Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:7484

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
200.127.265/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit van een camper. Het hof oordeelt dat de camper op het moment van aflevering daarvan niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Het hof onderzoekt of de leverancier een redelijke mogelijkheid tot herstel is geboden en of de op de datum van de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst aanwezige afwijkingen van het overeengekomene de ontbinden met haar gevolgen kon rechtvaardigen. Het hof overweegt dat het oorspronkelijke gebrek aan de camper (lekkage) een dermate ernstige afwijking betreft dat zij een ontbinding van de koopovereenkomst kon rechtvaardigen. Nadien hebben weliswaar twee reparatiepogingen plaatsgevonden, doch deze hebben niet tot het resultaat geleid dat de camper geheel vrij van gebreken is geraakt. In het licht van die omstandigheden was er voor de koper voldoende grondslag de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, zelfs indien geoordeeld zou moeten worden dat de afwijkingen die op dat moment (na de tweede reparatie) nog bestonden op zichzelf, gezien hun geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet zouden kunnen rechtvaardigen.

Het hof gaat vervolgens in op de ongedaanmakingsverbintenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.265/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/110062/ HA ZA 09-435)

arrest van de eerste kamer van 6 oktober 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 juli 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In het tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 30 oktober 2013. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties).

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

De vordering van [appellant] luidt:

"(…) bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 13 maart 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoend de vorderingen van geïntimeerde zoals verwoord in de dagvaarding onder 1 en 2 alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties".

1.5

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"(…) te vernietigen het vonnis van de Rechtbank te Groningen d.d. 16 maart 2011 en het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 13 maart 2013, uitgesproken tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] toe te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief nakosten € 205,- (subsidiair € 131,-) zonder betekening en € 273,- (subsidiair € 199,-) met betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover indien betaling daarvan binnen 14 dagen na betekening van het arrest uitblijft."

2 De feiten

2.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.16) van het vonnis van 16 maart 2011 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Daarmee staat het volgende vast.

2.2

[geïntimeerde] heeft op 3 april 2007 van [appellant] een nieuwe camper gekocht van het merk Fiat 2.8 type Chausson Welcome 17, zulks tegen een koopprijs van € 57.500,-. Door [geïntimeerde] is ingeruild zijn camper merk Fiat, type Dethleffs Alcove, ter waarde van € 22.500,-. Per saldo heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 35.000,- betaald. Dit bedrag is voldaan op 31 mei 2007. Op die dag is de camper ook door [appellant] aan [geïntimeerde] geleverd.

2.3

Op 1 november 2007 heeft [geïntimeerde] de camper teruggebracht naar [appellant] . [geïntimeerde] heeft [appellant] gemeld dat er sprake was van lekkage aan het dak van de camper. De hemelplaat in de camper vertoonde op dat moment lekkageplekken.

2.4

De camper is voor herstel naar de fabrikant Chausson (hierna: de fabrikant) in Tournon (Frankrijk) gebracht.

2.5

In een e-mail van 31 januari 2008 van [X] (Garantie Camping Cars Export Trigano) aan [appellant] staat het volgende vermeld:
"(…)
Please find here under the detail of the work that has been done in our factory workshop on [geïntimeerde] 's vehicle ( [nummer] ) that has been transported back to our factory:
1. The roof has been taken apart and the inside lining plate has been changed,
2. Repair of the right upper face by sticking and putting in place a trim above the door of the life unit,
3. The roof has been put on again and a complete watertightness checking has been performed, The phenomenon was not connected with a water infiltration: it is due to an bad positioning of the roof anchoring which has consequently left a mark on the upper part of the right face.
As far as the wood roof is concerned the problem was connected with a buckling of a metal part inserted in the roof structure.
(…)"

2.6

Begin 2008 is de camper weer bij [appellant] geleverd. [geïntimeerde] heeft, toen hij de camper bij [appellant] wilde ophalen, de camper bij [appellant] laten staan omdat hij het niet eens was met de wijze waarop de camper was hersteld.

2.7

Bij brief van 10 maart 2008 heeft mr. K. de Boer, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand (hierna: De Boer), namens [geïntimeerde] [appellant] in gebreke gesteld. Voorts heeft De Boer in de brief herstel van de camper gevorderd nu de herstelwerkzaamheden niet adequaat zijn uitgevoerd en [appellant] verzocht om vóór 17 maart 2008 met een plan van aanpak te komen.

2.8

Partijen hebben gesproken over het inschakelen van een deskundige om de camper te laten onderzoeken.

2.9

Op 12 maart 2008 is [A] , werkzaam bij Extenso schademanagement & taxatie te Heerhugowaard, ingeschakeld.

2.10

[geïntimeerde] heeft op 11 juni 2008 [B] , werkzaam bij Janze Expertisebureau te Hoogkarspel opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de camper.

2.11

Op 10 juni 2008 heeft [appellant] de camper voor reparatie afgegeven aan [naam herstelbedrijf] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam herstelbedrijf] ).

2.12

De Boer heeft namens [geïntimeerde] een brief van 26 juni 2008 aan [appellant] verzonden met - onder meer - de volgende inhoud:
"(…)
Termijn
In uw brief geeft u aan de camper 2 juli 2008 gereed te hebben. Met de heer [B] had u de afspraak gemaakt dat de camper 27 juni 2008 klaar zou staan. Wederom komt u uw afspraken niet na. Om u een allerlaatste kans te geven om deze kwestie tot een goed einde te brengen, geef ik u uit coulance, namens de heer [geïntimeerde] , nog eenmaal uitstel tot 2 juli. Op die datum zal de heer [geïntimeerde] de camper ophalen. Indien de camper niet hersteld is, bent u officieel in gebreke en treedt verzuim in. De heer [geïntimeerde] behoudt zich dan het recht voor om de camper naar een ander herstelbedrijf te brengen om het herstel alsnog uit te voeren (…)."

2.13

[geïntimeerde] heeft de camper op 28 juni 2008 opgehaald.

2.14

[B] heeft in zijn rapport van 28 juli 2008 - voor zover van belang - het volgende vermeld:


"(…)
De door Achmea Rechtsbijstand gestelde vragen
a. Wat is uw oordeel over de door [bedrijf appelant] verrichte werkzaamheden
(…)

6 De beantwoording van de vragen
Vraag a. de door [bedrijf appelant] verrichte werkzaamheden, beoordeel ik als zeer slecht. De camper is er niet beter op geworden. Bij de zijwand bij het aanrecht is nu ook lekkage, bij de afwerklijst van de alkoof is nu ook daglicht zichtbaar, de spleten in de bovenhoeken van de achterwand zijn nu groter. De bolling, ongeveer in het midden van de achterwand, is nu nog zichtbaar evenals de bolling en barst boven de toegangsdeur van de camper.
(…)"

2.15

Bij brief van 18 augustus 2008 heeft [geïntimeerde] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [geïntimeerde] heeft in zijn brief vermeld dat [appellant] de camper kan ophalen tegen betaling van € 57.500,-. [geïntimeerde] heeft de camper onder zich gehouden en is daarvan gebruik blijven maken.

2.16

[A] heeft in zijn rapport van 12 januari 2009 - voor zover van belang - het volgende vermeld:
"(…)
Conclusie:
Wij zijn van mening dat de verdikking van de hemelplaat boven het bovenste stapelbed, duidelijk een constructiefout (te diep ingedraaide schroef) is af fabriek. De verdikkingen kunnen op verantwoorde wijze afgevlakt worden en worden afgewerkt met een bredere afwerklijst. De verdikking boven deurkader is o.i. op keurige wijze, op basis van alternatief herstel opgelost.
De afwerking van de kitnaden op het dak van de kampeerauto is dermate slecht uitgevoerd, dat deze werkzaamheden volledig opnieuw en op correcte wijze dienen te worden uitgevoerd. Wij hebben ook andere nieuwe kampeerauto's van deze fabrikant geïnspecteerd, waarbij wij geen enkele kampeer auto hebben aangetroffen met een dergelijke kitnaad afwerking van hoeklijsten enz. Voor de garantie bij de fabrikant was er geen overtollig kit onder de hoeklijsten vandaan aanwezig.
Wij hebben met dhr. [appellant] overleg gepleegd omtrent de reparatie van de overtollige kitten op de dakplaat. Om de reparatie op een correcte wijze uit te voeren, zal de dakplaat vervangen moeten worden en zal er nieuwe kit aangebracht moeten worden onder de hoeklijsten. Tevens kan wanneer de dakplaat verwijderd is, gecontroleerd worden of er daadwerkelijk nog sporen van lekkage aanwezig zijn.
Verder verloop en afwikkeling
Wij hebben de reparateur waar de [bedrijf appelant] zijn schades laat herstellen bezocht. Op het moment van ons bezoek was de dakplaat van de kampeerauto verwijderd. Wij hebben geen enkel spoor van lekkage waargenomen. Nadat de nieuwe dakplaat op de kampeerauto is gemonteerd, hebben wij, de dag voor de eigenaar de kampeerauto op zou halen, de kampeerauto geïnspecteerd.
De vervanging van de dakplaat was op correcte, keurige wijze uitgevoerd. Enkel aan de binnenzijde waren de verdikkingen nog zichtbaar, dhr. [appellant] zou hiervoor de eigenaar een waardevermindering aanbieden (…)."

2.17

Op 6 juli 2009 hebben partijen overleg over de camper gehad. De camper is door partijen geïnspecteerd.

3 De vordering in eerste aanleg en de beslissing daarop

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad -:
- te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen gesloten op 3 april 2007 op 18 augustus 2008 buitengerechtelijk is ontbonden, althans deze overeenkomst ontbonden te verklaren;
- [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de koopprijs van € 57.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;
- [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen de expertisekosten ten bedrage van € 1.449,60, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de gerechtelijke incassokosten overeenkomstig het rapport van de NVvR ad € 1.788,-;
- [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

3.2

[appellant] heeft verweer gevoerd.

3.3

Na tussenvonnissen van 23 september 2009, 16 maart 2011, 28 september 2011 en 14 december 2011 en na raadpleging van de door de rechtbank benoemde deskundige Nederlof & Partner B.V., heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 13 maart 2013 [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te voldoen, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 43.125,- te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft [appellant] daarbij veroordeeld in de proceskosten en het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de koopovereenkomst tussen partijen gesloten op 3 april 2007 op 18 augustus 2008 buitengerechtelijk is ontbonden. Hetgeen meer of anders is gevorderd, is afgewezen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep in het principaal en het incidenteel appel
Inleiding

4.1

[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep vijf grieven opgeworpen. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor en zullen om die reden niet afzonderlijk worden besproken..

4.2

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van één van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.3

Dit artikel ligt ten grondslag aan de (hoofd)vordering van [geïntimeerde] . Of [geïntimeerde] de koopovereenkomst van 3 april 2007 op 18 augustus 2008 rechtsgeldig heeft ontbonden, is allereerst afhankelijk van het antwoord op de vraag of [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van één van zijn verbintenissen.

4.4

[geïntimeerde] heeft zich beroepen op het leerstuk van de non-conformiteit, stellende dat de camper zodanige gebreken had dat deze niet meer voor normaal gebruik geschikt was. Het verweer van [appellant] komt er in hoofdzaak op neer dat [geïntimeerde] niet binnen de klachttermijn van twee maanden kennis heeft gegeven van de aan de camper klevende gebreken en dat [appellant] geen redelijke mogelijkheid tot herstel van die gebreken is geboden. Het hof oordeelt daarover als volgt.
Klachtplicht

4.5

Als meest verstrekkend wordt eerst het beroep van [appellant] op artikel 7:23 BW beoordeeld.

4.6

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] pas nadat de camper na het herstel door de fabrikant in Tournon bij [appellant] was teruggebracht, heeft geklaagd over de bollingen in de plafondplaat en boven de toegangsdeur. Naar de mening van [appellant] komt [geïntimeerde] ten aanzien van deze gebreken geen beroep meer toe op het ontbreken van conformiteit, nu [geïntimeerde] ten aanzien van deze gebreken niet binnen bekwame tijd nadat hij redelijkerwijze deze gebreken had behoren te ontdekken, [appellant] daarvan in kennis heeft gesteld. [geïntimeerde] heeft de geldende klachttermijn van twee maanden laten verstrijken, aldus [appellant] .

4.7

Het hof onderschrijft dit standpunt van [appellant] niet en overweegt daartoe het volgende. Ingevolge artikel 7:23 lid 1 BW kan de koper er geen beroep meer op doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Bij een consumentenkoop moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden, waarbij in de regel een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking op basis van het artikel tijdig is.

4.8

[geïntimeerde] heeft gesteld dat de genoemde bollingen in de wanden van de camper bij de aflevering daarvan niet aanwezig waren, maar dat deze eerst zijn ontstaan nadat sprake was van lekkage in de camper. De bollingen zijn door [geïntimeerde] eind oktober 2007 ontdekt, waarna [geïntimeerde] op 1 november 2007 de camper terug heeft gebracht naar [appellant] . [appellant] heeft te dien aanzien (ter comparitie bij de rechtbank op 14 januari 2010) verklaard dat [geïntimeerde] op 1 november 2007 te woord is gestaan door [Y] , die twee verdikkingen in de camper heeft geconstateerd, alsmede een vochtkring door lekkage bij het dakraam. Partijen zijn op dat moment overeengekomen de camper ter reparatie aan te bieden bij de fabrikant in Tournon. Toen hij de camper na de reparatie begin 2008 weer bij [appellant] op wilde halen, stelt [geïntimeerde] geconstateerd te hebben dat de bollingen in de wanden nog altijd zichtbaar waren, en dat er tevens dikke kitranden te zien waren. [geïntimeerde] heeft daarop aangegeven niet tevreden te zijn over de reparatie en heeft dientengevolge de camper bij [appellant] laten staan.

4.9

[appellant] heeft deze gang van zaken niet, althans niet gemotiveerd, weersproken.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] binnen bekwame tijd na ontdekking heeft geklaagd nu hij binnen nagenoeg een week na de ontdekking, op 23 oktober 2007 zijn klachten met betrekking tot de camper, waaronder de aanwezigheid van bollingen, aan [appellant] kenbaar heeft gemaakt. Ook wanneer de stelling van [appellant] dat de bollingen eerst zijn ontstaan na de reparatie in Tournon, gevolgd zou worden, heeft te gelden dat [geïntimeerde] tijdig heeft geklaagd, nu hij direct na terugkomst van de camper bij [appellant] heeft aangegeven niet akkoord te gaan met de door de fabrikant uitgevoerde reparaties, omdat de bollingen nog altijd zichtbaar waren en er kitranden te zien waren.
Non-conformiteit

4.10

Nu het beroep van [appellant] op schending van de klachtplicht faalt, ligt vervolgens de vraag aan het hof voor of de camper beantwoordde aan de koopovereenkomst - en zo nee, of de tekortkoming(en) in de nakoming van de koopovereenkomst [geïntimeerde] de bevoegdheid gaven de koopovereenkomst op 18 augustus 2008 buitengerechtelijk te ontbinden.

4.11

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.12

De overeenkomst van partijen betreft een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1 BW. Ingevolge artikel 7:17 BW moet de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Artikel 7:17 lid 2 BW bepaalt dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. De koper kan zich er niet op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt - zo is bepaald in lid 3 van artikel 7:17 BW - wanneer hem dit ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn.

4.13

Het hof is - gelijk de rechtbank in rechtsoverweging 2.4 van haar eindvonnis heeft overwogen - van oordeel dat [geïntimeerde] , nu hij een nieuwe camper heeft gekocht, op grond van de koopovereenkomst een onberispelijke camper mocht verwachten. Dat de Chausson camper, zoals [appellant] heeft gesteld, een relatief goedkope camper betreft die geproduceerd is voor de onderkant van de markt, doet hier (zo al juist) niet aan af.

4.14

Vaststaat dat [geïntimeerde] op 1 november 2007 bij [appellant] heeft gemeld dat hij op 23 oktober 2007 lekkage in de camper heeft geconstateerd. [geïntimeerde] heeft op eerstgenoemde datum de camper bij [appellant] gebracht, alwaar is geconstateerd dat de hemelplaat in de camper lekkageplekken vertoonde. [geïntimeerde] heeft daarbij verklaard dat er zich bollingen in de zijwand van de camper bevonden, boven de deur en achterin bij het stapelbed. Ter comparitie bij de rechtbank op 14 januari 2010 heeft [appellant] te dien aanzien verklaard dat de heer [Y] , werknemer van [bedrijf appelant] , het bestaan van de bollingen alsmede van een vochtkring door lekkage bij het dakraam, heeft waargenomen. Na inspectie door [bedrijf appelant] bleek de oorzaak het dakluik van de camper dat door de fabrikant foutief was gemonteerd.

4.15

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op de aard en de omvang van deze door [geïntimeerde] geconstateerde en door [appellant] niet betwiste problemen met de camper, te weten lekkage bij het dakraam door foutieve montage van het dakraam en bollingen in de zijwand boven de deur en achterin bij het stapelbed, in de gegeven omstandigheden de door [appellant] geleverde nieuwe camper niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.

4.16

Ingevolge artikel 7:22 lid 1 aanhef en onder a BW heeft de koper bij een consumentenkoop, indien het afgeleverde niet beantwoordt aan de overeenkomst, onder meer de bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden, tenzij de afwijking van het overeengekomene, gezien haar geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Lid 2 van genoemd artikel bepaalt echter dat deze bevoegdheid pas ontstaat wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, dan wel de verkoper tekort is geschoten in een verplichting als bedoeld in lid 3 van artikel 7:21 BW. In dit geval houdt dat in dat de verkoper verplicht is om, mede gelet op de aard van de zaak en op het bijzondere gebruik van de zaak dat bij de overeenkomst is voorzien, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper, de camper te herstellen.

4.17

Het hof dient te beoordelen of [geïntimeerde] de bevoegdheid had op 18 augustus 2008 de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden doordat herstel en vervanging van de camper onmogelijk was of van [appellant] niet gevergd kon worden, dan wel doordat [appellant] niet binnen redelijke termijn of zonder ernstige overlast tot herstel of vervanging van de camper was overgegaan.
Bij een bevestigend antwoord op die vraag ligt vervolgens de vraag voor of de op de datum van de ontbinding aanwezige afwijkingen van het overeengekomene de ontbinding met haar gevolgen konden rechtvaardigen.
Redelijke mogelijkheid tot herstel?

4.18

[geïntimeerde] is op 1 november 2007 met [appellant] overeengekomen het benodigde herstel van de camper door de fabrikant van de camper te laten uitvoeren, waarop de fabrikant het dakraam en de hemelplaat van de camper heeft vernieuwd en het kitwerk opnieuw heeft uitgevoerd.
Bij terugkomst van de camper begin 2008, heeft [geïntimeerde] aangegeven dat hij niet tevreden was over de door de fabrikant uitgevoerde reparaties, nu de bollingen in de wanden van de camper nog zichtbaar waren en er kitranden te zien waren. [appellant] heeft verklaard dat er door de fabrikant inderdaad teveel kit is gebruikt en dat de randen rondom het dakraam door de fabrikant niet netjes zijn afgewerkt. Tevens heeft [appellant] erkend dat de bolling boven het stapelbed nog aanwezig was. De bolling boven de deur is door de fabrikant weggewerkt door een opbergvak boven de deur te plaatsen.

4.19

[geïntimeerde] heeft daarop bij brief van 10 maart 2008 aan [appellant] te kennen gegeven dat de camper na het herstel door de fabrikant nog altijd behept is met gebreken. De camper voldeed naar de mening van [geïntimeerde] daarom (nog steeds) niet aan de vereisten die hij van de camper mocht verwachten. [geïntimeerde] heeft dientengevolge opnieuw herstel van de camper verzocht.
en [appellant] zijn vervolgens overeengekomen een deskundige in te schakelen teneinde expertise te laten verrichten op de camper. De camper is daarop eind april 2008 onderzocht door de heer [A] .
Naar de mening van [A] vertoonde de camper na de reparatie door de fabrikant geen sporen van lekkage meer, maar zijn bij het herstel door de fabrikant twee schroeven te diep ingedraaid. Een schroef in het dak levert een bolling van de hemelplaat op en een andere schroef boven de deur is te diep ingedraaid en daardoor zichtbaar. De afwerking van de kitnaden op het dak en bij de hoeklijsten zijn volgens [A] ondeugdelijk uitgevoerd.

4.20

[appellant] heeft erkend dat na de reparatie van de camper door de fabrikant gebleken is dat de hoeklijsten na vervanging van de dakplaat te slordig waren aangebracht doordat door de fabrikant teveel kit is gebruikt, alsmede dat de bollingen in de camper nog aanwezig waren.

4.21

Op initiatief van [geïntimeerde] is vervolgens de heer [B] benaderd teneinde een contra-expertise te verrichten. [geïntimeerde] heeft de camper daarop op 10 juni 2008 naar [naam herstelbedrijf] gebracht, alwaar de contra-expertise door [B] op 11 juni 2008 heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de door de fabrikant verrichte reparatie heeft [B] in zijn expertiserapport d.d. 28 juli 2008 (productie 7 bij inleidende dagvaarding) kort gezegd verklaard dat boven de toegangsdeur van de camper de binnenbeplating gebarsten was en een lichte bolling aanwezig was. Door de achterwand kwam links en rechts in de hoek daglicht binnen en ongeveer in het midden van de achterwand was een bolling zichtbaar, waarschijnlijk afkomstig van een foutief aangebrachte schroef, mogelijk in combinatie met waterschade.

4.22

[appellant] heeft vervolgens [naam herstelbedrijf] opdracht verstrekt tot herstel van de gebreken, waarbij (uiteindelijk) overeen is gekomen dat de camper op 2 juli 2008 gereed zou zijn.

4.23

Nadat [geïntimeerde] de camper op 28 juni 2008 bij [naam herstelbedrijf] had opgehaald, heeft hij [B] verzocht de door [naam herstelbedrijf] verrichte herstelwerkzaamheden te beoordelen nu er naar de mening van [geïntimeerde] na de reparatie door [geïntimeerde] wederom waterschade was opgetreden en er daglicht via de linker en rechterhoeken van de achterwand naar binnen scheen. [B] heeft naar aanleiding van dit tweede onderzoek geconcludeerd dat de camper (nog altijd) diverse gebreken vertoont, welke een rechtstreeks gevolg zijn van ondeskundig herstelwerk. Naar de mening van [B] gaat het daarbij om de volgende gebreken:
- de daklijst van de camper sluit aan de bestuurderskant niet aan op het dak waardoor er water via de binnenzijde van de wand naar beneden stroomt;
- de afwerklijst van de alkoof sluit niet aan op het dak, waardoor er daglicht naar binnen schijnt;
- boven de toegangsdeur van de camper is de binnenbeplating gebarsten en is nog een lichte bolling aanwezig;
- door de achterwand komt links en rechts in de hoek het daglicht naar binnen;
- de bolling in het midden van de achterwand is nog zichtbaar.

4.24

[appellant] erkent dat de lichtinval in beide hoeken van de camper en de bolling van het stapelbed door [naam herstelbedrijf] (nog) niet hersteld waren op het moment dat [geïntimeerde] de camper heeft opgehaald.
Op grond van die constatering is het hof van oordeel dat de camper ook op het moment dat [geïntimeerde] hem na de tweede reparatie ophaalde, niet beantwoordde aan de overeenkomst.

4.25

Naar de mening van [appellant] kan hieruit echter niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat hij niet binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor [geïntimeerde] is overgegaan tot herstel van de camper. [appellant] stelt hiertoe dat, nu [geïntimeerde] de camper reeds op 28 juni 2008 bij [naam herstelbedrijf] heeft opgehaald, [appellant] de redelijke mogelijkheid van (volledig) herstel van de camper is ontnomen.
Ter onderbouwing van dit standpunt stelt [appellant] , onder verwijzing naar de verklaring van [naam herstelbedrijf] d.d. 15 januari 2014 (productie c bij memorie van grieven), dat [geïntimeerde] de afspraak tussen partijen omtrent het ophalen van de camper op 2 juli 2008 in aanwezigheid van beide partijen en de deskundigen, heeft geschonden. Doordat [geïntimeerde] op 28 juni 2008, en derhalve vier dagen vóór de afgesproken datum, de camper heeft afgehaald, heeft [geïntimeerde] [appellant] de redelijke mogelijkheid tot (volledig) herstel ontnomen. Aan [naam herstelbedrijf] heeft [geïntimeerde] daarbij valselijk voorgehouden dat met [appellant] de afspraak was gemaakt om de camper op 28 juni 2008 op te halen, terwijl [geïntimeerde] wist dat die datum voor volledig herstel niet gehaald kon worden.

4.26

Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog en overweegt daartoe als volgt.

4.27

Namens [geïntimeerde] heeft mevrouw De Boer van Achmea rechtsbijstand op 26 juni 2008 een brief aan [appellant] geschreven waarin zij - kort gezegd - verklaart dat [geïntimeerde] ter zake van de te verrichten reparaties [appellant] uit coulance nog eenmaal uitstel verleent tot 2 juli 2008, op welke datum de camper gereed diende te zijn (zie ook hiervoor onder rechtsoverweging 2.12).

4.28

Vaststaat dat [geïntimeerde] de camper enkele dagen voor de laatste dag van de termijn, op zaterdag 28 juni 2008, bij [naam herstelbedrijf] heeft opgehaald.

4.29

In zijn conclusie van antwoord (onder punt 14) stelt [appellant] ten aanzien van de gang van zaken rondom het ophalen van de camper door [geïntimeerde] het volgende:
" [bedrijf appelant] heeft aangeboden om de camper na reparatie in bijzijn van de heer [naam herstelbedrijf] aan [geïntimeerde] en zijn deskundige te laten plaatsvinden op dinsdag 1 juli 2008 (productie 11). Zonder [bedrijf appelant] daarin te kennen heeft [geïntimeerde] de camper al op zaterdag 28 juni na voltooiing van de reparaties [onderstreping hof] bij [naam herstelbedrijf] opgehaald."

4.30

[naam herstelbedrijf] , aan wie volgens [appellant] door [geïntimeerde] valselijk is voorgehouden dat de camper op 28 juni 2008 opgehaald kon worden, heeft in zijn verklaring d.d. 27 augustus 2009 (productie 14 bij conclusie van antwoord) als volgt verklaard:
"De klant van [appellant] [ [geïntimeerde] ; toev. hof] zou de camper vrijdags weer bij mij weg komen halen, is niet gebeurd. Zaterdagmorgen erop heeft de klant van [appellant] de camper bij mij weggehaald. De klant van [appellant] had de camper reeds gezien na de reparatie [onderstreping hof]. Mijn zoon was toen de bewuste zaterdagmorgen aanwezig omdat ik zelf verhinderd was. Hij heeft mij toen gebeld (mobiel) of hij de camper mee mocht geven, hierop heb ik bevestigend geantwoord [onderstreping hof]."

4.31

[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een latere verklaring van [naam herstelbedrijf] , d.d. 15 januari 2014 (productie c bij memorie van grieven). Hierin verklaart [naam herstelbedrijf] :
"De camper van de heer [geïntimeerde] was bij ons in reparatie (middels opdracht [bedrijf appelant] ). Helaas kon de streefdatum d.d. 28 juni niet gehaald worden, ivm kleine werkzaamheden waaronder het plaatsen van lijsten voor het in- en exterieur. Een nieuwe datum werd gesteld 02 juli.
Diverse keren heeft de heer [geïntimeerde] ons bezocht, om te kijken of de camper reeds gereed was.
Tot mijn verbazing werd ik op 28 juni gebeld door mijn zaterdag hulp (zelf was ik niet in staat aanwezig te zijn), dat er iemand zijn camper kwam halen, en of deze mee kon worden gegeven, dit bleek de heer [geïntimeerde] te zijn.
In eerste instantie heb ik hierop geantwoord nee, omdat et nog div. werkzaamheden moesten worden verricht, bovendien diende de opdrachtgever en expert bij aflevering samen met de heer [geïntimeerde] aanwezig te zijn.
[geïntimeerde] stond er op, zijn camper mee te nemen, waarop ik tegen mijn hulp heb gezegd, "het is [geïntimeerde] zijn camper, dus zijn eigendom" [geïntimeerde] heeft hierop de camper meegenomen."

4.32

Het hof constateert dat [naam herstelbedrijf] ten aanzien van de gang van zaken rondom het ophalen van de camper door [geïntimeerde] op 28 juni 2008, tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Waar [naam herstelbedrijf] op 27 augustus 2009 nog verklaarde dat [geïntimeerde] de camper reeds had gezien na de reparatie en dat hij zijn zoon, die die bewuste zaterdagmorgen als zaterdaghulp aanwezig was, toestemming heeft gegeven de camper aan [geïntimeerde] mee te geven, verklaart [naam herstelbedrijf] op 15 januari 2014 dat de reparaties aan de camper op 28 juni 2008 nog niet voltooid waren en dat hij (daarom) zijn zaterdaghulp in eerste instantie heeft geweigerd de camper aan [geïntimeerde] te doen afgeven, terwijl hij na aandringen van [geïntimeerde] (slechts) gezegd zou hebben dat het ‘ [geïntimeerde] zijn camper’ en dus diens eigendom is.
Gelet op deze discrepantie in de verklaringen van [naam herstelbedrijf] , alsmede op de in eerste aanleg door [appellant] ingenomen stelling dat [geïntimeerde] de camper heeft meegenomen "na voltooiing van de reparaties" had het naar het oordeel van het hof op de weg van [appellant] gelegen een plausibele verklaring te geven voor deze discrepanties. Nu [appellant] zulks heeft nagelaten, is het hof van oordeel dat hij zijn verweer onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. Aldus gaat het hof er vanuit dat zoals [naam herstelbedrijf] op 27 augustus 2009 verklaarde en zoals [appellant] tevens in zijn conclusie van antwoord heeft verklaard de reparaties aan de camper op 28 juni 2008 reeds voltooid waren, terwijl [naam herstelbedrijf] op die bewuste dag toestemming aan zijn zaterdaghulp heeft gegeven de camper aan [geïntimeerde] mee te geven. Onder die omstandigheden gaat de stelling van [appellant] dat hem geen redelijke mogelijkheid tot herstel is geboden zonder nadere toelichting, die ontbreekt niet op.

4.33

Nu, zoals het hof hiervoor onder rechtsoverweging 4.24 heeft overwogen, de camper ook na de tweede reparatie nog niet aan de overeenkomst beantwoordde, is het hof van oordeel dat [appellant] niet binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor [geïntimeerde] zijn verplichting tot herstel van de camper is nagekomen.
Als gevolg van de hiervoor beschreven gang van zaken ten aanzien van de herstelpogingen aan de camper, is [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof zodanig ernstige overlast bezorgd dat van hem niet behoefde te worden verwacht dat hij een derde reparatiepoging zou afwachten. Dat [appellant] voor de perioden van herstel aan [geïntimeerde] het gebruik van een vergelijkbare camper heeft aangeboden, maakt dit niet anders.

4.34

Aldus concludeert het hof dat aan [geïntimeerde] op grond van artikel 7:22 lid 1 onder a BW in beginsel het recht toe kwam de koopovereenkomst te ontbinden.
Ontbinding gerechtvaardigd?

4.35

Vervolgens staat ter beoordeling of de gebreken aan de camper niet van zodanig geringe betekenis waren dat zij de ontbinding met haar gevolgen niet konden rechtvaardigen.

4.36

Het hof stelt bij de beoordeling van die vraag voorop dat het oorspronkelijke gebrek aan de camper (de lekkage als gevolg van de foutieve montage van het dakluik) een dermate ernstige afwijking betreft, dat zij aan het normale gebruik van de camper in de weg staat, zodat zij de ontbinding van de koopovereenkomst had kunnen rechtvaardigen.
Na de ontdekking van dit gebrek hebben er tot tweemaal toe herstelpogingen plaatsgevonden, doch deze hebben niet tot het resultaat geleid dat de camper geheel vrij van gebreken is geraakt. Niet in geschil is immers dat er na de eerste reparatie (door de fabrikant) sprake was van slordig aangebrachte hoeklijsten doordat er teveel kit was gebruikt en dat er zich in de camper een tweetal bollingen bevond, terwijl na de tweede reparatie (door [naam herstelbedrijf] ) nog sprake was van lichtinval in beide hoeken van de camper, overtollig kit nog verwijderd moest worden en de bolling boven het stapelbed nog niet was hersteld.
In de onderhavige situatie was na twee reparatiepogingen derhalve nog altijd geen sprake van een aan de overeenkomst beantwoordende camper. In het licht van die omstandigheden was er naar het oordeel van het hof op 18 augustus 2008 voldoende grondslag voor ontbinding van de overeenkomst, zelfs indien geoordeeld zou moeten worden dat de afwijkingen die op dat moment (na de tweede reparatie) nog bestonden op zichzelf, gezien hun geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet zouden kunnen rechtvaardigen. De gebrekkige wijze waarop [appellant] zijn verplichtingen tot dan toe was nagekomen, maakt dat de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst door [geïntimeerde] op grond van die gebreken toch gerechtvaardigd was.
Het hof gaat aldus uit van de situatie dat de overeenkomst op 18 augustus 2008 rechtsgeldig is ontbonden.

4.37

Nu het hof op grond van het vorenstaande van oordeel is dat [appellant] zijn verplichting de door hem erkende gebreken binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor [geïntimeerde] te herstellen niet is nagekomen, terwijl deze gebreken aan de camper onder de gegeven omstandigheden niet van dien aard of betekenis waren, dat zij onvoldoende rechtvaardiging boden voor de ontbinding van de koopovereenkomst door [geïntimeerde] , behoeven de bezwaren van [appellant] tegen de werkwijze en de bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige Nederlof hier geen nadere bespreking.

4.38

Het hof gaat nu in op de gevolgen van de ontbinding.
De gevolgen van de ontbinding

4.39

Indien een wederkerige overeenkomst - zoals in het onderhavige geval - met recht wordt ontbonden, ontstaat ingevolge artikel 6:271 BW voor de betrokken partijen, voor zover de overeenkomst al is nagekomen, een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestatie.

4.40

Aldus heeft als uitgangspunt te gelden dat [appellant] de van [geïntimeerde] ontvangen koopprijs heeft te restitueren, terwijl [geïntimeerde] de hem door [appellant] geleverde camper heeft terug te geven, in beginsel in dezelfde staat als waarin deze zich bij de ontvangst daarvan bevond. Aangezien de camper bij [geïntimeerde] zowel voor als na de ontbinding (met tussenpozen) in gebruik is geweest - de door de rechtbank benoemde deskundige heeft immers (onweersproken) vastgesteld dat de kilometerstand van de camper eind 2011/begin 2012 9.024 kilometer bedroeg - zal [geïntimeerde] de camper niet in dezelfde staat kunnen terug leveren. In zoverre is nakoming van deze ongedaanmakingsverbintenis blijvend onmogelijk en treedt daarvoor in de plaats een verbintenis tot waardevergoeding. Nu vaststaat dat de camper niet aan de overeenkomst beantwoordde, dient op voet van artikel 6:272 lid 2 BW een dergelijke waardevergoeding te worden beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dat moment daadwerkelijk heeft gehad.

4.41

Het hof heeft, gelet op het hiervoor overwogene, behoefte aan nadere informatie om te kunnen vaststellen op welk bedrag de waarde moet worden gesteld, die het gebruik van de camper voor [geïntimeerde] heeft gehad. De tot nu toe gewisselde processtukken geven daarvoor onvoldoende houvast. Daarom verzoekt het hof partijen om zich daarover uit te laten, met het verzoek om daarbij met name de volgende vragen te beantwoorden:
- gedurende welke periodes is de camper daadwerkelijk door [geïntimeerde] gebruikt?
- kunnen partijen concrete aanknopingspunten geven ter vaststelling van de waardevergoeding in verband met het feit dat [geïntimeerde] de camper gedurende bepaalde periodes heeft gebruikt?
- op welke wijze dient (in dit geval) de waarde van het gebruik van de camper te worden vastgesteld en welke aanknopingspunten dienen daarbij te worden gehanteerd?
Het hof zal eerst [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over deze vragen, omdat hij naar verwachting het beste in staat is om feitelijke informatie over de door het hof geformuleerde vragen te geven, waarna [appellant] de gelegenheid zal krijgen hierop te reageren. Het hof zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.42

Het hof overweegt voorts nog dat - anders dan [appellant] stelt - ongedaanmaking van het onderdeel van de koopovereenkomst dat betrekking heeft op de door [geïntimeerde] ingeruilde oude camper, eveneens blijvend onmogelijk is. Teruglevering van deze camper in dezelfde staat als waarin [appellant] deze heeft ontvangen is immers, alleen al door het tijdsverloop sinds de levering daarvan en de waardevermindering die daarvan het gevolg is, blijvend onmogelijk geworden. Daarbij komt dat de camper in de periode van juni 2007 tot maart 2013 geen eigendom van [appellant] is geweest, zodat voor beide partijen onduidelijk is wat er in deze periode met de camper is gebeurd. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de door [appellant] voorgestelde teruggave van de oude inruilcamper ter ongedaanmaking van een gedeelte van de koopovereenkomst (namelijk ten aanzien van het bedrag van € 22.500,- dat als gevolg van de inruil in mindering op de koopprijs is gebracht) in dit geval niet volstaat. De door [appellant] in plaats daarvan aan [geïntimeerde] te betalen vergoeding dient ingevolge het bepaalde in artikel 6:272 lid 1 BW vastgesteld te worden op de waarde van de ingeruilde Fiat Dethleff Alkoof, dat is € 22.500.

4.43

In afwachting van de nadere aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Het hof geeft, gelet op de gegeven beslissingen in de overwegingen van dit arrest, partijen in overweging om te bezien of een minnelijke regeling nu tot de mogelijkheden behoort.

De beslissing

Het gerechtshof:

verwijst de zaak naar de rol van 3 november 2015 voor akte uitlating aan de zijde van [geïntimeerde] als verzocht onder rechtsoverweging 4.41, waarna [appellant] in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. H.E. de Boer en mr. C.J.H.G. Bronzwaer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 oktober 2015.