhem) en vervolgens direct doorgezonden naar locatie Leeuwarden. In het dossier bevindt zich een emailbericht van een senior administratief medewerkster van het hof (locatie Arnhem) van 26 augustus 2015 aan haar collega in Leeuwarden dat een beroepschrift bestemd voor Leeuwarden is binnengekomen, dat uit het begeleidend schrijven blijkt dat de advocaat het stuk op 25 augustus 2015 heeft gefaxt, dat zij de faxen van 25 augustus 2015 heeft doorgenomen, doch dat daarbij geen stukken van mr. Hoogeveen zijn aangetroffen.

3.7

Het hof stelt vast dat uit niets blijkt dat op 25 augustus 2015 daadwerkelijk een fax van mr. Hoogeveen is binnengekomen.

3.8

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 33 Rv blijkt dat de minister heeft verwezen naar art. 3:37 lid 3 BW, dat inhoudt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, heeft echter ook haar werking indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. Wanneer door een stroomstoring buiten de schuld van het gerecht een bericht aan het gerecht niet of niet juist overkomt, zal dat voor risico van de verzender komen. Hetzelfde geldt indien berichten niet worden ontvangen door problemen met de internetserviceprovider van de rechtzoekende of diens advocaat; ook dit zal voor risico van de rechtzoekende zijn. Met betrekking tot de mogelijkheid dat bijvoorbeeld het faxpapier in het gerechtelijk faxapparaat op is, waardoor (verdere) verzending niet mogelijk is, achtte de minister het tijdens de parlementaire behandeling van art. 33 Rv oud gerechtvaardigd dat de verzender met dit risico rekening dient te houden. Het ophouden van berichten of stukken bij de eindserver komt ingevolge art. 33 lid 3 Rv niet voor risico van de rechtzoekenden of hun advocaten.

3.9

Dat van dat laatste sprake is geweest, is niet gebleken: immers ter griffie op de locatie Arnhem is nimmer een beroepschrift per fax in deze zaak ontvangen. Mr. Hoogeveen heeft een emailbericht van SpeakUp eFax overgelegd dat de fax op 25 augustus 2015 om 11.36 succesvol was verzonden bij de eerste poging. Mr. Hoogeveen heeft ter zitting aangegeven dat dat het programma is dat zijn kantoor gebruikt voor de verzending van faxen vanuit de computer. Het hof merkt SpeakUp eFax niet aan als een systeem voor gegevensverwerking waarvoor het gerecht verantwoordelijkheid draagt. Wat er tussen dat systeem en de fax op de griffie in de locatie Arnhem is gebeurd, is niet helder geworden. Gelet op de ontvangsttheorie van artikel 3:37 BW komst zulks evenwel voor rekening van de verzender.

3.10

Het hof stelt derhalve vast dat niet gebleken is van een eerdere indiening van het beroepschrift per fax bij het hof op 25 augustus 2015, zodat het hof uitgaat gaat van 26 augustus 2015 als datum van indiening van het beroepschrift, derhalve buiten de onder 3.1 bedoelde termijn. Het hof ziet in de pogingen van mr. Hoogeveen om het beroepsschrift tijdig per fax in te dienen als zodanig geen reden om een uitzondering te maken op het op het uitgangspunt dat aan de beroepstermijn (in beginsel) strikt de hand dient te worden gehouden.

Ook verder zijn er geen omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat in de onderhavige zaak een uitzondering dient te worden gemaakt.

3.11

Het vorenstaande brengt mee dat [appellante] niet kan worden ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep tegen voornoemd vonnis.

3.12

Het hof heeft zijn beslissing - na een korte schorsing van de behandeling - ter zitting aan de aanwezigen reeds medegedeeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Jonkman, mr. J.H. Kuiper en mr. J. Evenhuis op

8 oktober 2015 en verzonden op 13 oktober 2015.