Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7572

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
21-002447-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:3907, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1342, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte ter zake poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002447-15

Uitspraak d.d.: 13 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 april 2015 met parketnummer 16-661479-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum]

thans gedetineerd te [locatie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 september 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Crombach, naar voren is gebracht.

Tevens heeft het hof kennis genomen van hetgeen namens de benadeelde partij [slachtoffer] , door zijn raadsman mr. B.J. de Pree naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en bewijsconstructie komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

Primair


hij op of omstreeks 11 mei 2014 te Soesterberg, gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een glas en/of een mes, althans met een (steek)wapen en/of een ander scherp voorwerp voornoemde [slachtoffer] in/tegen de rug/het lichaam heeft geslagen/gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair


hij op of omstreeks 11 mei 2014 te Soesterberg, gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een of meer steekwonden en/of een klaplong en/of een geperforeerde long), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een glas en/of een mes, althans met een (steek)wapen en/of een ander scherp voorwerp in/tegen zijn rug/lichaam te slaan/steken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder primair impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met de procespartijen en de rechtbank is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte overeenkomstig een vooropgezet plan heeft gehandeld.

Bewijs 1

Verklaring [slachtoffer]

Op 11 mei 2014 zag [slachtoffer] dat [medeverdachte] , die hij eerder die avond samen met [verdachte] uit zijn café in Soesterberg - gemeente Soest - had gezet, zich weer in zijn kroeg bevond. [slachtoffer] is met [medeverdachte] naar buiten gegaan. Op enig moment stonden zij op de oprit naast het café. [medeverdachte] stond voor [slachtoffer] en ze waren in discussie. Opeens, uit het niets voelde [slachtoffer] twee klappen op zijn rug. Hij draaide zich om en zag dat [verdachte] zich achter hem bevond en dat hij wegrende. [slachtoffer] zag dat hij bloed verloor en dat zijn kleding onder het bloed zat. [slachtoffer] werd ook erg benauwd. [slachtoffer] hoorde [medeverdachte] zeggen: “Hij heeft je gestoken”. [slachtoffer] weet zeker dat [medeverdachte] niets in zijn handen had.2 In het ziekenhuis hoorde [slachtoffer] dat er op twee plaatsten aan de bovenzijde van zijn rug een steekwond zat. Hierdoor heeft [slachtoffer] een klaplong opgelopen. Er is een drain ingebracht om opnieuw een klaplong te voorkomen.3

Letsel [slachtoffer]

Uit het proces-verbaal van bevindingen van brigadier [verbalisant] volgt dat hij, [verbalisant] , van de verpleegkundige van het ziekenhuis vernam dat [slachtoffer] een diepere steekwond had aan de linker- achterzijde van zijn rug, onder het schouderblad, en dat door deze steekwond de linkerlong was ingeprikt, waardoor een klaplong was ontstaan.4

Uit de geneeskundige verklaring volgt dat bij [slachtoffer] op 11 mei 2014 een steekwond bij schouderblad links tot in de borstholte en een steekwond rechts overgang hals/schouder is waargenomen. Ook is een thoraxdrain, een drain in de borstkast, geplaatst op de spoedeisende hulp.5

Verklaring [getuige]

Op 11 mei 2014 zag [getuige] dat [medeverdachte] en [slachtoffer] naar buiten liepen in de richting van de steeg naast het café. [getuige] is vervolgens ook naar buiten gelopen. Hij zag [medeverdachte] voor [slachtoffer] staan. Plotseling zag hij [verdachte] in de richting van [medeverdachte] en [slachtoffer] rennen. Hij zag dat [verdachte] bij [slachtoffer] meerdere bewegingen met zijn arm maakte alsof hij hem stompte of stak. Hij zag dat [verdachte] achter langs hem wegrende.6

Verklaring verdachte

Op 11 mei 2014 was verdachte samen met [medeverdachte] uit de kroeg gezet door [slachtoffer] . Verdachte en [medeverdachte] voelden zich daardoor vernederd. Verdachte en [medeverdachte] zijn vervolgens terug naar de kroeg gegaan en [medeverdachte] ging het café in. Verdachte hoorde dat [medeverdachte] en [slachtoffer] naar buiten kwamen en zag dat [medeverdachte] en [slachtoffer] in het steegje naast het café terechtkwamen. Verdachte is op [slachtoffer] afgerend.7 Er stond niemand direct om [slachtoffer] en [medeverdachte] heen.8

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de hierboven gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Tegenstrijdigheden getuigenverklaringen

De raadsman heeft betoogd dat getuigen [slachtoffer] , [getuige] en [getuige 2] tegenstrijdig hebben verklaard waardoor die verklaringen onvoldoende overtuigend zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Het hof heeft uit de hierboven vermelde bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] , de overtuiging bekomen dat verdachte het hem onder primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Weliswaar zijn de verklaringen die deze getuigen bij de politie en bij de rechter-commissaris hebben afgelegd niet geheel gelijkluidend maar in de kern stemmen deze verklaringen naar het oordeel van het hof voldoende overeen.

Voorwaardelijk opzet

De raadsman heeft betoogd dat, vanwege het ontbreken van de aanmerkelijke kans op overlijden, geen sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] , zodat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder primair impliciet subsidiair tenlastegelegde. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de diepte van de verwondingen, dat niet is komen vast te staan dat is gestoken met een mes, alsmede dat niet kan worden vastgesteld dat met kracht is gestoken.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer] door diens kleding heen met een scherp voorwerp in de rug heeft gestoken. [slachtoffer] heeft hierdoor een wond tot in de borstholte en een wond bij de overgang hals/schouder opgelopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat in/nabij de hals en in de borstholte zich belangrijke vitale organen en/of slagaders bevinden. Een van deze organen, de linkerlong, is ook daadwerkelijk door verdachte geraakt. Het hof concludeert daaruit dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte [slachtoffer] met kracht heeft gestoken. Bovendien leidt het hof uit het dossier af dat verdachte flink heeft gebloed. Het shirt van aangever was immers doordrenkt met bloed.9 Het bloed liep over de rug van [slachtoffer] in diens schoenen. Zijn overhemd was totaal doorweekt. Het bloed gutste uit de wonden.10

Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood van aangever zou intreden. Het verweer van de raadsman wordt bijgevolg verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair


hij op of omstreeks 11 mei 2014 te Soesterberg, gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een glas en/of een mes, althans met een (steek)wapen en/of een ander scherp voorwerp voornoemde [slachtoffer] in/tegen de rug/het lichaam heeft geslagen/gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte is samen met een vriend door aangever uit diens kroeg gezet. Verdachte is later die avond teruggekomen naar het café en heeft aangever tweemaal op lafhartige wijze - namelijk onverhoeds in zijn rug - gestoken. Aangever heeft hierdoor een klaplong opgelopen en behoorlijk wat bloed verloren. Het hof acht, gelet op de ernst van het feit en waarbij het hof in ogenschouw heeft genomen wat in strafzaken bij dergelijke delicten pleegt te worden opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof ziet, anders dan door de advocaat-generaal is geëist geen aanleiding verdachte een voorwaardelijk deel met daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden op te leggen zoals ook door de reclassering is geadviseerd in het reclasseringsrapport van 28 januari 2015.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.405,05. Tevens is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 4.993,04. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot in totaal € 4.993,04 bestaande uit € 2.693,04 materiële schade en € 2.300,- immateriële schade. Een en ander vermeerderd met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is aangevoerd dat de geleden schade door de niet afgerekende bonnetjes van enkele gasten van het café ad € 412,- een direct gevolg zijn van het handelen van verdachte zodat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partij heeft immers, doordat hij was neergestoken, deze gelden niet bij zijn gasten kunnen innen. De advocaat-generaal en de raadsman van verdachte hebben op dit punt betoogd dat niet kan worden gesproken van ‘rechtstreekse schade’.

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de geleden schade ten gevolge van de niet afgerekende bonnetjes door gasten geen rechtstreeks gevolg is van het handelen van verdachte. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet in haar vordering worden ontvangen. Zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder primair impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een mobiele telefoon, merk Samsung, grijs/zwart, goednummer 1147901.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een mobiele telefoon, merk Samsung, zwart, goednummer 1148399;

- een mobiele telefoon, merk Samsung, wit, goednummer 1148401;

- een zilveren ketting, met hanger en kruis, goednummer 1148402;

- een asbak, goednummer 1170449;

- een bivakmuts, goednummer 1170448;

- een bivakmuts, goednummer 1170445.

Vordering van de benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.993,04 (vierduizend negenhonderddrieënnegentig euro en vier cent) bestaande uit € 2.693,04 (tweeduizend zeshonderddrieënnegentig euro en vier cent) materiële schade en € 2.300,- (tweeduizend driehonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.993,04 (vierduizend negenhonderddrieënnegentig euro en vier cent) bestaande uit € 2.693,04 (tweeduizend zeshonderddrieënnegentig euro en vier cent) materiële schade en € 2.300,- (tweeduizend driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 (negenenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. M. Keppels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,

en op 13 oktober 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover niet anders is vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwijzen naar bewijsmiddelen uit het dossier doorgenummerd van pagina 1 tot en met 262. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 p.24-25.

3 p. 26.

4 p. 28.

5 p. 140, zijnde een geschrift als bedoeld in als bedoeld in artikel 344.1.5° van het Wetboek van Strafvordering.

6 p. 30.

7 p. 60.

8 p. 62.

9 p. 12.

10 p. 163.