Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7562

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
21-006812-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:585, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor (onder meer) overtreding van artikel 96, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Verdachte heeft, niet ingeschreven staande in het zogeheten BIG-register, buiten noodzaak een behandeling verricht op het gebied van de individuele gezondheidszorg, te weten een behandeling met ibogaïne, ten gevolge waarvan het slachtoffer een hartstilstand heeft ondervonden. Verdachte heeft hiermee buiten noodzaak schade veroorzaakt aan de gezondheid van het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 96
Opiumwet
Opiumwet 2
Opiumwet 3
Opiumwet 10
Opiumwet 11
Geneesmiddelenwet
Geneesmiddelenwet 18
Geneesmiddelenwet 40
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 14
Wetboek van Strafvordering 57
Wetboek van Strafvordering 62
Wetboek van Strafvordering 255
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36f
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 2
Wet op de economische delicten 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2016/11 met annotatie van prof. mr. T.M. Schalken
GZR-Updates.nl 2015-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006812-14

Uitspraak d.d.: 9 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 november 2014 met parketnummer 16-710744-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1 september 2015 en 9 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. W.H. Boomstra, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, behoudens voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de feiten 1, 5 en 7, de strafoplegging en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Bij feit 1 komt het hof tot een andere bewijsbeslissing en bij de feiten 5 en 7 tot een andere bewijsconstructie dan de rechtbank.

Gelet op het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de feiten 1, 5 en 7, de strafoplegging en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen te worden vernietigd en dient in zoverre opnieuw recht te worden gedaan. Voor het overige dient het vonnis - met overneming van gronden - te worden bevestigd.

De tenlastelegging

De feiten ten aanzien waarvan het hof tot andere beslissingen komt dan bevestiging, luiden als volgt:

Feit 1

zij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 2 juli 2012

te [plaats] , althans in Nederland, terwijl zij, verdachte, niet ingeschreven

stond in een register (overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 eerste lid van

de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (het zogenaamde

BIG-register), meermalen, althans eenmaal, buiten noodzaak een (of meer)

behandelingen(en) heeft verricht en/of uitgevoerd op het gebied van de

individuele gezondheidszorg, te weten

(anti-verslavings)behandelingen bij een of meer perso(o)n(en) (te weten [betrokkene 1]

en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4]

en/of [betrokkene 5] ) door behandeling met en/of toediening van iboga(ïne)

zijnde een middel (dat)

- door de Europese en Amerikaanse medische autoriteit(en) niet erkend is als

geneesmiddel tegen verslaving) en/of het bezit/gebruik van iboga(ïne)

vanwege (de kans op) (levensbedreigende) bijwerkingen en/of

(levensbedreigende) risico's voor de gezondheid in diverse landen verboden is

en/of

- na toediening en/of inname van (vooral hoge(re)) doseringen iboga(ïne) een

of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken, waaronder ernstige en/of

levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of

neurotoxiciteit) en/of

- alleen onder (para)-medische zorg veilig gebruikt kan/mag worden,

terwijl zij verdachte als hulpverlener en/of zorgverlener niet, althans

onvoldoende, medisch geschoold was en (dus)

bij het verrichten van bovengenoemde (be)handeling(en), zichzelf

(redelijkerwijs) niet (voldoende) bekwaam en/of bevoegd kon of mocht achten

en/of verdachte (derhalve) wist en/of ernstige reden had om te vermoeden dat

zij schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die

perso(o)n(en), althans van een ander of anderen heeft veroorzaakt,

bestaande (die aanmerkelijke kans op) schade mede uit, dat zij, verdachte,

- de woning/behandelkamer van waaruit zij, verdachte, behandelingen met

ibogaïne verrichte, niet, althans onvoldoende, medisch geëquipeerd was en/of

- voornoemde perso(o)n(en) die zij, verdachte, behandelde met iboga(ïne)

voorafgaande aan de behandeling medisch niet, althans onvoldoende, onderzocht

(ten einde pre-existente en/of actuele medische of psychische aandoeningen die

als contra-indicatie voor het gebruik van iboga(ïne) hebben te gelden, uit te

sluiten) en/of

- voornoemde perso(o)n(en) die zij, verdachte, niet althans onvoldoende, te

begeleiden vóór en/of tijdens en/of na inname van iboga(ïne) (ten einde te

monitoren of zich levensbedreigende, althans voor de gezondheid bedreigende

bijwerkingen en/of risico's zouden voordoen) en/of

- voornoemde perso(o)n(en) te behandelen met iboga(ïne) zonder de (constante)

(para-)medische zorg en/of

- voornoemde perso(o)n(en) geen (adequate) nazorg heeft geboden,

ten gevolge waarvan

- voornoemde [betrokkene 2] hartritmestoornissen heeft ondervonden,

- voornoemde [betrokkene 3] in hallucinerende toestand is komen te verkeren waarna hij

van grote hoogte is gesprongen met botbreuken ten gevolge,

- voornoemde [betrokkene 5] in hallucinerende/psychotische toestand is komen te

verkeren en vervolgens de A2 is opgelopen en is doodgereden,

- voornoemde [betrokkene 4] een hartstilstand heeft ondervonden;

Feit 5

zij op of omstreeks 21 november 2011 te [plaats] , althans in Nederland,

vijftien, althans een of meer, fles(sen) medicinale zuurstof, zijnde (een)

geneesmiddel(en) waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad heeft

gehad en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld

en/of heeft ingevoerd;

Feit 7

zij op of omstreeks 20 maart 2011 te [plaats] , althans in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 225,83 gram, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging

De rechtbank is er bij haar beoordeling van de tenlastelegging vanuit gegaan dat deze is gebaseerd op het tweede lid van artikel 96 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en - gelet op de formulering van de tenlastelegging - deze zo gelezen moet worden dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij schade of de aanmerkelijke kans daarop, zou gaan veroorzaken.

Het hof leest de tenlastelegging, die gelet op de tekst van artikel 96, eerste en tweede lid, van de Wet BIG niet uitblinkt door helderheid en ook niet goed aansluit bij die wettekst, aldus, dat aan verdachte wordt verweten:

dat zij ten aanzien van een of meer in de tenlastelegging genoemde personen buiten noodzaak handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg - bestaande in behandeling met iboga(ïne) - heeft verricht, terwijl

  • -

    zij niet stond ingeschreven in het BIG-register en

  • -

    zij tot die handelingen niet (voldoende) bevoegd en/of bekwaam was en/of

  • -

    zij bij een of meer van die personen gezondheidsschade of een aanmerkelijke kans daarop heeft veroorzaakt en/of

  • -

    zij van die schade of aanmerkelijke kans wist en/of ernstige reden had om die te vermoeden,

waarbij de aanmerkelijke kans daarop mede gelegen is in het feit dat de behandeling(en) plaatsvond(en) zonder (voldoende) medische toerusting, medisch onderzoek, begeleiding, (para)medische zorg en/of adequate nazorg, en waarbij de schade bij vier personen heeft bestaan uit respectievelijk hartritmestoornissen, hallucinaties, een hallucinerende/psychotische toestand en een hartstilstand.

Aldus gelezen houdt het verwijt - kort gezegd - in:

dat verdachte buiten noodzaak een of meer personen een behandeling met iboga(ïne) heeft gegeven, waardoor bij die perso(o)n(en) hartritmestoornissen, hallucinaties, een hallucinerende/psychotische toestand en/of een hartstilstand is/zijn opgetreden, terwijl

verdachte tot het geven van die behandeling onvoldoend bevoegd en/of bekwaam was,

en/of wist of ernstig moest vermoeden door die behandeling gezondheidsschade of een aanmerkelijke kans daarop te veroorzaken, nu die behandeling met, medisch gezien, onvoldoende zorg omkleed was.

Handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg

De personen zoals opgenomen in de tenlastelegging, te weten [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , zijn bij verdachte geweest om onder haar begeleiding iboga(ïne) in te nemen en hebben ook daadwerkelijk ibogaïne (zijnde de werkzame stof in iboga) tot zich genomen. Deze behandeling strekte ertoe dat zij door toepassing van iboga(ïne) zouden worden genezen van hun middelenverslaving. Het hof stelt vast dat verdachte hiermee handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichtte, zoals bedoeld in artikel 96 Wet BIG. Tevens staat vast dat verdachte niet was ingeschreven in het BIG-register.

Buiten noodzaak behandelen/schade veroorzaken

Indien bewezen kan worden dat verdachte - zoals ten laste gelegd - buiten noodzaak heeft behandeld, en daarbij gezondheidsschade of de aanmerkelijke kans daarop heeft veroorzaakt, staat daarmee tevens vast dat ook die schade of de kans daarop buiten noodzaak is veroorzaakt. Onder ‘buiten noodzaak’, welk begrip is ontleend aan artikel 96, eerste lid, van de Wet BIG, verstaat het hof in dit verband een situatie anders dan die waarin acute geneeskundige zorg noodzakelijk blijkt die op dat moment niet door een bevoegde behandelaar kan worden verleend.

De wetgever heeft niet omschreven welke in dit verband de betekenis is van het begrip ‘schade’. Naar het oordeel van het hof dient als ‘schade’ in de zin van artikel 96 Wet BIG in ieder geval te worden aangemerkt een benadeling van de gezondheid in de zin van artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat wil zeggen een daadwerkelijke, al dan niet tijdelijke, verslechtering van de lichamelijke of geestelijke gesteldheid.

In het bijzonder op grond van de deskundigenrapportages kan worden vastgesteld dat gebruik van ibogaïne onder meer leidt tot een hallucinatoire fase waarin, door verminderd realiteitsbesef, sprake is van een significant afgenomen handelingsbekwaamheid bij een patiënt. Deze situatie ontstaat kort na de inname van ibogaïne. Naar het oordeel van het hof kan een dergelijk gevolg van het gebruik van ibogaïne worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de geestelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de opzet en redactie van de tenlastelegging echter dat de steller van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad op deze reguliere situatie die zich in vrijwel alle gevallen voordoet (vlak) na het innemen van iboga(ïne). Beoogd is kennelijk de schade en/of de aanmerkelijke kans daarop toe te spitsen op (de) vier opgetreden, in de tenlastelegging expliciet benoemde gezondheidsschades (bij de [betrokkene 2] hartritmestoornissen; bij [betrokkene 3] een hallucinerende toestand waarna letsel door een sprong; bij [betrokkene 5] een hallucinerende/psychotische toestand waarna dodelijk verongelukken bij oversteken van een snelweg; bij [betrokkene 4] een hartstilstand), en derhalve het oog gehad op de toestand tijdens respectievelijk direct voorafgaand aan deze (bijna) fatale gebeurtenissen.

Het hof dient zich - ten einde denaturering van de tenlastelegging te voorkomen - daarom bij de beoordeling te beperken tot de in de tenlastelegging expliciet genoemde schadegevallen.

[betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 5]

Ten aanzien van deze betrokkenen overweegt het hof dat zich naar zijn oordeel in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden om de in de tenlastelegging expliciet genoemde hartritmestoornissen bij de [betrokkene 2] , de toestand waarin [betrokkene 3] van grote hoogte is gesprongen met botbreuken ten gevolge en de toestand waarin [betrokkene 5] de A2 is opgelopen en is doodgereden, toe te kunnen schrijven aan de effecten van de behandeling met ibogaïne. Onder andere is in enkele van deze gevallen sprake van een zodanig tijdsverloop tussen de inname van die iboga(ïne) en het moment van het optreden van de gezondheidsschade, dat een causaal verband tussen die inname en de in de tenlastelegging specifiek genoemde opgetreden gezondheidsschade of de toestand waarin deze is ontstaan niet is vast te stellen.

Het hof spreekt verdachte derhalve in zoverre vrij van het onder 1 tenlastegelegde.

[betrokkene 4]

Dit is anders waar het betreft de in de tenlastelegging genoemde schade die [betrokkene 4] heeft opgelopen, te weten een hartstilstand. Deze gezondheidsschade is kort na de behandeling met iboga(ïne) ontstaan, terwijl uit de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg kan worden afgeleid dat hartritmestoornissen - die kunnen leiden tot een hartstilstand - een bekende bijwerking van het gebruik van iboga(ïne) vormen. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat enige andere, buiten het gebruik van ibogaïne gelegen oorzaak voor het bij [betrokkene 4] ontstaan van die hartstilstand niet is gebleken of aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel dat tussen de toediening van de ibogaïne en het optreden van de hartstilstand een oorzakelijk verband bestaat.

De aldus opgetreden hartstilstand kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de lichamelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG. De behandeling met iboga(ïne) vond buiten noodzaak plaats en de schade is derhalve ook buiten noodzaak veroorzaakt.

Voorafgaand aan de behandeling heeft [betrokkene 4] zijn hart laten onderzoeken bij een cardioloog. Nu er door de cardioloog geen afwijkingen waren geconstateerd, en ook anderszins niet gebleken is van een gezondheidssituatie waarin de toediening van ibogaïne bij neven tot hartfalen zou kunnen leiden, kan niet worden gesteld dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat haar handelen bij [betrokkene 4] een hartstilstand of de aanmerkelijke kans daarop zou veroorzaken. Van afwezigheid van alle schuld is echter geen sprake, nu hartritmestoornissen - welke kunnen leiden tot een hartstilstand - blijkens de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg een bekende bijwerking van ibogaïne vormen.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [betrokkene 4] buiten noodzaak heeft behandeld met ibogaïne, ten gevolge waarvan [betrokkene 4] een hartstilstand heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 5 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

zij in op of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 25 augustus 2011 2 juli 2012

te [plaats] , althans in Nederland, terwijl zij, verdachte, niet ingeschreven

stond in een register (overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 eerste lid van

de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (het zogenaamde

BIG-register), meermalen, althans eenmaal, buiten noodzaak een (of meer)

behandeling (en) heeft verricht en/of uitgevoerd op het gebied van de

individuele gezondheidszorg, te weten

(anti-verslavings) behandeling en bij een of meer perso(o)n(en) (te weten [betrokkene 1]

en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4]

en/of [betrokkene 5] ) door behandeling met en/of toediening van iboga(ïne)

zijnde een middel (dat)

- door de Europese en Amerikaanse medische autoriteit(en) niet erkend is als

geneesmiddel tegen verslaving) en/of het bezit/gebruik van iboga(ïne)

vanwege (de kans op) (levensbedreigende) bijwerkingen en/of

(levensbedreigende) risico's voor de gezondheid in diverse landen verboden is

en/of

- na toediening en/of inname van (vooral hoge(re)) doseringen iboga(ïne) een

of meer klinische bijwerking(en) kan veroorzaken, waaronder ernstige en/of

levensbedreigende en/of risicovolle) bijwerkingen zoals cardiotoxiciteit en/of

neurotoxiciteit) en /of

- alleen onder (para)-medische zorg veilig gebruikt kan/mag worden,

terwijl zij verdachte als hulpverlener en/of zorgverlener niet, althans

onvoldoende, medisch geschoold was en (dus)

bij het verrichten van bovengenoemde (be)handeling(en), zichzelf

(redelijkerwijs) niet (voldoende) bekwaam en/of bevoegd kon of mocht achten

en/of verdachte (derhalve) wist en/of ernstige reden had om te vermoeden dat

zij schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van die

perso ( o ) n (en), althans van een ander of anderen heeft veroorzaakt ,

bestaande ( die aanmerkelijke kans op) schade mede hieruit, dat zij, verdachte,

- de woning/behandelkamer van waaruit zij, verdachte, behandelingen met

ibogaïne verrichte, niet, althans onvoldoende, medisch geëquipeerd was en/of

- voornoemde perso(o)n(en) die zij, verdachte, behandelde met iboga(ïne)

voorafgaande aan de behandeling medisch niet, althans onvoldoende, onderzocht

(ten einde pre-existente en/of actuele medische of psychische aandoeningen die

als contra-indicatie voor het gebruik van iboga(ïne) hebben te gelden, uit te

sluiten) en/of

- voornoemde perso(o)n(en) die zij, verdachte, niet althans onvoldoende, te

begeleiden vóór en/of tijdens en/of na inname van iboga(ïne) (ten einde te

monitoren of zich levensbedreigende, althans voor de gezondheid bedreigende

bijwerkingen en/of risico's zouden voordoen) en/of

- voornoemde perso(o)n(en) te behandelen heeft behandeld met iboga(ïne) zonder de (constante)

(para-)medische zorg en/of

- voornoemde perso(o)n(en) geen (adequate) nazorg heeft geboden,

ten gevolge waarvan

- voornoemde [betrokkene 2] hartritmestoornissen heeft ondervonden,

- voornoemde [betrokkene 3] in hallucinerende toestand is komen te verkeren waarna hij

van grote hoogte is gesprongen met botbreuken ten gevolge,

- voornoemde [betrokkene 5] in hallucinerende/psychotische toestand is komen te

verkeren en vervolgens de A2 is opgelopen en is doodgereden,

- voornoemde [betrokkene 4] een hartstilstand heeft ondervonden;

Feit 5

zij op of omstreeks 21 november 2011 te [plaats] , althans in Nederland,

vijftien , althans een of meer, fles ( sen ) medicinale zuurstof, zijnde ( een )

geneesmiddel (en) waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad heeft

gehad en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld

en/of heeft ingevoerd ;

Feit 7

zij op of omstreeks 20 maart 2011 te [plaats] , althans in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 225,83 gram , in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II , dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Als degene die, niet ingeschreven staande in een register, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Het onder 7 bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar ter zake van het onder 1, 5 en 7 bewezenverklaarde aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze voor een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en een voorwaardelijke hechtenis, beiden van de hierna aan te geven duur, leiden - de navolgende omstandigheden.

Verdachte heeft [betrokkene 5] en [betrokkene 4] behandeld met ibogaïne. [betrokkene 4] heeft hierdoor een hartstilstand gekregen, welke aan de schuld van verdachte te wijten is en als gevolg waarvan hij de rest van zijn leven invalide is. [betrokkene 5] is na de behandeling met ibogaïne door verdachte naar een hotel gebracht en daar in hulpeloze toestand achtergelaten, terwijl hij aan haar zorg was toevertrouwd.


Ten behoeve van de behandelingen die verdachte aanbood met iboga(ïne), bereidde zij zelf capsules met deze stof en had een grote hoeveelheid daarvan in voorraad, hetgeen in strijd is met de wet. Ook had verdachte meer dan de toegestane hoeveelheid hennep in haar bezit. Met betrekking tot de aangetroffen MDMA, methadon en morfine merkt het hof op dat het bezit daarvan strafbaar is, maar dat het hof er wel rekening mee houdt dat deze middelen in de woning van verdachte zijn achtergelaten door verslaafden die zij behandelde.

In het voordeel van verdachte heeft het hof bij de strafbepaling rekening gehouden met het uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Alles afwegende acht het hof voor de feiten 2A, 4, 5, 7 en 8, zijnde alle misdrijven, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 141 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.


Het onder 1 bewezenverklaarde levert een overtreding op, waarvoor een afzonderlijke straf dient te worden opgelegd. Gelet op het tijdsverloop sinds het onder 1 bewezenverklaarde en de omstandigheid dat verdachte een minder groot verwijt treft nu [betrokkene 4] wel op zijn hartconditie is onderzocht, en teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan dergelijke strafbare feiten acht het hof oplegging van een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één maand passend en geboden. Het hof zal hieraan een proeftijd van drie jaren verbinden, gelet op de uitgesproken wil van verdachte om verder te gaan met het behandelen van mensen met iboga(ïne).

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 528.031,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks (immateriële) schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Ten aanzien van de gevraagde kosten voor rechtsbijstand is het hof van oordeel dat in dit geval een bedrag moet worden toegekend van € 7.740,-, te weten 3 punten in liquidatietarief VII (voor het opstellen van de vordering, het bijwonen van de zitting in eerste aanleg en het bijwonen van de zitting in hoger beroep).

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt CHF 19.931,70. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 62 en 255 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 96 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en de artikelen 18 en 40 van de Geneesmiddelenwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 5 en 7 tenlastegelegde, de opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 5 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 5 en 7 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 5 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het onder 2A, 4, 5, 7 en 8 bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 141 (honderdeenenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 4] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

7.740,00 (zevenduizend zevenhonderdveertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 4] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 6]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 6] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 5]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 5] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr. J.M.J. Denie, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 9 oktober 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.